Week 1:
- Het belanghebbendebegrip in de context van toegang tot
bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de overheid
Toegang tot bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de overheid via beroep bij
de bestuursrechter begint bij de vraag of er sprake is van de "drie B's": een
bestuursorgaan, een besluit en een belanghebbende. Alleen een belanghebbende
kan beroep instellen tegen een besluit bij de bestuursrechter op grond van artikel
8:1 van de Awb.
Het begrip belanghebbende is gedefinieerd in artikel 1:2 lid 1 Awb als: "Degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken". Het woord ‘’degene’’ kan
breed worden opgevat; het kan een natuurlijk persoon zijn (een burger), maar ook
een rechtspersoon (zoals een stichting, vereniging of bedrijf). Zelfs een
bestuursorgaan kan belanghebbende zijn volgens lid 2.
Om te bepalen of iemand een belanghebbende is, is de eerste vraag of die persoon
een normadressaat is. De normadressaat is degene wiens rechtspositie direct
wordt geraakt door een individueel besluit, bijvoorbeeld een persoonsgerichte
beschikking. De normadressaat is niet altijd de geadresseerde van het besluit of de
aanvrager. Als iemand normadressaat is, is die persoon belanghebbende.
Als iemand geen normadressaat is, worden de OPERA-criteria toegepast om vast
te stellen of iemands belangen voldoende worden geraakt om als belanghebbende
te worden aangemerkt. Deze criteria zijn:
● Objectief: Het belang moet objectief aanneembaar zijn (denk aan stank,
uitzicht, geluid).
● Persoonlijk: Je moet je onderscheiden van de massa; het belang moet niet
willekeurig gedeeld worden door een groot, onbepaald aantal mensen. Iraida
in het voorbeeld (Opdracht 1) onderscheidt zich omdat haar directe uitzicht
wordt ontnomen, wat haar woongenot en woningwaarde beïnvloedt.
● Eigen: Het moet je eigen belang zijn, niet dat van iemand anders.
● Rechtstreeks: Er moet een causaal verband zijn tussen het besluit en het
belang waarin je wordt geraakt.
● Actueel: Het belang moet nu spelen en er mogen geen toekomstige
onzekerheden spelen.
Voor rechtspersonen (zoals stichtingen en verenigingen) geldt artikel 1:2 lid 3
Awb. Zij kunnen belanghebbende zijn als zij algemene of collectieve belangen
behartigen die rechtstreeks bij een besluit zijn betrokken. Beoordeling vindt plaats op
basis van:
● De statutaire doelstellingen: past het belang binnen de doelen van de
organisatie?.
, ● De feitelijke werkzaamheden: zet de organisatie zich daadwerkelijk in voor
dat belang in de praktijk (niet alleen procederen)?.
Een belang wordt als algemeen belang erkend als de doelstelling voldoende
onderscheidend is (functioneel en/of geografisch begrensd), het belang niet per se
betrekking hoeft te hebben op specifieke personen, dieren of planten, en er sprake is
van daadwerkelijke inzet voor die doelstelling. Een belang wordt als collectief
belang erkend als de rechtspersoon opkomt voor de gezamenlijke belangen van
haar leden, dit uit de statuten blijkt, en minstens één of meer leden zélf
belanghebbende zouden zijn op grond van artikel 1:2 lid 1 Awb.
- Het ‘bouwwerk’ van het stelsel van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming
Het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de overheid is
opgebouwd uit verschillende fasen. Dit bouwwerk begint meestal met een primair
besluit (ook wel besluit in primo of Bip) genomen door een bestuursorgaan.
Als een burger het niet eens is met dit primaire besluit, kan hij of zij bezwaar maken
bij hetzelfde bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Dit is de hoofdregel
volgens artikel 7:1 lid 1 Awb. Het doel van de bezwaarprocedure is een
bestuurlijke heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan zelf.
Het bestuursorgaan neemt vervolgens een besluit op bezwaar (Bob). Als de burger
het ook niet eens is met dit besluit op bezwaar, kan hij of zij in beroep gaan bij de
bestuursrechter. De bestuursrechter (meestal de rechtbank in eerste aanleg)
beoordeelt alleen het besluit op bezwaar, niet het oorspronkelijke primaire besluit.
