HC 6 – Histologie cardiovasculaire systeem
Epitheel en bindweefsel zijn besproken in vorige, nu over spier. Spier =
belangrijke component van het cardiovasculaire systeem. In hart zit
hartspierweefsel en in bloedvaten (arteriën en venen) glad spierweefsel.
Martini hoofdstuk 10: 10-1 t/m 10-4 en 10-8 t/m 10-9.
Er zijn drie soorten spierweefsel:
- Dwarsgestreept of skeletspierweefsel
- Glad spierweefsel
- Hartspierweefsel
Elke spiercel is omgeven door basale lamina, met daarbuiten een dun laagje
reticulair bindweefsel (collageen type III). Epitheelcellen maken extracellulaire
matrix aan de basale (onder) kant en dat plakken ze vast aan onderliggend
bindweefsel. Dus fibroblasten die een beetje reticulair weefsel maken, zo plakken
spieren aan elkaar en kunnen ze als geheel samentrekken!
Wel 100 kernen in één spiervezel.
Dwarsgestreept: vezel kan heel lang zijn. Dwarsstreping, lengterichting v/d
spier. Allemaal kernen in één vezel, komt doordat zo’n spiervezel is samengesteld
uit meerdere cellen in ontwikkeling. Zo wel 100 kernen in één spiervezel.
Hartspiercel: ook dwarsstreping. Eén kern per cel. Er tussen allemaal
bloedvaten voor voortdurend voorziening van zuurstof en nutriënten.
Gladde spierweefsel: één kern. Beetje spoelvormig. Bijv. in darm en blaas.
,Dwarsgestreept spierweefsel
Bestaat uit gefuseerde cellen, deze vormen de spiervezels: multinucleair,
variabel van lengte, 1-100 micro meter doorsnede. Gemiddelde doorsnede van
één cel is ongeveer 7-10 micro meter. Dus je hebt hele dunne doorsnede en
relatief dikke.
Drie typen spieren, kleur bepaald door myoglobine (soort hemoglobine, alleen in
spier noem je het myoglobine, dus moleculen die zuurstof kunnen binden):
- Rode spieren: minder snel, langer en diepere contractie (wel minder snel),
gaat voortdurend door met samentrekken, myoglobine: rugspieren
bijvoorbeeld, deze zijn voortdurend actief en moeten hele tijd houding
corrigeren.
- Witte spieren: snelle contractie, maar ze kunnen niet langdurig zwaar werk
verrichten: bijvoorbeeld de oogspieren.
- Intermediair: de meeste spieren. Hebben eigenschappen van beide.
Skeletspierweefsel: verschillende bindweefsels in een spier. Epimysium:
bindweefsel van een spier. Epi = aan de buitenkant liggend. Dus bindweefsel aan
de buitenkant van een spier. IN die spier: spierbundels met daaromheen
bindweefsel dat die bundels verbindt. Dat is perimysium (bindweefsel wat een
bundel omvat). Daar binnen in die bundel: spiervezels met bindweefsel. Eén
spiervezel: endomysium. Endo = IN, bindweefsel IN een spier. Je ziet dus
verschillende bindweefsels in een spier. Sarcoplasma = cytoplasma maar dan in
een spier, sarcolemma: plasmamembraan van spiervezel.
Endomysium: bindweefsel om iedere spiercel. Iedere spiercel is dus omgeven
door basale lamina met een beetje reticulair bindweefsel. DAT is dus samen dat
endomysium dat om iedere spiercel zit, hierdoor plakken spiercellen vast aan
elkaar. Als je dus naar stuk vlees kijkt kun je epimysium zien zitten (vaak ook
vet). Perimysium die kleine witte stukjes in de spier echt en endomysium is te
klein.
Skeletspiervezel is dus dwarsgestreept. Hoe ontstaat die dwarsstreping? Meestal
door de elementen die zorgen voor samentrekking. In een myofibril (spiervezel)
zie je dikke en dunne filamenten. Deze gaan over elkaar heen bewegen en zo
trekt de myofibril samen. Om de myofibrillen zit sarcoplasmatisch reticulum.
, Eigenlijk hetzelfde als endoplasmatisch reticulum. Daaromheen gele buis: T
tubulus: deze staat in verbinding met de sarcolemma (plasmamembranen) v/d
spier. Waarom? Als neuron spier wilt activeren heeft hij contact met de
plasmamembranen/sarcolemma. Elektrisch signaal gaat via de T tubulus naar
sacroplasmatisch reticulum en dan krijg je contact met die filamenten. Dat is dus
de functie van die T tubulus.
Histologie: je ziet allemaal kleine zwarte streepjes die netjes onder elkaar liggen.
Dat is de dwarsstreping. Als je daarop inzoomt: je ziet dat het de lengterichting is
met de dwarsstreping. Eén zwarte streep = een A band. Tussen twee zwarte
strepen opening: I band. Soms lichte opening in A band = H band. Die banden
geven aan of een spier is samengetrokken of niet.
Sarcomeer = één eenheid van contractie. Dunne en dikke filamenten. De dunne
filamenten staan op een Z-lijn. Z-lijn tot volgende Z-lijn = 1 sarcomeer die kan
samentrekken. Donker = overlap tussen dunne en dikke filamenten. Soms lichter,
dan heb je alleen de dikke filamenten en geen dunne er overheen. Zoek: wat is M
line? Ook regio waar je alleen dunne filamenten hebt: de I band! Dikke zijn dus
myosine.
Wat als die sarcomeer gaat samentrekken met banden? Dikke filamenten:
myosine. Dunne filamenten: Actine. Sarcomeer trekt samen Z lijnen naar
elkaar toe, want actine schuift over myosine. De opening (H band) verdwijnt. De I
band verdwijnt ook. Bij het samentrekken van sarcomeer verdwijnen H en I band
dus/worden ze kleiner. A band blijft zelfde lengte. Actine glijdt over myosine
heen.
Epitheel en bindweefsel zijn besproken in vorige, nu over spier. Spier =
belangrijke component van het cardiovasculaire systeem. In hart zit
hartspierweefsel en in bloedvaten (arteriën en venen) glad spierweefsel.
Martini hoofdstuk 10: 10-1 t/m 10-4 en 10-8 t/m 10-9.
Er zijn drie soorten spierweefsel:
- Dwarsgestreept of skeletspierweefsel
- Glad spierweefsel
- Hartspierweefsel
Elke spiercel is omgeven door basale lamina, met daarbuiten een dun laagje
reticulair bindweefsel (collageen type III). Epitheelcellen maken extracellulaire
matrix aan de basale (onder) kant en dat plakken ze vast aan onderliggend
bindweefsel. Dus fibroblasten die een beetje reticulair weefsel maken, zo plakken
spieren aan elkaar en kunnen ze als geheel samentrekken!
Wel 100 kernen in één spiervezel.
Dwarsgestreept: vezel kan heel lang zijn. Dwarsstreping, lengterichting v/d
spier. Allemaal kernen in één vezel, komt doordat zo’n spiervezel is samengesteld
uit meerdere cellen in ontwikkeling. Zo wel 100 kernen in één spiervezel.
Hartspiercel: ook dwarsstreping. Eén kern per cel. Er tussen allemaal
bloedvaten voor voortdurend voorziening van zuurstof en nutriënten.
Gladde spierweefsel: één kern. Beetje spoelvormig. Bijv. in darm en blaas.
,Dwarsgestreept spierweefsel
Bestaat uit gefuseerde cellen, deze vormen de spiervezels: multinucleair,
variabel van lengte, 1-100 micro meter doorsnede. Gemiddelde doorsnede van
één cel is ongeveer 7-10 micro meter. Dus je hebt hele dunne doorsnede en
relatief dikke.
