Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 78 pages
Summary

Samenvatting Algemene Psychologie (fase 1, semester 1)

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 78 pages

Samenvatting van het vak Algemene Psychologie. Fase 1 semester 1, Toegepaste Psychologie Thomas More. Ikzelf was hier ruim door geslaagd!

Content preview

Algemene psychologie

Basisles 1. Situering en overzicht

Psychologie = de leer van de menselijke geest
 de wetenschap van gedrag en geestelijke processen
 breed veld, veel specialismen
 etymologisch
o psyche: ziel
o logos: leer, verklaring

Cognitieve psychologie = de wetenschappelijke studie van mentale processen zoals waarneming,
geheugen, aandacht, leren, denken en taal
 input, verwerking, output

Menselijk gedrag
 biologische psychologie: studie van gedrag van mensen uitgaande van principes uit de
biologie
 persoonlijkheidspsychologie: bestudeert de mens als individu, de verschillen met anderen
 cognitieve psychologie: studie van de afzonderlijke psychische functies en processen
 ontwikkelingspsychologie: studie van het gedrag in de verschillende levensfase van de mens
 sociale psychologie: studie van het gedrag van mensen in relatie tot anderen en hun
omgeving
 methodenleer: studie van de onderzoeksmethoden van het empirisch onderzoek




1

,Basisles 2+3. Onderzoeksmethoden

De wetenschappelijke methode: empirische cyclus
 theorie
 hypothese
 dataverzameling
o observatie, interview, gevalstudie, vragenlijstonderzoek, correlationeel onderzoek,
experimenteel onderzoek
 analyseren van de data
o beschrijvend, inductief

Voorbeeld 1: empirische cyclus
1. Hypothese: brunettes zijn intelligenter dan blondines
2. Dataverzameling: neem IQ-test af van de groep brunettes en van de groep blondines
3.1 Beschrijvende analyse: brunettes = 102 en blondines = 99
3.2 Inductieve analyse: Is 102 significant groter dan 99? Nee
4. Theorie: blondines zijn even intelligent als brunettes

Voorbeeld 2: wetenschappelijke theorie
1. Hypothese: kinderen die suikerdrankjes drinken zullen actiever zijn dan kinderen die water drinken
2. Dataverzameling: geef kinderen verschillende drankjes en meet hun niveau van activiteit
3.1 Beschrijvende analyse: suikergroep = 3,7 en niet suikergroep = 3,5
3.2 Inductieve analyse: Is 3,7 significant groter dan 3,5? Nee
4. Theorie: suiker maakt kinderen niet hyperactief

De wetenschappelijke methode: wetenschappelijke theorie
 theorie = een toetsbare verklaring voor een verzameling feiten of waarnemingen
 theorie is geen vaststaand feit
 het toetsen gebeurt in vier methodische stappen
o een hypothese ontwikkelen
o objectieve data verzamelen
o resultaten analyseren
o resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
 eigenschap: een theorie kan feiten verklaren en kan worden getest

De empirische cyclus

1. Hypothese
 = een weerlegbare of falsifieerbare voorspelling van de uitkomst van een wetenschappelijk
onderzoek, een bewering over de relatie tussen variabelen
 twee hypothesen
o H0 of de nulhypothese: er is geen verband tussen de variabelen
- brunettes en blondines zijn even intelligent
o H1: er is wel een verband
- brunettes zijn intelligenter dan blondines
 H0 wordt verworpen als het verschil in scores op de variabele (IQ/hyperactiviteit) tussen
verschillende condities groot genoeg is (als het “significant” is)
 operationele definities: Welke kinderen? Suiker? Hyperactiviteit meten?

2

,2. Dataverzameling
 psychologie = wetenschap = gebaseerd op feiten = uitspraken over de werkelijkheid = meten
 psychologische wetenschap: de juiste meetmethode op de correcte manier hanteren
- vb: lengte (100 is het dubbel van 50) vs IQ (100 dubbel zo verstandig als 50?)

A. Observatie
 observeerders
o professionele onbekenden (objectief, soms artificieel)
o bekenden (subjectief): natuurlijke omgeving, multiple sociale personae
 voordelen
o je kan onbekend gebied observeren (dingen die niet gaan met een vragenlijst)
o er is geen taal voor nodig
 nadelen
o geen controle over omgeving (verandering weer)
o niet alles is waarneembaar (attitudes, emoties)
o observatie beïnvloedt wat je wil observeren (Masters & Johnson)
o geen oorzaak-gevolg kunnen vaststellen
o interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (iedere persoon observeert anders)
o correctheid van de menselijke observatie niet altijd feilloos (bv. ooggetuigen)
 mensen zien soms dingen die er niet waren of ze hebben niet alles gezien

Experiment Loftus en Palmer (1974): filmpje over auto’s die crashten, verslag schrijven, reeks van
vragen invullen, groep in 5 ingedeeld, 1 enkele vraag verschilde: “About how fast were the cars going
when they … each other?”, de werkwoorden die verschilden waren: smashed; collided; bumped; hit;
contacted, snelheid was hoger ingevuld wanneer het werkwoord ‘hard’ was, wanneer het
werkwoord ‘zachter’ was, was de snelheid ook lager  observaties zijn niet altijd goed!

