Pedagogie
Hoofdstuk 1
Definitie volgens Hellinckx: “wat is opvoeden”
Opvoeden = complex fenomeen, kern = samenleven
Opvoeder: voldoet aan de volgende waarde:
- Gedurende tijd (dagelijks)
- Samenleven met kind
- Gevoel van verantwoordelijkheid over toekomst van het kind
Onderscheid
Functioneel: opvoeding die onbewust plaatsvindt (80%) = impliciet
Intentioneel: opvoeding die bewust gebeurt = expliciet (grote bijdrage aan zelfontplooiing)
= impliciet versus expliciet
Complementair: aanvullend, opvoeden gebeurt vaak samen, het ene vindt niet plaats zonder het ander
Circulair: wisselwerking = wederzijdse beïnvloeding
= invloed van ouders op kinderen is zwaarder!! = Interdependente Assymetrie
Deculfabiliserend: onschuldig
Vb. wanneer het fout gaat = fout ligt in onafgestemde interactie gedrag van het kind lokt van alles uit
Makkelijke of moeilijke “opvoeding” = afhankelijk van het “kind materiaal”
Multifactorieel: beïnvloeding van vele factoren
- Interventies van ouders
- Leefklimaat: opvoedingscontext
1.2. het kind
Temperament = bestaat uit:
- Genetische factoren
- Neurobiologische invloeden
- Pre-, peri- en postnatale invloeden
3 categorieën: moeilijk, - makkelijk temperament en langzame starters (combinatie van 2)
Actie – reactie: afhankelijk van de reactie van het kind, zal dat van de ouder mee veranderen
Vb. je ziet baby – je gaat dichter bij – baby begint te lachen doet je meer gedrag stellen
Baby met down – reageert trager gedrag wordt minder gesteld door volwassenen – belemmerd de
ontwikkeling bij de baby (kind beïnvloed zijn omgeving)
afstemming van vraag en aanbod: vaak botsing tussen verwachting van ouders en kunnen van kinderen
Ouders moeten loskomen van de verwachtingen en aan de slag met wat je van “kind materiaal” hebt = grootste
uitdaging voor ouders
Toelichting bij illustratie:
Kijken naar ”waarom” iets gebeurd ipv ineens oplossingen aan te bieden = gezondere oplossing zoeken
Niet alleen kijken naar wat de ouder doet maar ook wat het kind doet en hoe het samenleven werkt
,2
Huilbaby: > 3u per dag wenen
= nog meer structuur nodig dan een gemiddelde baby
Er is een mismatch tussen kindkenmerken en ouderkenmerken
1.2.2. De opvoeder of ouder
• Temperament/persoonskenmerken (cognitief, affectief, sociaal, …)
• Leeftijd
• Gezondheid (fysiek en mentaal)
Via gedrag van de ouder tot verandering komen
= eerst begrijpen waarom ouders doen wat ze doen (= wordt bepaald door wie ze zijn en wat ze al dan niet hebben
meegekregen) = opvoedingsgeschiedenis + persoonlijkheid
Wie je bent als persoon; bepaald hoe je met situaties omgaat
Mensen die op later leeftijd ouder worden = mensen zijn vaak rustiger
Tienerouders = kan op mismatch tussen vraag en aanbod is vele groter
Als tiener = autonomie ontwikkelen: je wordt egocentrisch
Rol van gezondheid: momenten waar jezelf niet goed voelt => tijd van emotionele onbeschikbaarheid = je bent minder
bekwaam om de noden van je kind te zien
Vb. momenten van depressie: zwart of wit sneller kwaad op kinderen
De Opvoedingsgeschiedenis
Indirecte invloed = jouw opvoeding heeft invloed op je persoonlijkheid
Directe invloed = invloed vanuit het onbewuste, invloed van de geschiedenis
= persoonlijkheid en geschiedenis vormen je opvoedingsbasis (= langer voor herstel)
- Intergenerationele overdracht = problematiek wordt overgedragen van generatie op generatie
- Pedagogisch besef (Baartman) = hoe ouders betekenis geven aan het gedrag van hun kind en hoe ze hun
eigen handelen ernaar richten en vormgeven
= niet alleen het belang onderkennen, ook ertoe dienen
Stap 1. Herkenning geven van verantwoording
Manier van aanpak zit verankerd in ph => éénmalig advies werkt dus zelden
- Belangenconflicten = belang vh kind vs belang vd ouder
• Ouders die zelf vroeger weinig affectie of warmte hebben gekregen zullen het moeilijker vinden om het
belang van het kind voorop te schuiven (komt vanuit opvoedingsgeschiedenis uit gebrek aan liefde)
Toelichting bij illustratie:
Taalontwikkeling zorgt voor rust aangeven van wat je wilt (te vroeggeboorte)
Geen taal: driftbuien, bijten, slaan (+ temperament (uit filmpje))
Geschiedenis van de mama = wilt een goede mama zijn en alles begrijpen (latere fase)
= kind verliest zich in de behoeften (= moeder wilt in gesprek gaan coreguleert)
= ruimte maken voor herkenning (cfr. Baartman)
1.2.3. opvoedingscontext
1.2.3.1 Subsysteem en gezinskenmerken
Subsystemen:
• Partnerrelatie
,3
= relatie tussen ouders heeft een indirecte invloed (= invloed op het welbevinden van de ouders) meer
beschikbaarheid
= indirecte invloed – aantasting welbevinden ouder bemoeilijkt de opvoeding
Wat is goed? = goed evenwicht tussen emotionele beschikbaarheid en voldoende autonomie
Te veel spanning? = invloed op welbevinden & zorgt voor isolatie (één ouder blijft over – brengt onzekerheid)
Gevaar voor parentificatie = richting tot kind als mede volwassenen?
Geen verbinding van buitenaf nefast op opvoeding
= wilt niet zeggen dat alleen staande ouders slecht zijn
Belang van inidicatiediagnostiek
• Siblings: aantal kinderen, plaats in de kinderrij
Invloed van andere kinderen in het gezin
Verschil tussen het aantal kinderen een gezin (= alsook geslachts- en leeftijdsverdeling)
Je plek in de kinderrij invloed op manier van omgang van ouders
Vb. eerstgeborenen = meest belast met verwachtingen
Gezinskenmerken:
De gezinsorganisatie
= ongeschreven regels hoe interactie tussen wie en hoe en de structuur
Afgrenzingsprocessen: regels die in het gezin gelden mbt wie wel of niet aan een bepaalde interactie mag deelnemen
(= individuele gezinsleden)
• Ruimtelijk territorium
= een eigen plek hebben; er is ruimte en respect voor je eigen plek
groei brengt verandering (vb. boekentassen, kamer binnen komen)
Vb. stoel aan tafel, een specifieke beker
• Psychisch territorium
= recht op eigen gedachten en gevoelens
Vb. kat sterft 3/4 is verdrietig en jij voelt niks mag dat?
Vb. politieke overtuigingen verschillen met je gezin is er ruimte?
• Handelingsterrein
= kan je los van je gezin handelen (= activiteitsniveau)
Vb. iedereen eet vlees, jij bent vegetarisch kan dat?
Vb. met sport…
Mate van verdeling van ruimte: twee gezinstypes
, 4
KLUWEN = verbinding > autonomie
= grenzen zijn vaag
= emotionele fusie
= cogntieve vaardigheden bij kinderen kunnen zwakker worden, gebrek aan zelfontplooiing
Ouderen mengen zich in aangelegenheden & kinderen bemoeien zich met ouderlijke onderwerpen
LOS ZAND = autonomie < verbinding
= grenzen zijn te star
= onvoldoende structuur voor ontwikkeling
maar is nog voldoende evenwicht
Extreem: vb. kluwen = autonomie krijgt geen oog
Ouders brengen eigen tendens binnen
= bij één-op-één interactie komen verschillen naar boven (cfr. Nefast Partnerrelaties)
= ontstaan van coalities
Best evolutie van kluwen naar los zand: als kind heb je meer nood aan verbondenheid dan jongvolwassenen
soms problematiek bij overgangsfase
Elk gezin kan hierop geplaatst worden
Waar je ook staat op het schema (buiten het uiterst): elk plek op het continuüm kan tot een gezond gezinsfunctioneren
horen, als het afgestemd is op ouder en kind
Belang van gezinshierarchie
= lijn tussen oudersubsystemen en kinderen wat betreft beslissingen maken
• Alliantie
= bijdragen aan draagkracht, bufferend = verbinding tussen meerder gezinsleden is bindend
= vb. persoon begrijpt je sneller of kan je beter troosten = twee handen op buik)
= niet statisch (= groei brengt verandering) vb. eerst mama’s kindje later papa’s kindje
• Coalitie
= destructieve verbinding tussen meerdere gezinsleden, therapie nodig boven opvoedingsondersteuning
= bepaalde gezinsleden keren tegen (= pathologisch gezinsfunctioneren)
= afgrenzing tussen subdelen van het gezin
» Triangulatie =kind voelt zich verantwoordelijk voor het in stand houden van de relatie van de
ouders?
» Stabiele opvoeder-kind coalitie (cfr. link hoofdstuk 4)
» Detouring = coalitie van opvoeders tov het kind
» Zondebok positie = richting van alle frustraties en gevoelens op het kind
• Parentificatie
= kind moet één of meerdere ouderrollen opvullen en eigen gevoelens en verlangens opzij zetten
= kind wordt overbevraagd
Vb. ouder vertelt over liefdesrelaties
kind mag niet belast worden met zorgen (vb. financieel) van de ouders
De gezinscultuur
Het kader van opvattingen, expressieve symbolen en waarden, in temen waarvan de gezinsleden hun situatie, zichzelf
en hun onderlinge betrekkingen definiëren, hun gevoelens uitdrukken en hun meningen geven. (waarden en normen,
manier van aanpak)