THEMA 3: ETHISCH EN DEONTOLOGISCH
HANDELEN
BASISBEGRIPPEN
MORAAL= EEN STELSEL VAN WAARDEN EN NORMEN
Moraal = afgeleid van het Latijnse ‘mos’ of meervoud ‘mores’, wat letterlijk ‘zede of
gewoonte’ betekent. Moraal is een stelsel van normen en waarden.
Morele vragen zijn vragen over goed en kwaad, over de manier waarop mensen zouden
moeten leven.
Een morele vraag zou bijvoorbeeld kunnen zijn of mensen dieren mogen eten. Is het goed
of is het kwaad om vlees te eten?
Morele opvattingen geven op hun beurt antwoorden op morele vragen.
Een vegetariër zou bijvoorbeeld de opvatting kunnen hebben dat mensen geen dieren
mogen doden
MORELE OPVATTINGEN/ MORAAL: GEBASEERD OP WAARDEN, NORMEN EN
DEUGDEN
Waarden= opvattingen v/h goede omschrijven wat mensen waardevol vinden en
waarnaar zij streven. !Let op, waarden zijn niet strikt persoonlijk gedeeld door groepen
mensen. Het zijn als het ware idealen die wezenlijk zijn voor de kwaliteit van leven. Vb.
rechtvaardigheid, vriendelijkheid, vrijheid, empathie
Normen = op waarden gebaseerde handelingsvoorschriften spelregels die duidelijk
maken hoe je je moet gedragen, wat je wel en niet mag doen
De waarde ‘vriendelijkheid’ kan bijvoorbeeld vertaald worden in de norm ‘je zegt
vriendelijke goedendag tegen iedereen’. !Let op, eenzelfde waarde kan vertaald worden
in verschillende normen, afhankelijk van de betekenis die iemand geeft aan een waarde.
bv. Aandachtig luisteren, autonomie
Deugden = min of meer vaste, goede eigenschappen van personen die ertoe leiden dat
deze moreel juist handelen ‘verinnerlijkte waarden’ die de handelwijze van mensen
bepalen. Veel deugden komen overeen met waarden, of zijn eraan te koppelen. Het
verschil is dat waarden eerder abstracte begrippen zijn terwijl deugden concreet aan een
persoon gekoppeld zijn. Ze zijn onderdeel geworden van het karakter van een persoon.
Bv. moed, zorgzaamheid, integriteit, respect, naastenliefde
VERSCHILLENDE SOORTEN MORALEN (GOED/SLECHT IS)
De hechtingsmoraal regelt hoe we omgaan met mensen waarmee we
verbonden zijn.
Als we bijvoorbeeld een vriend helpen zonder daar zelf beter van te worden, wordt
dat als goed gezien. Dat doen we vanuit de hechtingsmoraal.
De geweldmoraal regelt hoe we omgaan met bedreigende situaties. Geweld
wordt gezien als immoreel. Echter, wanneer een moord plaatsvindt om een andere
moord te wreken, komt dit vanuit de geweldsmoraal.
1
, WC3 PCP
De reinigingsmoraal stelt dat reinheid gelijk is aan het goed en besmetting
gelijk staat aan het kwade. Rein of wit wordt gelijk gesteld aan het goede, denk
maar aan een witte mars (dutroux)
De samenwerkingsmoraal speelt een rol in de manier waarop mensen samen
werken. Mensen werken samen om daar beiden beter van te worden, of om meer
te kunnen bereiken dan alleen mogelijk is.
Deze types moralen zijn allen instinctief. Ze regelen op een instinctieve, intuïtieve manier
wat goed en slecht is en bepalen ons gedrag, maar geven er geen echte argumenten
voor. Een laatste type moraal, de beginselenmoraal doe dat wel. Als mensen zoeken
naar redelijke argumenten om te onderbouwen waarom een handeling goed of fout is,
spreken we van een beginselenmoraal.
Moraal is niet statisch, het heeft cultuurgebonden aspecten en kan dus per
context verschillend zijn.
Onze westerse cultuur is bijvoorbeeld erg individualistisch, en hecht veel belang
aan waarden als autonomie en vrijheid. Andere culturen zijn eerder
collectivistisch, en hechten meer belang aan waarden zoals zorgzaamheid en
naastenliefde.
ze veranderen ook over de tijd heen.
Denk bijvoorbeeld aan dierenrechten, of aan milieu. Vroeger was het oké om
dieren op te sluiten, te doden en te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek.
Nu zijn er steeds meer mensen/culturen die dit in vraag stellen of zelfs als
immoreel beschouwen.
NORMEN
VERSCHILLENDE TYPES NORMEN
Morele normen zijn normen die te maken hebben met ideeën over het goede. Het zijn
regels over hoe we ons moeten gedragen om 'goed' te zijn.
Denk hierbij aan regels zoals 'Je bent vriendelijk', 'Je liegt niet', 'Je bent trouw aan je
partner'.
Echter, niet alle omgangsnormen zijn morele normen.
Er zijn ook fatsoennormen. Dat zijn regels die bepalen of je gedrag gepast of
‘fatsoenlijk’ is.
Bijvoorbeeld, om je fatsoenlijk te gedragen in klas moet je je vinger opsteken als je iets
wil vragen. Je legt je voeten niet op tafel als je bij iemand thuis op bezoek gaat en op het
werk draag je voldoende bedekkende kledij.
Fatsoennormen worden ook wel ‘kleine ethiek’ of dus etiquette genoemd. De grens
tussen morele normen en fatsoennormen is niet altijd zo scherp. Al zijn er wel criteria die
het onderscheid bepalen.
Ernst: morele normovertredingen zijn ernstiger
Straf: de straf voor een morele normovertreding is zwaarder
Regelcontingentie: morele normen zijn niet/minder afhankelijk van ‘toevallig
opgeschreven regels'. Of het nu een geschreven regel is of niet, het is altijd slecht
om…
2