Paragraaf 1: Voedingsstoffen.
Voedingsmiddelen: alles wat je eet of drinkt (= bevatten weer voedingsstoffen).
Je hebt 6 groepen voedingsstoffen;
1. Eiwitten (= proteïnen)
bestaan uit enkele tientallen tot meer dan duizend aminozuren.
-> moeten worden gesplitst tot afzonderlijke aminozuren.
Essentiële aminozuren: 8 (van 20) aminozuren die de lever niet zelf kan maken
(=transaminering): via voeding binnekrijgen.
Dient als: bouwstof (cellen&weefsels), reguleren bijna alle processen en helpen bij
bloedstolling en immuniteit.
2. Koolhydraten (= sachariden)
je hebt polysachariden, disachariden en monosachariden.
Dient als: energiebehoefte, bouwstoffen, spelen rol bij herkenning cel door andere cel.
Voedingsvezels: kunnen niet worden verteerd door enzymen van de mens.
-> wel door sommige enzymen bacteriën in de darmen.
= bevorderen de darmwerking en stoelgang.
3. Vetten (= lipiden)
bestaan uit glycerol met drie vetzuurmoleculen (vetzuurstaartjes) = triglyceriden.
-> verzadigd: enkele bindingen.
-> onverzadigd: dubbele binding(en).
Lichaam kan bijna alle vetzuren vormen uit andere organische stoffen, maar een paar
onverzadigde vetzuren moeten via voeding (essentiële vetzuren).
Dient als: brandstof en bouwstof.
4. Water
Belangrijkste bouwstof en oplosmiddel voor andere stoffen.
-> Transportmiddel en regeling van de lichaamstemperatuur.
5. Mineralen (= zouten)
-> Anorganisch, worden gebruikt als bouwstoffen.
-> Sommige helpen bij het stollen van bloed of het geleiden van impulsen.
Spoorelementen: heb je zeer kleine hoeveelheden van nodig (vaak bestandsdelen van
enzymen en hormonen).
6. Vitaminen
-> Organisch, nodig om processen in het lichaam goed te laten verlopen.
Uit provitaminen kan lichaam zelf vitaminen maken.
Gebreksziekten: ontstaan bij tekort aan vitaminen.
Paragraaf 2: Het verteringsstelsel.
Darmperistaltiek: door om en om samentrekken van kringspieren en lengtespieren wordt
voedselbrij door darm heen geduwd, gemengd en gekneed met verteringssappen.
Verteringsklieren: geven deze enzym bevattende sappen af.
Mechanische vertering: bijv. kauwen van voedsel (moleculen zelf niet kapot).
Chemische vertering: door enzymen.
1
,Verteringsorganen.
Waar Onderdelen Functie
Mondholte Gebit Tot. opp. vergroten
Speekselklieren Enzym amylase en slijm als glijmiddel
Keelholte Huig - Neusholte afsluiten bij slikken
Strottenklepje - Luchtpijp afsluiten bij slikken
Slokdarm Verplaatsen voedsel naar maag met peristaltische bewegingen
Maag Maagsapklieren - Produceren maagsap (water, zoutzuur, enzym)
Tijdelijke opslag Pepsinogeen (inactief pro-enzym) + zoutzuur -> pepsine
voedsel Zoutzuur: doodt bacteriën in voedsel
Slijmwand - beschermt maagwand
Pylorus - Maagportier sluit maag af
12-vingerige Afgifte plaats van:
darm
Lever - Gal en alvleessap vermengen met voedselbrij
Produceert gal (tijdelijk opgeslagen in galblaas)
-> breekt rode bloedcellen af
-> Vetten emulgeren door galzouten= meer opp.
Alvleesklier - Produceert alvleessap
(=pancreas)
Vertering bij dieren.
- Eencellige organismen nemen voedsel op door fagocytose: instulpen van membraan en afsnoeren
van blaasjes.
Bij pantoffeldiertjes en amoeben versmelten deze voedingsvacuolen met lysosomen (bevatten
enzymen).
-> vertering dus in de cel: intracellulaire vertering.
- Eenvoudige meercellige organismen hebben meestal speciale ruimte in lichaam: maagdarmholte.
1 opening: mond en anus.
-> extracellulaire vertering.
- Complexer gebouwde organismen hebben darmkanaal met mond en anus.
2
, Paragraaf 3: Chemische vertering.
Afbraak van voedingsstoffen tot losse bouwstenen gebeurt met behulp van verteringsenzymen.
-> temp. optimum hetzelfde (37 graden), pH-optimum verschilt.
Amylase = zetmeel -> maltose
-> in de maag na een tijd onwerkzaam Gastrine: hormoon wat zorgt voor
doordat pH daalt. afgifte maagsap.
Pepsinogeen (pro-enzym) -> pepsine - Voedsel in twaalfvingerige darm ->
(pos. terugkoppeling) = zuurder -> maagportier sluit.
eiwitmolecules splitsen. Secretine: hormoon, stimuleert lever
Trypsinogeen (co-enzym) wordt door tot produceren gal en alvleesklier tot
enterokinase geactiveerd in trypsine secretie van NaHCO3 -> basisch,
(lange polypeptide in korte). neutraliseert HCL -> pH weer hoger en
Peptidasen: breken polypeptiden af maagportier weer open.
tot di- en tripeptiden. Cholecystokinine: hormoon,
Lipase: triglyceriden -> glycerolmol., stimuleert galblaas voor afgifte gal en
vetzuurmol. en monoglyceriden. alvleesklier voor secretie enzymen.
DNA-ase en RNA-ase: DNA + RNA -> -> gal zorgt ervoor dat lipase goed kan
nucleotiden. inwerken op enzymen.
Maltase: maltosemol. -> 2 glucosemol.
Sacharase: verteert sacharose Vertering zetmeel voltooid.
(riet/bietsuiker). Peptidasen breken uiteindelijk di- en
Lactase: verteert lactose (melksuiker) tripeptiden af tot aminozuren:
vertering eiwitten voltooid.
-> TB 82E
Paragraaf 4: Resorptie.
= de opname van stoffen via de darmwand in het bloed en de lymfe (energie nodig).
Dunne darm.
Darmwand heeft darmplooien.
-> hebben weer uitstulpingen: darmvlokken.
-> buitenste laag darmvlokken (darmepitheel) bevat weer uitstulpingen: microvilli.
= zeer groot opp.
In cellen van darmepitheel: intensieve dissimilatie.
-> veel actief transport via transporteiwitten (energie uit ATP).
Zorgt voor verschil in osmotische waarde: water dus via osmose in darmepitheel.
-> Doordat er veel langs deze cellen komt slijten ze veel, dus veel celdeling (kost ook veel energie).
- Meeste stoffen via haarvaten naar één afvoerend bloedvat: de poortader. -> door naar lever.
- Sommige via lymfe, zoals triglyceriden (zijn weer opgebouwd in cellen uit monoglyceriden, vetzuren
en glycerol).
-> deze vetten omgeven door manteltje van eiwitten en fosfolipiden = lipoproteïnen.
3