Samenvatting Taal & Meertaligheid
1. Module 1: wat is taal? & het beschouwen van
zinnen
Wat zijn de 4 functies van taal?
Expressieve functie: taal gebruiken om zichzelf op een creatieve manier
te uiten
Communicatieve functie: taal wordt gebruikt om boodschappen aan
elkaar over te brengen, om met elkaar in interactie te gaan.
Sociale functie: taal kan kenmerkend zijn voor een persoon en de sociale
groepen waartoe die behoort
Conceptualiserende functie: we gebruiken taal om te communiceren
met elkaar. We gebruiken taal om voor onszelf vat te krijgen op de
werkelijkheid. De conceptualiserende functie van taal zorgt ervoor dat taal
en denken zo nauw met elkaar verweven zijn. Door zaken te benoemen,
dingen te ordenen,.. krijg je meer grip op de wereld.
Wat zijn de eigenschappen van taal?
Taal produceert betekenis
Taal is arbitrair (meestal)
Het aantal klanken van taal is gelimiteerd
(Menselijke) taal kan ideeën/personen/voorwerpen buiten de huidige tijd
en ruimte benoemen of ernaar verwijzen
Taal is generatief
Wanneer kun je spreken van “taalcompetent te zijn”?
Je bent taalvaardig, zowel in mondelinge als schriftelijke vaardigheden
Je bezit taalkennis over aspecten van taal
Je bezit een attitude waarbij je voortdurend schaaft aan je houding,
emotie en motivatie over taal
= het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om
geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te
gebruiken etc.
Spreekstrategieën
Strategieën bij het Je oriënteert je om je taak door je gedachten in de juiste
, oriënteren richting te sturen, je denkt na over je spreekdoel,
doelpubliek, type boodschap (verslag, beschrijving,…)
Strategieën bij het plannen Je maakt op voorhand-mentaal of op papier-
aantekeningen
Strategieën bij het De boodschap onder woorden brengen
presenteren
Strategieën bij het Hij reflecteert over de strategieën die hij gebruikt heeft
reflecteren
Hulpmiddel om lessen
taalbeschouwing voor te bereiden:
Taalsysteem: een les over ‘jij’ en ‘u’
Taalgedrag: ‘jij’ en ‘u’ hebben op zich
weinig context, tenzij je ze gebruikt in een
bepaalde context iemand belangrijk
gebruik je ‘u’
Taalconcept: waarom heeft hiermee te
maken
Zonder die culturele bagage (taalconcept) is de kans groot dat we ongepast
communiceren (taalgedrag) door het verkeerd persoonlijk voornaamwoord te
gebruiken (taalsysteem)
Reizen doe je niet zonder hulpmiddelen: taalbewustzijn en taalsturing
Wat zijn de bouwstenen van taal?
Taalbeschouwing= verschillen en gelijkenissen tussen talen en taalvariëteiten
Een 'taal' is opgebouwd uit 'bouwstenen' aan de ene kant (taalsysteem). Aan de
andere kant gaan we die taal ook 'gebruiken'. Afhankelijk van de context passen
we ons taalgebruik en gedrag aan. Zowel over taalsysteem, taalgebruik als
taalgedrag kunnen we nadenken. We kunnen daarbij talen en taalvariëteiten ook
met elkaar vergelijken. Dat alles noemen we 'taalbeschouwing', omdat we de taal
op al die vlakken 'beschouwen.'
Door taalsysteem, taalgebruik en taalgedrag met elkaar te verbinden, maak je
taalbeschouwing concreet, relevant, functioneel en boeiend.
,Wat zijn de doelen van taalbeschouwing?
1. Inzicht krijgen in hoe het Nederlands in elkaar zit
2. Nadenken over het eigen taalgebruik en dat van anderen (=taalsturing)
Hoe taalvaardiger we zijn, hoe beter we over taal kunnen nadenken, en
omgekeerd
3. De algemene culturele kennis vergroten
Enkele concrete voorbeelden:
Nadenken over klanken (fonologie); prosodie & klemtoonpatronen
Bv. Pollepel, bommelding, bedelen, kantelen,..
