Wiskunde B vwo 4
H1 Functies en grafieken
+ H2 De afgeleide functie
Lineaire en tweedegraadsfuncties, parameters, domein en bereik,
modulusfuncties, grafisch-numeriek oplossen, en differentiëren met de
product- en quotiëntregel en raaklijnen
✓ Alle paragrafen 1.1 t/m 1.5 en 2.1 t/m 2.4 uitgelegd met uitgewerkte voorbeelden
✓ abc-formule en discriminant, ook met een parameter
✓ Modulusvergelijkingen stap voor stap
✓ Van differentiequotiënt naar afgeleide: somregel, productregel, quotiëntregel en
raaklijnen
✓ 18 oefenopgaven met volledige uitwerkingen
1 2 3 4 5 6
Lineair Kwadratisch Parameters Modulus Snelheden Afgeleide
Gemaakt bij Getal & Ruimte 12e editie, vwo B deel 1: H1 Functies en grafieken (1.1 Lineaire functies, 1.2
Tweedegraadsfuncties en tweedegraadsvergelijkingen, 1.3 Werken met parameters, 1.4 Domein, bereik en
modulusfuncties, 1.5 Grafisch-numeriek oplossen) en H2 De afgeleide functie (2.1 Snelheden, 2.2 Raaklijnen en
hellinggrafieken, 2.3 Limiet en afgeleide, 2.4 Toepassingen van de afgeleide).
Wiskunde B vwo 4 · Getal & Ruimte 12e ed. · H1 Functies en grafieken + H2 De afgeleide functie pagina
, Inhoud
Wat staat waar?
1 Lineaire functies
2 Tweedegraadsfuncties en -vergelijkingen
3 Werken met parameters
4 Domein, bereik en modulusfuncties
5 Grafisch-numeriek oplossen
6 Snelheden, raaklijnen en hellinggrafieken
7 Limiet en afgeleide
8 Toepassingen van de afgeleide
9 Formuleblad
10 Begrippenlijst
11 Oefenopgaven
12 Uitwerkingen
ZO GEBRUIK JE DEZE SAMENVATTING
Lees per onderwerp de uitleg en het voorbeeld en reken het voorbeeld zelf na. Bij wiskunde B moet je veel
algebraïsch (zonder GR) kunnen oplossen; staat er “bereken exact” of “algebraïsch”, dan laat je alle
stappen zien. Maak daarna de oefenopgaven en check je antwoorden met de uitwerkingen.
1. Lineaire functies
Paragraaf 1.1
Een lineaire functie heeft de vorm f(x) = ax + b: a is de richtingscoëfficiënt (rc), b het snijpunt met de y-as.
LIJN DOOR TWEE PUNTEN
a = (y₂ − y₁) ÷ (x₂ − x₁), daarna een punt invullen in y = ax + b om b te vinden
Voorbeeld. De lijn door (−1, 4) en (3, −4): a = (−4 − 4) ÷ (3 − (−1)) = −8 ÷ 4 = −2. Invullen van (−1, 4): 4 = −2 · −1
+ b, dus b = 2. De lijn is y = −2x + 2.
Evenwijdige lijnen hebben dezelfde rc.
Het snijpunt van twee lijnen vind je door de formules gelijk te stellen.
Wiskunde B vwo 4 · Getal & Ruimte 12e ed. · H1 Functies en grafieken + H2 De afgeleide functie pagina