Vervolgexperiment Loftus en Palmer: hetzelfde filmpje, weer een reeks vragen, groep in 3 verdeeld, 1
enkele vraag was verschillend, groep 1 kreeg de vraag “About how fast were the cars going when
they smashed each other?”, groep 2 met “hit” en groep 3 geen vraag over snelheid, na een week
moesten ze terugkomen en de vraag “Did you see any broken glass?” beantwoorden, het antwoord
was nee, groep 1: 16/50 antwoordde ja, groep 2: 7/50 ja en in groep 3 niemand  mensen menen
zich dus soms te herinneren dingen gezien te hebben die er niet waren

Neuro-imagingtechnieken
 ondersteuning van observatie door apparatuur: meer systematische registratie van de feiten
 vb: hersenactiviteit meten door
o elektrische impulsen van zenuwcellen te meten (EEG)
o energieverbruik zichtbaar te maken (PET)

Structurele neuro-imagingtechnieken
 CT-scan of CAT-scan
o tomografische onderzoeksmethode van het menselijk lichaam
o niet enkel de hersenen maar het hele menselijk lichaam
o een van de eerste vormen hiervan maakte gebruik van röntgenstraling
o tweedimensionale afbeelding die een doorsnede maakt van iets driedimensionaal
 MRI-scan
o Magnetic Resonance Imaging
o beeldvorming met magnetische resonantie
o niet enkel hersenen maar het hele lichaam
o op zoek naar een beroerte, klonter, scheur in een bot

3

, Functionele neuro-imagingtechnieken
 FMRI-scan
o functionele MRI
o de activiteit van de hersenen wordt door middel van een computer zichtbaar
gemaakt in een driedimensionaal beeld
 SPECT-scan
o Single Photon Emission Computed Tomography
o radioactief isotoop wordt ingespoten
o bloedtoevoer in hersenen wordt in beeld gebracht

EEG neuro-imagingtechniek
 kan wel timen en andere neuro-imaging niet
 elektro-encefalogram
 event-related potentials (ERP’s)
 een methode om elektrische potentiaalverschillen die in de hersenen zijn ontstaan, via de
hoofdhuid te registreren
 vb: slaaponderzoek

B. Interview
 voordelen
o flexibel (doorvragen, verduidelijking)
o geschikt voor exploratief onderzoek (voor een nieuw thema)
 nadelen
o invloed van de ondervrager/situatie (andere informatie)
o geringe betrouwbaarheid
 drie vormen
o gestructureerd: alle vragen liggen al vast
o semigestructureerd: de vragen bouwen voort op de antwoorden
o vrij (ongestructureerd)

Belang interviewer: gestructureerd interview maar plots interessante topic: doorvragen of negeren?

C. Gevalstudie of case study
 = diepgaand onderzoek naar individuen met zeldzame stoornissen of ongewone talenten
 subjectief, niet eenvoudig te generaliseren (veralgemenen)
 vb: Ted Bundy, Albert Einstein

D. Vragenlijstonderzoek of survey
 indirecte observatie (respondent observeert zichzelf)
 voordelen
o eenvoudig, groot bereik
o niet-observeerbaar gedrag kunnen bevragen (attitudes, emoties)
o gemakkelijke statistische verwerking
 nadelen
o steekproeffouten (studenten TP vs veralgemenen naar de hele bevolking)
o Wil en kan de ondervraagde zichzelf beoordelen? Eerlijk en objectief?
o taal als mogelijk vertekenende factor (taalverschillen België/Nederland)
o invloed van de manier van vraagstelling

Experiment: Er breekt een ziekte uit die waarschijnlijk 600 mensen zal doden. Er zijn 2
geneesmiddelen. Welk geneesmiddel zou u verkiezen?

4

Connected book
 image
Publisher: juli 2015 ISBN: 9789043034166 Edition: 1

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
September 16, 2021
Number of pages
78
Written in
2020/2021
Type
Summary
$13.77

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
10
Followers
10
Items
24
Last sold
3 year ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions