ODG Deeltoets 2 – Toetsklaar studeren
Stof: HC5, HC6, HC7 · OdG H5, H7, H8, H9, H10 · Research Ethics H3 + H8 · artikelen van Bos
(interdisciplinariteit), Whittington, Hill, Nature Human Behaviour, Harless, Biesta en Flyvbjerg.
0. Zo word je bevraagd (lessen uit deeltoets 1)
De vragen van deeltoets 1 lieten een vast patroon zien. Leer de stof daarom zo dat je dit kunt:
1. “Geef een korte schets (2–3 zinnen)”: noem ontstaan/wie, kern en doel. Bij het
positivisme kreeg je een half punt omdat “Comte, midden 19e eeuw, geënt op de
natuurwetenschappen” ontbrak. Een schets is pas volledig met wie, wanneer, wat en waarom.
2. “Noem en beschrijf twee kenmerken”: per kenmerk 0,5 punt. Noem het begrip letterlijk
en leg het in één zin uit. Noem er voor de zekerheid drie.
3. “Gebruik minstens drie van de volgende begrippen”: gebruik ze echt allemaal in je zin
en zet ze vet of onderstreept. De nakijker zoekt die woorden.
4. “Past X bij Y? Leg uit waarom wel of niet”: kies één kant. In het antwoordmodel stond
letterlijk: “Een ‘enerzijds ja, anderzijds nee’-antwoord is per definitie niet goed.”
5. “Leg deze zin uit”: leg elk deel van de zin uit en koppel het aan de auteur en theorie (bijv.
Kuhn: paradigma, anomalie, crisis, revolutie).
6. “Zet X tegenover Y en geef twee problemen met elk een voorbeeld”: 0,5 per probleem
+ 0,5 per passend voorbeeld. Dus altijd probleem + voorbeeld.
7. “Hoe zou je vanuit deze positie onderzoek doen? (vraagstelling en methode)”: de
vraag én de methode moeten passen bij de positie. Interpretativisme = vraag naar
betekenis + kwalitatief (semigestructureerde interviews, participerende observatie). Een
vragenlijst met meerkeuzevragen past daar niet bij.
Antwoordformule: begrip → uitleg in eigen woorden → auteur/stroming → toepassing op de vraag
→ voorbeeld.
1. HC5 – De taak van de wetenschapper
Kernboodschap: de wetenschapper zoekt naar waarheid in een omgeving van relatieve
vrijheid, maar heeft ook een maatschappelijke en morele verantwoordelijkheid. Zuivere,
absoluut ware kennis bestaat niet: kennis is theoriegeladen en deels gesitueerd. Vrije discussie
is nodig, maar mag niet ten koste gaan van de ander.
Wetenschap als bedrijf
Wetenschap is een kennisgenererende praktijk: het gaat niet alleen om wát we weten,
maar ook om hoe we tot kennis komen.
Verlichting: wetenschap maakt zich los van kerkelijke dogma’s, en vrijheid van onderzoek
wordt belangrijk. Zo ontstaat het ideaal van zuivere wetenschap: onbevooroordeeld,
objectief en waar. De vraag is of dat kan.
Oude controverse: Weber vs Marx
Weber Marx
Wissenschaft als Beruf (science as vocation): “Filosofen hebben de wereld alleen geïnterpreteerd;
wetenschap omwille van de wetenschap, het gaat erom haar te veranderen”
waardenvrij
ODG Deeltoets 2 · pagina 1 van 30
, Jaren ’60: Becker vraagt “On whose side are we?” Gouldner antwoordt: aan onze eigen
kant, tegen vertekeningen (zelfstandige positie van de socioloog). Ook Bourdieu mengt zich
in deze discussie.
Belangrijk: de posities kunnen verschuiven. Je kunt onpartijdig onderzoek doen én partij
kiezen tegen vertekening of onrecht. Waardenvrijheid en betrokkenheid sluiten elkaar dus niet
volledig uit.
Fundamentele vs toegepaste wetenschap
Fundamenteel: kennis omwille van de kennis (distantie). Hammersley & Atkinson: de beste
etnografie komt voort uit “knowledge for its own sake”.
Toegepast/publiek: onderzoek dat bijdraagt aan een maatschappelijk probleem
(betrokkenheid). Green & Thorogood spreken van de “reflexively applied researcher”: die
kiest geen kant, maar vraagt wat het onderzoek kan toevoegen.
Bij beide is reflexiviteit belangrijk: kritisch nadenken over je eigen positie, keuzes en invloed.
Wat is kennis? Zes posities
Wie Kennis is…
Weber Waardenvrij
Positivisme / Wiener Kreis Afgeleid uit objectieve feiten
Popper Geproduceerd via falsificatie
Kuhn Wat op dit moment doorgaat voor geldige
wetenschappelijke methode (paradigma)
Foucault Altijd vermengd met macht (power/knowledge)
Haraway Gesitueerd: weerspiegelt lokale manieren van
kennis maken
Positivisme en de kritiek erop
Positivisme: ware kennis accumuleert; er is een absoluut onderscheid tussen waar en
onwaar; kennis is onpersoonlijk, neutraal en gebaseerd op objectief waarneembare feiten.
Voorbeeld: zwaartekracht als objectief gegeven. Het is nog steeds dominant.
Kritiek:
Er bestaan geen theorieloze feiten: elke waarneming hangt samen met een opvatting
over de wereld.
Uit een accumulatie van blote feiten (inductie) volgt geen waar beeld (Popper, tegen
het verificationisme).
Ook zwaartekracht is een theorie: Aristoteles (de aarde trekt dingen aan), Newton
(aantrekkingskracht tussen massa’s), Einstein (kromming van tijdruimte), snaartheorie
(zwaartekrachtgolven). Een theorie is dus niet waar, hooguit nog niet onwaar.
Voorbeeld: de black urban underclass
Perspectief Zo kijk je ernaar
Positivistisch / Durkheimiaans functionalisme De underclass is een sociaal feit
Kritiek (constructivistisch) Het idee is bedacht door “underclass studies”:
theoretische taal stuurt wat je waarneemt
Realisme Een opgelegde constructie die de marginaliteit
van de buurt onvermijdelijk laat lijken
Etnomethodologisch Kijkt naar de lokale kennis van de bewoners
ODG Deeltoets 2 · pagina 2 van 30
, Daarnaast speelt het debat cultuur vs structuur: komt de achterstand door de cultuur van de
groep of door maatschappelijke structuren? Take home message: heb geen al te naïeve
opvatting van “feiten”.
ODG Deeltoets 2 · pagina 3 van 30
Stof: HC5, HC6, HC7 · OdG H5, H7, H8, H9, H10 · Research Ethics H3 + H8 · artikelen van Bos
(interdisciplinariteit), Whittington, Hill, Nature Human Behaviour, Harless, Biesta en Flyvbjerg.
0. Zo word je bevraagd (lessen uit deeltoets 1)
De vragen van deeltoets 1 lieten een vast patroon zien. Leer de stof daarom zo dat je dit kunt:
1. “Geef een korte schets (2–3 zinnen)”: noem ontstaan/wie, kern en doel. Bij het
positivisme kreeg je een half punt omdat “Comte, midden 19e eeuw, geënt op de
natuurwetenschappen” ontbrak. Een schets is pas volledig met wie, wanneer, wat en waarom.
2. “Noem en beschrijf twee kenmerken”: per kenmerk 0,5 punt. Noem het begrip letterlijk
en leg het in één zin uit. Noem er voor de zekerheid drie.
3. “Gebruik minstens drie van de volgende begrippen”: gebruik ze echt allemaal in je zin
en zet ze vet of onderstreept. De nakijker zoekt die woorden.
4. “Past X bij Y? Leg uit waarom wel of niet”: kies één kant. In het antwoordmodel stond
letterlijk: “Een ‘enerzijds ja, anderzijds nee’-antwoord is per definitie niet goed.”
5. “Leg deze zin uit”: leg elk deel van de zin uit en koppel het aan de auteur en theorie (bijv.
Kuhn: paradigma, anomalie, crisis, revolutie).
6. “Zet X tegenover Y en geef twee problemen met elk een voorbeeld”: 0,5 per probleem
+ 0,5 per passend voorbeeld. Dus altijd probleem + voorbeeld.
7. “Hoe zou je vanuit deze positie onderzoek doen? (vraagstelling en methode)”: de
vraag én de methode moeten passen bij de positie. Interpretativisme = vraag naar
betekenis + kwalitatief (semigestructureerde interviews, participerende observatie). Een
vragenlijst met meerkeuzevragen past daar niet bij.
Antwoordformule: begrip → uitleg in eigen woorden → auteur/stroming → toepassing op de vraag
→ voorbeeld.
1. HC5 – De taak van de wetenschapper
Kernboodschap: de wetenschapper zoekt naar waarheid in een omgeving van relatieve
vrijheid, maar heeft ook een maatschappelijke en morele verantwoordelijkheid. Zuivere,
absoluut ware kennis bestaat niet: kennis is theoriegeladen en deels gesitueerd. Vrije discussie
is nodig, maar mag niet ten koste gaan van de ander.
Wetenschap als bedrijf
Wetenschap is een kennisgenererende praktijk: het gaat niet alleen om wát we weten,
maar ook om hoe we tot kennis komen.
Verlichting: wetenschap maakt zich los van kerkelijke dogma’s, en vrijheid van onderzoek
wordt belangrijk. Zo ontstaat het ideaal van zuivere wetenschap: onbevooroordeeld,
objectief en waar. De vraag is of dat kan.
Oude controverse: Weber vs Marx
Weber Marx
Wissenschaft als Beruf (science as vocation): “Filosofen hebben de wereld alleen geïnterpreteerd;
wetenschap omwille van de wetenschap, het gaat erom haar te veranderen”
waardenvrij
ODG Deeltoets 2 · pagina 1 van 30
, Jaren ’60: Becker vraagt “On whose side are we?” Gouldner antwoordt: aan onze eigen
kant, tegen vertekeningen (zelfstandige positie van de socioloog). Ook Bourdieu mengt zich
in deze discussie.
Belangrijk: de posities kunnen verschuiven. Je kunt onpartijdig onderzoek doen én partij
kiezen tegen vertekening of onrecht. Waardenvrijheid en betrokkenheid sluiten elkaar dus niet
volledig uit.
Fundamentele vs toegepaste wetenschap
Fundamenteel: kennis omwille van de kennis (distantie). Hammersley & Atkinson: de beste
etnografie komt voort uit “knowledge for its own sake”.
Toegepast/publiek: onderzoek dat bijdraagt aan een maatschappelijk probleem
(betrokkenheid). Green & Thorogood spreken van de “reflexively applied researcher”: die
kiest geen kant, maar vraagt wat het onderzoek kan toevoegen.
Bij beide is reflexiviteit belangrijk: kritisch nadenken over je eigen positie, keuzes en invloed.
Wat is kennis? Zes posities
Wie Kennis is…
Weber Waardenvrij
Positivisme / Wiener Kreis Afgeleid uit objectieve feiten
Popper Geproduceerd via falsificatie
Kuhn Wat op dit moment doorgaat voor geldige
wetenschappelijke methode (paradigma)
Foucault Altijd vermengd met macht (power/knowledge)
Haraway Gesitueerd: weerspiegelt lokale manieren van
kennis maken
Positivisme en de kritiek erop
Positivisme: ware kennis accumuleert; er is een absoluut onderscheid tussen waar en
onwaar; kennis is onpersoonlijk, neutraal en gebaseerd op objectief waarneembare feiten.
Voorbeeld: zwaartekracht als objectief gegeven. Het is nog steeds dominant.
Kritiek:
Er bestaan geen theorieloze feiten: elke waarneming hangt samen met een opvatting
over de wereld.
Uit een accumulatie van blote feiten (inductie) volgt geen waar beeld (Popper, tegen
het verificationisme).
Ook zwaartekracht is een theorie: Aristoteles (de aarde trekt dingen aan), Newton
(aantrekkingskracht tussen massa’s), Einstein (kromming van tijdruimte), snaartheorie
(zwaartekrachtgolven). Een theorie is dus niet waar, hooguit nog niet onwaar.
Voorbeeld: de black urban underclass
Perspectief Zo kijk je ernaar
Positivistisch / Durkheimiaans functionalisme De underclass is een sociaal feit
Kritiek (constructivistisch) Het idee is bedacht door “underclass studies”:
theoretische taal stuurt wat je waarneemt
Realisme Een opgelegde constructie die de marginaliteit
van de buurt onvermijdelijk laat lijken
Etnomethodologisch Kijkt naar de lokale kennis van de bewoners
ODG Deeltoets 2 · pagina 2 van 30
, Daarnaast speelt het debat cultuur vs structuur: komt de achterstand door de cultuur van de
groep of door maatschappelijke structuren? Take home message: heb geen al te naïeve
opvatting van “feiten”.
ODG Deeltoets 2 · pagina 3 van 30