Sociale Psychologie – Volledige Samenvatting: Je
Sociale Ik
1. Inleiding tot de Sociale Psychologie
Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van hoe de gedachten,
gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de werkelijke,
denkbeeldige of impliciete aanwezigheid van anderen (Allport, 1954). Het
bestudeert de interactie tussen het individu en de sociale context.
Kernvragen:
Hoe beïnvloeden anderen ons denken, voelen en doen?
Hoe interpreteren we sociale informatie?
Hoe vormen we indrukken van anderen en van onszelf?
Wanneer en waarom helpen, kwetsen, conformeren of gehoorzamen we?
Twee fundamentele axioma's:
1. Sociale invloed is alomtegenwoordig – zelfs wanneer we alleen zijn,
beïnvloeden (verwachte) anderen ons gedrag.
2. Mensen construeren hun eigen sociale werkelijkheid – we interpreteren
informatie actief en subjectief.
2. Je Sociale Ik: Het Zelfconcept
2.1 Wat is het zelf?
Het zelf is het geheel van overtuigingen en gevoelens die we over onszelf hebben.
Het omvat:
Zelfconcept – de inhoud van wat we over onszelf weten (cognitief)
Zelfwaarde/zelfwaardering – hoe we over onszelf oordelen (evaluatief)
Zelfregulatie – hoe we ons gedrag sturen
,2.2 Zelfschema's
Zelfschema's (Markus, 1977) zijn mentale structuren die informatie over onszelf
organiseren en filteren. Ze beïnvloeden:
Wat we onthouden (zelfreferentie-effect)
Hoe snel we informatie verwerken
Hoe we ons gedragen in sociale situaties
Voorbeeld: Iemand met een sterk "sportief" zelfschema zal sportgerelateerde
woorden sneller herkennen en zichzelf sneller als sporter beschrijven.
Zelfreferentie-effect: Informatie die relevant is voor het zelf wordt beter
onthouden dan niet-zelfrelevante informatie.
2.3 Zelfdiscrepantietheorie (Higgins, 1987)
We hebben drie zelfrepresentaties:
1. Werkelijk zelf – wie we denken te zijn
2. Ideaal zelf – wie we zouden willen zijn (hoop/verlangens)
3. Behoren zelf (ought self) – wie we denken te moeten zijn
(plicht/verantwoordelijkheid)
Discrepanties:
Werkelijk vs. ideaal zelf → teleurstelling, verdriet, depressieve gevoelens
Werkelijk vs. behoren zelf → angst, schaamte, schuldgevoel
2.4 Zelfwaarde en Zelfwaardering
Zelfwaardering is de algehele evaluatie van je eigen waarde als persoon.
Factoren die zelfwaardering beïnvloeden:
Sociale vergelijking (Festinger, 1954) – we vergelijken onszelf met anderen om
onze capaciteiten en meningen te evalueren. We vergelijken vooral met
gelijkwaardigen (opwaartse en neerwaartse vergelijking).
Reflected appraisal – we zien onszelf zoals we denken dat anderen ons zien
(Cooley's "looking-glass self").
, Succes en falen – successen verhogen zelfwaardering, falen verlaagt deze
(afhankelijk van hoe belangrijk het domein voor ons is).
Sociale acceptatie – het gevoel erbij te horen verhoogt zelfwaardering.
Zelfwaardering beschermen:
Self-serving bias – successen aan onszelf toeschrijven, falen aan externe
factoren
Basking in reflected glory – ons associëren met succesvolle anderen
Sociale vergelijking naar beneden – vergelijken met minder presterende
anderen om ons beter te voelen
2.5 Zelfpresentatie en Zelfregulatie
Zelfpresentatie (impression management) is het proces waarbij we proberen de
indrukken die anderen van ons hebben te beïnvloeden.
Strategieën:
Ingratiation – aardig gevonden worden
Self-promotion – competent overkomen
Exemplification – integer en moreel overkomen
Intimidation – machtig en intimiderend overkomen
Supplication – hulpeloos en afhankelijk overkomen
Zelfregulatie is het vermogen om impulsen, gedachten en emoties te beheersen
om doelen te bereiken. Dit kost cognitieve energie (ego-depletie).
2.6 Cultuur en het Zelf
Individualistische culturen (Westers):
Onafhankelijk zelfbeeld – het zelf staat centraal, uniek en autonoom
Persoonlijke doelen boven groepsdoelen
Zelfexpressie en persoonlijke prestaties belangrijk
Collectivistische culturen (Aziatisch, Afrikaans, Latijns-Amerikaans):
Interdependent zelfbeeld – het zelf is verbonden met anderen, relationeel
Groepsdoelen boven persoonlijke doelen
Sociale Ik
1. Inleiding tot de Sociale Psychologie
Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van hoe de gedachten,
gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de werkelijke,
denkbeeldige of impliciete aanwezigheid van anderen (Allport, 1954). Het
bestudeert de interactie tussen het individu en de sociale context.