Het doel van het beroep is vernietiging van het besluit.
Tegen de uitspraak van de bestuursrechter (de rechtbank) kan in veel gevallen
hoger beroep worden ingesteld. Hoger beroep dient bij specifieke
hogerberoepsrechters te worden ingesteld, afhankelijk van het soort besluit.
In dit bouwwerk zijn er verschillende rechterlijke instanties bevoegd:
● In eerste aanleg (beroep) is meestal de rechtbank bevoegd.
● In hoger beroep zijn er meerdere instanties, zoals de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van
Beroep (CRvB), het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), en de
gerechtshoven (voor belastingzaken).
Het systeem van bestuursrechtspraak kan als complex worden ervaren door het
bestaan van vier hoogste bestuursrechters, wat kan leiden tot verschillen in
rechtspraak, hoewel er voorzieningen voor rechtseenheid bestaan. De civiele rechter
kan in sommige gevallen als ‘restrechter’ optreden wanneer de bestuursrechter niet
bevoegd is.
, - Of tegen een bepaald besluit beroep bij de bestuursrechter kan worden
ingesteld en zo ja bij welke bestuursrechter
De hoofdregel is dat beroep bij de bestuursrechter mogelijk is tegen een besluit.
Dit volgt uit artikel 8:1 Awb. De bestuursrechter mag zich alleen bemoeien met
geschillen die gaan over een besluit.
Een besluit is gedefinieerd in artikel 1:3 lid 1 Awb als: "een schriftelijke
beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke
rechtshandeling". Om vast te stellen of iets een besluit is, moet het aan vier
eisenvoldoen:
1. Schriftelijke beslissing: Het moet vastgelegd zijn (op papier of digitaal).
2. Van een bestuursorgaan: Alleen beslissingen van A-bestuursorganen
(organen van publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de Staat, gemeenten)
of B-bestuursorganen (privaatrechtelijke instellingen bekleed met openbaar
gezag, al dan niet buitenwettelijk) tellen mee.
3. Rechtshandeling: De beslissing moet een rechtsgevolg hebben; iets
veranderen in iemands rechten of plichten.
4. Publiekrechtelijk: De bevoegdheid moet gebaseerd zijn op publiekrecht (wet,
verordening), niet op privaatrecht (contract).
Er zijn echter ook uitzonderingen. Niet elk besluit is vatbaar voor beroep. Zo zijn
algemeen verbindende voorschriften (avv's) en beleidsregels in beginsel
uitgezonderd van beroep volgens artikel 8:3 lid 1 sub a Awb. Hoewel de
rechtmatigheid van een avv of beleidsregel soms wel indirect kan worden getoetst,
bijvoorbeeld via het vertrouwensbeginsel. Overige besluiten van algemene strekking
(zoals concretiserende besluiten van algemene strekking, CEBAS) zijn wél vatbaar
voor bezwaar en beroep. Andere uitzonderingen op de beroepsmogelijkheid staan in
de artikelen 8:3 t/m 8:5, 1:6 en 6:3 Awb. Aan de andere kant zijn er ook
verruimingen waarbij handelen dat géén besluit is toch aangevochten kan
worden, zoals het weigeren om een besluit te nemen, het niet tijdig nemen van een
besluit, of een weigering van goedkeuring. Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:3 Awb.
Welke bestuursrechter bevoegd is in eerste aanleg hangt af van de absolute en
relatieve competentie.
● Absolute competentie: De hoofdregel is dat beroep wordt ingesteld bij de
rechtbank (artikel 8:6 Awb), tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is
op grond van Hoofdstuk 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
of een ander wettelijk voorschrift.
● Relatieve competentie: Dit bepaalt bij welke van de elf rechtbanken het
beroep moet worden ingesteld. Volgens artikel 8:7 Awb:
, ○ Voor besluiten van provincies, gemeenten, waterschappen of
gemeenschappelijke organen is de rechtbank bevoegd waar het
bestuursorgaan zijn zetel heeft.
○ Voor besluiten van andere bestuursorganen is de rechtbank bevoegd
waar de indiener van het beroep zijn woonplaats heeft in Nederland.
○ Soms is de bevoegdheid geconcentreerd bij één rechtbank, zoals bij
vreemdelingenzaken (Rechtbank Den Haag) of economisch
bestuursrecht (Rechtbank Rotterdam).
- Of voor het instellen van beroep eerst bezwaar dient te worden gemaakt
In de meeste gevallen moet eerst bezwaar worden gemaakt bij het
bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, voordat beroep kan worden ingesteld
bij de bestuursrechter. Dit volgt uit artikel 7:1 lid 1 Awb. De bezwaarprocedure dient
als een bestuurlijke heroverweging van het oorspronkelijke besluit door het
bestuursorgaan zelf.
Er zijn echter uitzonderingen waarbij bezwaar overslaan en direct in beroep gaan
mogelijk is:
● Als het besluit al in bezwaar of administratief beroep is genomen.
● Als het besluit is onderworpen aan goedkeuring.
● Als het besluit zelf een goedkeuring of weigering daarvan is.
● Als het besluit is voorbereid met de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb).
● Als de bestuursrechter eerder heeft bepaald dat afdeling 3.4 niet hoefde te
worden toegepast.
● Als het beroep gaat over het niet tijdig nemen van een besluit.
● Als het besluit valt onder de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage I bij de
Awb).
- Of van de uitspraak van de bestuursrechter hoger beroep kan worden
ingesteld en zo ja bij welke hogerberoepsrechter
Tegen een uitspraak van de rechtbank kan in principe hoger beroep worden
ingesteld. De mogelijkheid tot hoger beroep is geregeld in artikel 8:104 Awb. Er
zijn echter uitzonderingen waarbij géén hoger beroep mogelijk is, bijvoorbeeld bij
vereenvoudigde afdoening door de rechtbank (artikel 8:54 Awb) of bij uitspraken in
spoedprocedures of voorlopige voorzieningen (artikel 8:104 lid 2 Awb). Hoger
beroep heeft als regel geen schorsende werking.
- Het belanghebbendebegrip in de context van toegang tot
bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de overheid
Toegang tot bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de overheid via beroep bij
de bestuursrechter begint bij de vraag of er sprake is van de "drie B's": een
bestuursorgaan, een besluit en een belanghebbende. Alleen een belanghebbende
kan beroep instellen tegen een besluit bij de bestuursrechter op grond van artikel
8:1 van de Awb.
Het begrip belanghebbende is gedefinieerd in artikel 1:2 lid 1 Awb als: "Degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken". Het woord ‘’degene’’ kan
breed worden opgevat; het kan een natuurlijk persoon zijn (een burger), maar ook
een rechtspersoon (zoals een stichting, vereniging of bedrijf). Zelfs een
bestuursorgaan kan belanghebbende zijn volgens lid 2.
Om te bepalen of iemand een belanghebbende is, is de eerste vraag of die persoon
een normadressaat is. De normadressaat is degene wiens rechtspositie direct
wordt geraakt door een individueel besluit, bijvoorbeeld een persoonsgerichte
beschikking. De normadressaat is niet altijd de geadresseerde van het besluit of de
aanvrager. Als iemand normadressaat is, is die persoon belanghebbende.
Als iemand geen normadressaat is, worden de OPERA-criteria toegepast om vast
te stellen of iemands belangen voldoende worden geraakt om als belanghebbende
te worden aangemerkt. Deze criteria zijn:
● Objectief: Het belang moet objectief aanneembaar zijn (denk aan stank,
uitzicht, geluid).
● Persoonlijk: Je moet je onderscheiden van de massa; het belang moet niet
willekeurig gedeeld worden door een groot, onbepaald aantal mensen. Iraida
in het voorbeeld (Opdracht 1) onderscheidt zich omdat haar directe uitzicht
wordt ontnomen, wat haar woongenot en woningwaarde beïnvloedt.
● Eigen: Het moet je eigen belang zijn, niet dat van iemand anders.
● Rechtstreeks: Er moet een causaal verband zijn tussen het besluit en het
belang waarin je wordt geraakt.
● Actueel: Het belang moet nu spelen en er mogen geen toekomstige
onzekerheden spelen.
Voor rechtspersonen (zoals stichtingen en verenigingen) geldt artikel 1:2 lid 3
Awb. Zij kunnen belanghebbende zijn als zij algemene of collectieve belangen
behartigen die rechtstreeks bij een besluit zijn betrokken. Beoordeling vindt plaats op
basis van:
● De statutaire doelstellingen: past het belang binnen de doelen van de
organisatie?.
, ● De feitelijke werkzaamheden: zet de organisatie zich daadwerkelijk in voor
dat belang in de praktijk (niet alleen procederen)?.
Een belang wordt als algemeen belang erkend als de doelstelling voldoende
onderscheidend is (functioneel en/of geografisch begrensd), het belang niet per se
betrekking hoeft te hebben op specifieke personen, dieren of planten, en er sprake is
van daadwerkelijke inzet voor die doelstelling. Een belang wordt als collectief
belang erkend als de rechtspersoon opkomt voor de gezamenlijke belangen van
haar leden, dit uit de statuten blijkt, en minstens één of meer leden zélf
belanghebbende zouden zijn op grond van artikel 1:2 lid 1 Awb.
- Het ‘bouwwerk’ van het stelsel van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming
Het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de overheid is
opgebouwd uit verschillende fasen. Dit bouwwerk begint meestal met een primair
besluit (ook wel besluit in primo of Bip) genomen door een bestuursorgaan.
Als een burger het niet eens is met dit primaire besluit, kan hij of zij bezwaar maken
bij hetzelfde bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Dit is de hoofdregel
volgens artikel 7:1 lid 1 Awb. Het doel van de bezwaarprocedure is een
bestuurlijke heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan zelf.
Het bestuursorgaan neemt vervolgens een besluit op bezwaar (Bob). Als de burger
het ook niet eens is met dit besluit op bezwaar, kan hij of zij in beroep gaan bij de
bestuursrechter. De bestuursrechter (meestal de rechtbank in eerste aanleg)
beoordeelt alleen het besluit op bezwaar, niet het oorspronkelijke primaire besluit.
Het doel van het beroep is vernietiging van het besluit.
Tegen de uitspraak van de bestuursrechter (de rechtbank) kan in veel gevallen
hoger beroep worden ingesteld. Hoger beroep dient bij specifieke
hogerberoepsrechters te worden ingesteld, afhankelijk van het soort besluit.
In dit bouwwerk zijn er verschillende rechterlijke instanties bevoegd:
● In eerste aanleg (beroep) is meestal de rechtbank bevoegd.
● In hoger beroep zijn er meerdere instanties, zoals de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van
Beroep (CRvB), het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), en de
gerechtshoven (voor belastingzaken).
Het systeem van bestuursrechtspraak kan als complex worden ervaren door het
bestaan van vier hoogste bestuursrechters, wat kan leiden tot verschillen in
rechtspraak, hoewel er voorzieningen voor rechtseenheid bestaan. De civiele rechter
kan in sommige gevallen als ‘restrechter’ optreden wanneer de bestuursrechter niet
bevoegd is.
, - Of tegen een bepaald besluit beroep bij de bestuursrechter kan worden
ingesteld en zo ja bij welke bestuursrechter
De hoofdregel is dat beroep bij de bestuursrechter mogelijk is tegen een besluit.
Dit volgt uit artikel 8:1 Awb. De bestuursrechter mag zich alleen bemoeien met
geschillen die gaan over een besluit.
Een besluit is gedefinieerd in artikel 1:3 lid 1 Awb als: "een schriftelijke
beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke
rechtshandeling". Om vast te stellen of iets een besluit is, moet het aan vier
eisenvoldoen:
1. Schriftelijke beslissing: Het moet vastgelegd zijn (op papier of digitaal).
2. Van een bestuursorgaan: Alleen beslissingen van A-bestuursorganen
(organen van publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de Staat, gemeenten)
of B-bestuursorganen (privaatrechtelijke instellingen bekleed met openbaar
gezag, al dan niet buitenwettelijk) tellen mee.
3. Rechtshandeling: De beslissing moet een rechtsgevolg hebben; iets
veranderen in iemands rechten of plichten.
4. Publiekrechtelijk: De bevoegdheid moet gebaseerd zijn op publiekrecht (wet,
verordening), niet op privaatrecht (contract).
Er zijn echter ook uitzonderingen. Niet elk besluit is vatbaar voor beroep. Zo zijn
algemeen verbindende voorschriften (avv's) en beleidsregels in beginsel
uitgezonderd van beroep volgens artikel 8:3 lid 1 sub a Awb. Hoewel de
rechtmatigheid van een avv of beleidsregel soms wel indirect kan worden getoetst,
bijvoorbeeld via het vertrouwensbeginsel. Overige besluiten van algemene strekking
(zoals concretiserende besluiten van algemene strekking, CEBAS) zijn wél vatbaar
voor bezwaar en beroep. Andere uitzonderingen op de beroepsmogelijkheid staan in
de artikelen 8:3 t/m 8:5, 1:6 en 6:3 Awb. Aan de andere kant zijn er ook
verruimingen waarbij handelen dat géén besluit is toch aangevochten kan
worden, zoals het weigeren om een besluit te nemen, het niet tijdig nemen van een
besluit, of een weigering van goedkeuring. Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:3 Awb.
Welke bestuursrechter bevoegd is in eerste aanleg hangt af van de absolute en
relatieve competentie.
● Absolute competentie: De hoofdregel is dat beroep wordt ingesteld bij de
rechtbank (artikel 8:6 Awb), tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is
op grond van Hoofdstuk 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
of een ander wettelijk voorschrift.
● Relatieve competentie: Dit bepaalt bij welke van de elf rechtbanken het
beroep moet worden ingesteld. Volgens artikel 8:7 Awb:
, ○ Voor besluiten van provincies, gemeenten, waterschappen of
gemeenschappelijke organen is de rechtbank bevoegd waar het
bestuursorgaan zijn zetel heeft.
○ Voor besluiten van andere bestuursorganen is de rechtbank bevoegd
waar de indiener van het beroep zijn woonplaats heeft in Nederland.
○ Soms is de bevoegdheid geconcentreerd bij één rechtbank, zoals bij
vreemdelingenzaken (Rechtbank Den Haag) of economisch
bestuursrecht (Rechtbank Rotterdam).
- Of voor het instellen van beroep eerst bezwaar dient te worden gemaakt
In de meeste gevallen moet eerst bezwaar worden gemaakt bij het
bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, voordat beroep kan worden ingesteld
bij de bestuursrechter. Dit volgt uit artikel 7:1 lid 1 Awb. De bezwaarprocedure dient
als een bestuurlijke heroverweging van het oorspronkelijke besluit door het
bestuursorgaan zelf.
Er zijn echter uitzonderingen waarbij bezwaar overslaan en direct in beroep gaan
mogelijk is:
● Als het besluit al in bezwaar of administratief beroep is genomen.
● Als het besluit is onderworpen aan goedkeuring.
● Als het besluit zelf een goedkeuring of weigering daarvan is.
● Als het besluit is voorbereid met de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb).
● Als de bestuursrechter eerder heeft bepaald dat afdeling 3.4 niet hoefde te
worden toegepast.
● Als het beroep gaat over het niet tijdig nemen van een besluit.
● Als het besluit valt onder de Regeling rechtstreeks beroep (Bijlage I bij de
Awb).
- Of van de uitspraak van de bestuursrechter hoger beroep kan worden
ingesteld en zo ja bij welke hogerberoepsrechter
Tegen een uitspraak van de rechtbank kan in principe hoger beroep worden
ingesteld. De mogelijkheid tot hoger beroep is geregeld in artikel 8:104 Awb. Er
zijn echter uitzonderingen waarbij géén hoger beroep mogelijk is, bijvoorbeeld bij
vereenvoudigde afdoening door de rechtbank (artikel 8:54 Awb) of bij uitspraken in
spoedprocedures of voorlopige voorzieningen (artikel 8:104 lid 2 Awb). Hoger
beroep heeft als regel geen schorsende werking.