Intro: theorie van de fysiologische vroeggeboorte
Bij geboorte: baby is fysiologisch wel rijp, maar staat psychologisch vrijwel nergens.
4.1 Uitrusting van de pasgeborene (neonatus)
Pasgeborene of neonatus. Deze term wordt gebruikt tot 4 weken na de geboorte. Eerst moet de
baby nog voldoende tot rust gekomen zijn na de inspanningen van de bevalling voor hij zijn reële
mogelijkheden voluit kan laten blijken.
4.1.1 Motorische reacties
Motorische reacties: zes gedragstoestanden waarin een baby zich kan bevinden:
Motorische reacties: reflexen: niet-aangeleerde, gestructureerde onvrijwillige responsen die
automatisch optreden in de aanwezigheid van bepaalde stimuli.
- Blijvende reflexen = vinden we ook terug bij volwassenen
o Vitale functie: vb. niezen, hoesten, braken, slikken
o Waarneming of motoriek: vb. pupil- en kniepeesreflex
- Voorbijgaande reflexen = reactiepatronen die enkel in de eerste weken of maanden na de
geboorte zichtbaar zijn
o Vitale functie: vb. zoek- en zuigreflex (bewijzen vooral hun nut bij borstvoeding)
o Andere: vb. grijp- en loopreflex, Babinski-reflex, Moro-reflex
1
, 4.1.2 Waarneming en cognitie
Baby’s zijn in staat om zintuiglijke indrukken op te doen, maar niet op dezelfde manier als
volwassenen. Ze worden overdonderd door een chaos van gewaarwordingen, zonder te beseffen dat
die verwijzen naar een objectieve werkelijkheid.
Piaget noemde dit een toestand van adualisme = het kind kan in het begin nog geen onderscheid
maken tussen de subjectieve gewaarwordingen en de dingen in de buitenwereld die daar aan de
basis van liggen.
Er is nog geen subject – objectsplitsing: het kind ervaart geen objecten, maar een stroom van steeds
wisselende impressies. Er is een continue opeenvolging van gewaarwordingen, zonder de herkomst
ervan te herkennen. Bv. het kind weet niet dat het honger heeft, maar het wordt bij momenten wel
helemaal in beslag genomen door dat knagende gevoel dat wij herkennen als honger.
- Elementaire processen
Pasgeborenen beschikken over een zeker leervermogen.
De eenvoudigste vorm is habituatie = wennen aan herhaaldelijk terugkerende prikkels.
Klassieke conditionering = prikkels of gebeurtenissen die herhaaldelijk samen voorkomen worden
onbewust met elkaar geassocieerd zodat de ene na verloop van tijd als een signaal ervaren wordt
door het verschijnen van de andere.
Operante conditionering = een gedrag dat regelmatig gevolgd wordt door een beloning raakt daar
geleidelijk mee geassocieerd, waardoor het gedrag in het vervolg vaker gesteld zal worden.
Sociaal leren = baby’s van nog maar enkele dagen oud kunnen ertoe gebracht worden om, in
navolging van een volwassen model, de mond te openen of de tong uit te steken (=
nabootsingsgedrag).
2