Kernvragen:
Hoe beïnvloeden anderen ons denken, voelen en doen?
Hoe interpreteren we sociale informatie?
Hoe vormen we indrukken van anderen en van onszelf?
Wanneer en waarom helpen, kwetsen, conformeren of gehoorzamen we?
Twee fundamentele axioma's:
1. Sociale invloed is alomtegenwoordig – zelfs wanneer we alleen zijn,
beïnvloeden (verwachte) anderen ons gedrag.
2. Mensen construeren hun eigen sociale werkelijkheid – we interpreteren
informatie actief en subjectief.
2. Je Sociale Ik: Het Zelfconcept
2.1 Wat is het zelf?
Het zelf is het geheel van overtuigingen en gevoelens die we over onszelf hebben.
Het omvat:
Zelfconcept – de inhoud van wat we over onszelf weten (cognitief)
Zelfwaarde/zelfwaardering – hoe we over onszelf oordelen (evaluatief)
Zelfregulatie – hoe we ons gedrag sturen
,2.2 Zelfschema's
Zelfschema's (Markus, 1977) zijn mentale structuren die informatie over onszelf
organiseren en filteren. Ze beïnvloeden:
Wat we onthouden (zelfreferentie-effect)
Hoe snel we informatie verwerken
Hoe we ons gedragen in sociale situaties
Voorbeeld: Iemand met een sterk "sportief" zelfschema zal sportgerelateerde
woorden sneller herkennen en zichzelf sneller als sporter beschrijven.
Zelfreferentie-effect: Informatie die relevant is voor het zelf wordt beter
onthouden dan niet-zelfrelevante informatie.
2.3 Zelfdiscrepantietheorie (Higgins, 1987)
We hebben drie zelfrepresentaties:
1. Werkelijk zelf – wie we denken te zijn
2. Ideaal zelf – wie we zouden willen zijn (hoop/verlangens)
3. Behoren zelf (ought self) – wie we denken te moeten zijn
(plicht/verantwoordelijkheid)
Discrepanties:
Werkelijk vs. ideaal zelf → teleurstelling, verdriet, depressieve gevoelens
Werkelijk vs. behoren zelf → angst, schaamte, schuldgevoel
2.4 Zelfwaarde en Zelfwaardering
Zelfwaardering is de algehele evaluatie van je eigen waarde als persoon.
Factoren die zelfwaardering beïnvloeden:
Sociale vergelijking (Festinger, 1954) – we vergelijken onszelf met anderen om
onze capaciteiten en meningen te evalueren. We vergelijken vooral met
gelijkwaardigen (opwaartse en neerwaartse vergelijking).
Reflected appraisal – we zien onszelf zoals we denken dat anderen ons zien
(Cooley's "looking-glass self").
, Succes en falen – successen verhogen zelfwaardering, falen verlaagt deze
(afhankelijk van hoe belangrijk het domein voor ons is).
Sociale acceptatie – het gevoel erbij te horen verhoogt zelfwaardering.
Zelfwaardering beschermen:
Self-serving bias – successen aan onszelf toeschrijven, falen aan externe
factoren
Basking in reflected glory – ons associëren met succesvolle anderen
Sociale vergelijking naar beneden – vergelijken met minder presterende
anderen om ons beter te voelen
2.5 Zelfpresentatie en Zelfregulatie
Zelfpresentatie (impression management) is het proces waarbij we proberen de
indrukken die anderen van ons hebben te beïnvloeden.
Strategieën:
Ingratiation – aardig gevonden worden
Self-promotion – competent overkomen
Exemplification – integer en moreel overkomen
Intimidation – machtig en intimiderend overkomen
Supplication – hulpeloos en afhankelijk overkomen
Zelfregulatie is het vermogen om impulsen, gedachten en emoties te beheersen
om doelen te bereiken. Dit kost cognitieve energie (ego-depletie).
2.6 Cultuur en het Zelf
Individualistische culturen (Westers):
Onafhankelijk zelfbeeld – het zelf staat centraal, uniek en autonoom
Persoonlijke doelen boven groepsdoelen
Zelfexpressie en persoonlijke prestaties belangrijk
Collectivistische culturen (Aziatisch, Afrikaans, Latijns-Amerikaans):
Interdependent zelfbeeld – het zelf is verbonden met anderen, relationeel
Groepsdoelen boven persoonlijke doelen