Drie typen spieren, kleur bepaald door myoglobine (soort hemoglobine, alleen in
spier noem je het myoglobine, dus moleculen die zuurstof kunnen binden):
- Rode spieren: minder snel, langer en diepere contractie (wel minder snel),
gaat voortdurend door met samentrekken, myoglobine: rugspieren
bijvoorbeeld, deze zijn voortdurend actief en moeten hele tijd houding
corrigeren.
- Witte spieren: snelle contractie, maar ze kunnen niet langdurig zwaar werk
verrichten: bijvoorbeeld de oogspieren.
- Intermediair: de meeste spieren. Hebben eigenschappen van beide.
Skeletspierweefsel: verschillende bindweefsels in een spier. Epimysium:
bindweefsel van een spier. Epi = aan de buitenkant liggend. Dus bindweefsel aan
de buitenkant van een spier. IN die spier: spierbundels met daaromheen
bindweefsel dat die bundels verbindt. Dat is perimysium (bindweefsel wat een
bundel omvat). Daar binnen in die bundel: spiervezels met bindweefsel. Eén
spiervezel: endomysium. Endo = IN, bindweefsel IN een spier. Je ziet dus
verschillende bindweefsels in een spier. Sarcoplasma = cytoplasma maar dan in
een spier, sarcolemma: plasmamembraan van spiervezel.
Endomysium: bindweefsel om iedere spiercel. Iedere spiercel is dus omgeven
door basale lamina met een beetje reticulair bindweefsel. DAT is dus samen dat
endomysium dat om iedere spiercel zit, hierdoor plakken spiercellen vast aan
elkaar. Als je dus naar stuk vlees kijkt kun je epimysium zien zitten (vaak ook
vet). Perimysium die kleine witte stukjes in de spier echt en endomysium is te
klein.
Skeletspiervezel is dus dwarsgestreept. Hoe ontstaat die dwarsstreping? Meestal
door de elementen die zorgen voor samentrekking. In een myofibril (spiervezel)
zie je dikke en dunne filamenten. Deze gaan over elkaar heen bewegen en zo
trekt de myofibril samen. Om de myofibrillen zit sarcoplasmatisch reticulum.
, Eigenlijk hetzelfde als endoplasmatisch reticulum. Daaromheen gele buis: T
tubulus: deze staat in verbinding met de sarcolemma (plasmamembranen) v/d
spier. Waarom? Als neuron spier wilt activeren heeft hij contact met de
plasmamembranen/sarcolemma. Elektrisch signaal gaat via de T tubulus naar
sacroplasmatisch reticulum en dan krijg je contact met die filamenten. Dat is dus
de functie van die T tubulus.
Histologie: je ziet allemaal kleine zwarte streepjes die netjes onder elkaar liggen.
Dat is de dwarsstreping. Als je daarop inzoomt: je ziet dat het de lengterichting is
met de dwarsstreping. Eén zwarte streep = een A band. Tussen twee zwarte
strepen opening: I band. Soms lichte opening in A band = H band. Die banden
geven aan of een spier is samengetrokken of niet.
Sarcomeer = één eenheid van contractie. Dunne en dikke filamenten. De dunne
filamenten staan op een Z-lijn. Z-lijn tot volgende Z-lijn = 1 sarcomeer die kan
samentrekken. Donker = overlap tussen dunne en dikke filamenten. Soms lichter,
dan heb je alleen de dikke filamenten en geen dunne er overheen. Zoek: wat is M
line? Ook regio waar je alleen dunne filamenten hebt: de I band! Dikke zijn dus
myosine.
Wat als die sarcomeer gaat samentrekken met banden? Dikke filamenten:
myosine. Dunne filamenten: Actine. Sarcomeer trekt samen Z lijnen naar
elkaar toe, want actine schuift over myosine. De opening (H band) verdwijnt. De I
band verdwijnt ook. Bij het samentrekken van sarcomeer verdwijnen H en I band
dus/worden ze kleiner. A band blijft zelfde lengte. Actine glijdt over myosine
heen.