Nadenken over woorden (morfologie): afleidingen
Ontrouw, schattig, gezelligheid,…
Nadenken over woordgroepen en zinnen (syntaxis): zinnen uit recepten
Zinnen uit recepten staan in een gebiedende wijs geschreven
Nadenken over teksten: gedichten over taal
Gedichten worden vaak op een andere manier opgebouwd: geen leestekens,
hoofdletters etc.
Nadenken over spellingvormen (orthografie)
Color/colour,..
Nadenken over betekenissen (semantiek): wat loopt hier fout?
Een woord kan meerdere betekenissen hebben, waardoor je in de war kan raken.
Nadenken over woordenschat (lexicologie): nieuwe en verdwenen
woorden
Slabakken, slay,..
Nadenken over woorden en betekenissen: verkleinwoorden
Woorden/morfologie
Betekenissen/semantiek
Nadenken over taalgedrag (morfologie) : afko’s
Geru= gemeenschappelijke ruimte
, 1. Les 2: beschouwen van woorden (pg 179)
Morfologie= opbouw van woorden
Lexicologie = wat betekenen de woorden
Alle woordensoorten op een rij:
1.1. Zelfstandig naamwoord
(ZN)
Een woord dat zelfstandig kan staan, alleen in een zin
Het kan mannelijk & vrouwelijk (de) of onzijdig (het) HET-woorden dat
DE-woorden die
Soms voorafgegaan door een lidwoord: de/het
Meestal: enkelvoud, meervoud en verkleinwoord
Samenstelling en afleiding
GW + GW
voorvoegsel + GW + achtervoegsel
1.2. Bijvoeglijk naamwoord (BN)
Duiden een eigenschap van een ander zelfstandig gebruikt woord aan
Meestal verbuiging mogelijk: de grote kast
Je kan ook de trappen van vergelijking toepassen: groot, groter, grootst
1.3. Lidwoord
De, het of een
Staat ALTIJD voor een ZN
1.4. Werkwoord
o infinitief: lopen
o stam: loop (infinitief min -en)
o uitgang: Hij loopt (d,t, en)
o persoonsvorm: hij loopt (stam + uitgang)
o imperatief: loop!
o Persoon en getal:
1. Module 1: wat is taal? & het beschouwen van
zinnen
Wat zijn de 4 functies van taal?
Expressieve functie: taal gebruiken om zichzelf op een creatieve manier
te uiten
Communicatieve functie: taal wordt gebruikt om boodschappen aan
elkaar over te brengen, om met elkaar in interactie te gaan.
Sociale functie: taal kan kenmerkend zijn voor een persoon en de sociale
groepen waartoe die behoort
Conceptualiserende functie: we gebruiken taal om te communiceren
met elkaar. We gebruiken taal om voor onszelf vat te krijgen op de
werkelijkheid. De conceptualiserende functie van taal zorgt ervoor dat taal
en denken zo nauw met elkaar verweven zijn. Door zaken te benoemen,
dingen te ordenen,.. krijg je meer grip op de wereld.
Wat zijn de eigenschappen van taal?
Taal produceert betekenis
Taal is arbitrair (meestal)
Het aantal klanken van taal is gelimiteerd
(Menselijke) taal kan ideeën/personen/voorwerpen buiten de huidige tijd
en ruimte benoemen of ernaar verwijzen
Taal is generatief
Wanneer kun je spreken van “taalcompetent te zijn”?
Je bent taalvaardig, zowel in mondelinge als schriftelijke vaardigheden
Je bezit taalkennis over aspecten van taal
Je bezit een attitude waarbij je voortdurend schaaft aan je houding,
emotie en motivatie over taal
= het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om
geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te
gebruiken etc.
