Taal in het basisonderwijs (herkansing)
Zoë Idema
Boeken:
Portaal H 1.1, 1.2 en 4
Spelling H1
Taalontwikkeling op school H 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7
Met woorden in de weer H 1.4, 2, 3, 4 en 5
Portaal
,Hoofdstuk 1 Taal en taalonderwijs
1.1 Wat is taal?
De vier domeinen van taal:
Tussen gesproken en geschreven taal
Tussen receptieve en productieve processen (receptief=ontvangen,
productief=produceren)
productief receptief
mondeling spreken luisteren
schriftelijk schrijven lezen
Omschrijvingen van taal:
Taal heeft verschillende functies
o Communicatief
Zakelijk aspect
Appellerend aspect
Relatie tussen zender en ontvanger
Expressief effect
o Conceptualiseren (greep krijgen op de werkelijkheid)
o Expressief
Taal heeft een betekenis (semantiek is de leer van de betekenis)
o Lexicale woorden (woorden met betekenis) en afgeleiden daarvan
Als je in het woordenboek ‘gelopen’ wilt opzoeken, moet je
kijken bij ‘lopen’
o Polysemie (een woord krijgt een andere betekenis in een andere zin)
o Homoniemen (zelfde woord, andere betekenis) en synoniemen
(ander woord, zelfde betekenis)
Taal heeft een systeem
o Fonologie (spraakklanken: klinkers, tweeklanken, medeklinkers)
Bilibialen: met beide lippen gevormd
Labiodentalen: onderlip en boventanden
Dentalen: tongpunt en achterzijde boventanden
Palatalen: tongblad en harde gehemelte
Velaren: tongblad en grens harde/zachte gehemelte
o Morfologie (vormleer van woorden: woordsoorten, samenstellingen,
afleidingen)
o Syntaxis (zinsbouw)
o Teksten (opbouw en taalgebruik)
Extralinguïstische middelen zijn àccéñttêkëns, onderstrepingen, cursiveringen,
enzovoort.
Een antecedent is hetgene waarnaar verwezen wordt.
Een affix is een aanplaksel bij een woord. Een prefix wordt voor het woord
geplakt (verplaatsen), een suffix na het woord (kindje).
1.2 Taalonderwijs
, Visies op taalonderwijs:
Traditioneel taalonderwijs
o + Overzichtelijk: verdeeld in deelaspecten die los van elkaar te
bekijken en analyseren zijn.
o - Aandacht wordt over te veel verschillende domeinen verdeeld.
Thematisch-cursorisch taalonderwijs
o Taal leren door taal gebruiken
o + Leerlingen kiezen zelf een activiteit waarbij zij taal gebruiken en
ervaren de activiteit zo eerder als zinvol.
o - Kost veel tijd
Taal bij alle vakken
o + Leerlingen gebruiken de taal bij activiteiten die voor hen
betekenisvol zijn.
o - Systeem van taal leren komt onder druk te staan.
Communicatief taalonderwijs
o Goed mondeling en schriftelijk kunnen communiceren is het
belangrijkst.
o + leerlingen zijn gemotiveerd door gekozen situaties.
o - Je kunt niet altijd mondeling en schriftelijk communiceren.
Strategisch taalonderwijs
o Leerlingen moeten bepaalde strategieën beheersen.
o + leerlingen krijgen beschikking om greep op taal te krijgen.
o - Docent gebruikt altijd hetzelfde stappenplan, wat saai wordt voor
de kinderen.
Taakgericht taalonderwijs
o Leerlingen kiezen zelf een taak waarin ze met taal gaan werken.
o + leerlingen zijn gemotiveerd door gekozen situaties.
o - Je kunt niet altijd mondeling en schriftelijk communiceren.
Interactief taalonderwijs
o Tien uitgangspunten:
Taalontwikkeling is een emancipatorisch proces
Taalontwikkeling is een sociaal proces
Er is aandacht voor coöperatief leren
Taalontwikkeling is een actief proces
Metacognitie is belangrijk
Het onderwijs is wederkerend
Het onderwijsrepertoire is flexibel
De instructie is adaptief
De schoolorganisatie is effectief
Er is een afstemming van school, buurt en gezin
Zoë Idema
Boeken:
Portaal H 1.1, 1.2 en 4
Spelling H1
Taalontwikkeling op school H 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7
Met woorden in de weer H 1.4, 2, 3, 4 en 5
Portaal
,Hoofdstuk 1 Taal en taalonderwijs
1.1 Wat is taal?
De vier domeinen van taal:
Tussen gesproken en geschreven taal
Tussen receptieve en productieve processen (receptief=ontvangen,
productief=produceren)
productief receptief
mondeling spreken luisteren
schriftelijk schrijven lezen
Omschrijvingen van taal:
Taal heeft verschillende functies
o Communicatief
Zakelijk aspect
Appellerend aspect
Relatie tussen zender en ontvanger
Expressief effect
o Conceptualiseren (greep krijgen op de werkelijkheid)
o Expressief
Taal heeft een betekenis (semantiek is de leer van de betekenis)
o Lexicale woorden (woorden met betekenis) en afgeleiden daarvan
Als je in het woordenboek ‘gelopen’ wilt opzoeken, moet je
kijken bij ‘lopen’
o Polysemie (een woord krijgt een andere betekenis in een andere zin)
o Homoniemen (zelfde woord, andere betekenis) en synoniemen
(ander woord, zelfde betekenis)
Taal heeft een systeem
o Fonologie (spraakklanken: klinkers, tweeklanken, medeklinkers)
Bilibialen: met beide lippen gevormd
Labiodentalen: onderlip en boventanden
Dentalen: tongpunt en achterzijde boventanden
Palatalen: tongblad en harde gehemelte
Velaren: tongblad en grens harde/zachte gehemelte
o Morfologie (vormleer van woorden: woordsoorten, samenstellingen,
afleidingen)
o Syntaxis (zinsbouw)
o Teksten (opbouw en taalgebruik)
Extralinguïstische middelen zijn àccéñttêkëns, onderstrepingen, cursiveringen,
enzovoort.
Een antecedent is hetgene waarnaar verwezen wordt.
Een affix is een aanplaksel bij een woord. Een prefix wordt voor het woord
geplakt (verplaatsen), een suffix na het woord (kindje).
1.2 Taalonderwijs
, Visies op taalonderwijs:
Traditioneel taalonderwijs
o + Overzichtelijk: verdeeld in deelaspecten die los van elkaar te
bekijken en analyseren zijn.
o - Aandacht wordt over te veel verschillende domeinen verdeeld.
Thematisch-cursorisch taalonderwijs
o Taal leren door taal gebruiken
o + Leerlingen kiezen zelf een activiteit waarbij zij taal gebruiken en
ervaren de activiteit zo eerder als zinvol.
o - Kost veel tijd
Taal bij alle vakken
o + Leerlingen gebruiken de taal bij activiteiten die voor hen
betekenisvol zijn.
o - Systeem van taal leren komt onder druk te staan.
Communicatief taalonderwijs
o Goed mondeling en schriftelijk kunnen communiceren is het
belangrijkst.
o + leerlingen zijn gemotiveerd door gekozen situaties.
o - Je kunt niet altijd mondeling en schriftelijk communiceren.
Strategisch taalonderwijs
o Leerlingen moeten bepaalde strategieën beheersen.
o + leerlingen krijgen beschikking om greep op taal te krijgen.
o - Docent gebruikt altijd hetzelfde stappenplan, wat saai wordt voor
de kinderen.
Taakgericht taalonderwijs
o Leerlingen kiezen zelf een taak waarin ze met taal gaan werken.
o + leerlingen zijn gemotiveerd door gekozen situaties.
o - Je kunt niet altijd mondeling en schriftelijk communiceren.
Interactief taalonderwijs
o Tien uitgangspunten:
Taalontwikkeling is een emancipatorisch proces
Taalontwikkeling is een sociaal proces
Er is aandacht voor coöperatief leren
Taalontwikkeling is een actief proces
Metacognitie is belangrijk
Het onderwijs is wederkerend
Het onderwijsrepertoire is flexibel
De instructie is adaptief
De schoolorganisatie is effectief
Er is een afstemming van school, buurt en gezin