Spreekstrategieën
Strategieën bij het Je oriënteert je om je taak door je gedachten in de juiste
, oriënteren richting te sturen, je denkt na over je spreekdoel,
doelpubliek, type boodschap (verslag, beschrijving,…)
Strategieën bij het plannen Je maakt op voorhand-mentaal of op papier-
aantekeningen
Strategieën bij het De boodschap onder woorden brengen
presenteren
Strategieën bij het Hij reflecteert over de strategieën die hij gebruikt heeft
reflecteren
Hulpmiddel om lessen
taalbeschouwing voor te bereiden:
Taalsysteem: een les over ‘jij’ en ‘u’
Taalgedrag: ‘jij’ en ‘u’ hebben op zich
weinig context, tenzij je ze gebruikt in een
bepaalde context iemand belangrijk
gebruik je ‘u’
Taalconcept: waarom heeft hiermee te
maken
Zonder die culturele bagage (taalconcept) is de kans groot dat we ongepast
communiceren (taalgedrag) door het verkeerd persoonlijk voornaamwoord te
gebruiken (taalsysteem)
Reizen doe je niet zonder hulpmiddelen: taalbewustzijn en taalsturing
Wat zijn de bouwstenen van taal?
Taalbeschouwing= verschillen en gelijkenissen tussen talen en taalvariëteiten
Een 'taal' is opgebouwd uit 'bouwstenen' aan de ene kant (taalsysteem). Aan de
andere kant gaan we die taal ook 'gebruiken'. Afhankelijk van de context passen
we ons taalgebruik en gedrag aan. Zowel over taalsysteem, taalgebruik als
taalgedrag kunnen we nadenken. We kunnen daarbij talen en taalvariëteiten ook
met elkaar vergelijken. Dat alles noemen we 'taalbeschouwing', omdat we de taal
op al die vlakken 'beschouwen.'
Door taalsysteem, taalgebruik en taalgedrag met elkaar te verbinden, maak je
taalbeschouwing concreet, relevant, functioneel en boeiend.
,Wat zijn de doelen van taalbeschouwing?
1. Inzicht krijgen in hoe het Nederlands in elkaar zit
2. Nadenken over het eigen taalgebruik en dat van anderen (=taalsturing)
Hoe taalvaardiger we zijn, hoe beter we over taal kunnen nadenken, en
omgekeerd
3. De algemene culturele kennis vergroten
Enkele concrete voorbeelden:
Nadenken over klanken (fonologie); prosodie & klemtoonpatronen
Bv. Pollepel, bommelding, bedelen, kantelen,..
Nadenken over woorden (morfologie): afleidingen
Ontrouw, schattig, gezelligheid,…
Nadenken over woordgroepen en zinnen (syntaxis): zinnen uit recepten
Zinnen uit recepten staan in een gebiedende wijs geschreven
Nadenken over teksten: gedichten over taal
Gedichten worden vaak op een andere manier opgebouwd: geen leestekens,
hoofdletters etc.
Nadenken over spellingvormen (orthografie)
Color/colour,..
Nadenken over betekenissen (semantiek): wat loopt hier fout?
Een woord kan meerdere betekenissen hebben, waardoor je in de war kan raken.
Nadenken over woordenschat (lexicologie): nieuwe en verdwenen
woorden
Slabakken, slay,..
Nadenken over woorden en betekenissen: verkleinwoorden
Woorden/morfologie
Betekenissen/semantiek
Nadenken over taalgedrag (morfologie) : afko’s
Geru= gemeenschappelijke ruimte
, 1. Les 2: beschouwen van woorden (pg 179)
Morfologie= opbouw van woorden
Lexicologie = wat betekenen de woorden
Alle woordensoorten op een rij:
1.1. Zelfstandig naamwoord
(ZN)
Een woord dat zelfstandig kan staan, alleen in een zin
Het kan mannelijk & vrouwelijk (de) of onzijdig (het) HET-woorden dat
DE-woorden die
Soms voorafgegaan door een lidwoord: de/het
Meestal: enkelvoud, meervoud en verkleinwoord
Samenstelling en afleiding
GW + GW
voorvoegsel + GW + achtervoegsel
1.2. Bijvoeglijk naamwoord (BN)
Duiden een eigenschap van een ander zelfstandig gebruikt woord aan
Meestal verbuiging mogelijk: de grote kast
Je kan ook de trappen van vergelijking toepassen: groot, groter, grootst
1.3. Lidwoord
De, het of een
Staat ALTIJD voor een ZN
1.4. Werkwoord
o infinitief: lopen
o stam: loop (infinitief min -en)
o uitgang: Hij loopt (d,t, en)
o persoonsvorm: hij loopt (stam + uitgang)
o imperatief: loop!
o Persoon en getal: