INHOUDSOPGAVE
Relatie- en Huwelijksvermogensrecht ........................................................................................... 3
Les 1 – Relatievormen, relatierecht en relatievermogensrecht ......................................................... 3
1. Relatievormen ........................................................................................................................... 3
2. Relatierecht ............................................................................................................................... 5
3. Relatievermogensrecht ........................................................................................................... 15
Les 2 en 3 – Huwelijksvermogensrecht – Wettelijk huwelijksstelsel ................................................ 18
4. Wettelijk huwelijksvermogenstelsel (algemene beginselen) .................................................... 18
5. Werking van het wettelijk stelsel .............................................................................................. 26
Les 4 - Huwelijksovereenkomst – Conventionele gemeenschap – huwelijksvoordelen ...................... 56
6. Huwelijksovereenkomst .......................................................................................................... 56
7. Conventionele gemeenschap .................................................................................................. 60
8. Huwelijksvoordelen ................................................................................................................. 70
Les 5 – Scheiding van goederen .................................................................................................. 74
9. Scheiding van goederen........................................................................................................... 74
Les 6 – Samenwoningsvermogensrecht ...................................................................................... 99
Les 7 – Ontbinding, vereffening en verdeling wettelijk stelsel ........................................................ 109
Erfrecht en giften ....................................................................................................................... 116
Erfrecht – wettelijke devolutie ................................................................................................... 116
Hoofdstuk 1 Erven ......................................................................................................................... 116
Hoofdstuk 2 Erfbekwaamheid ....................................................................................................... 117
Hoofdstuk 3 wettelijk erfgerechtigden ........................................................................................... 121
Hoofdstuk 4 de langstlevende echtgeno(o)t(e) (LLE) ...................................................................... 127
Hoofdstuk 5 de langstlevende partner (LLP) .................................................................................. 132
Hoofdstuk 6 de staat als erfopvolger ............................................................................................. 135
Oefening, welke stelling is juist? .................................................................................................... 136
Hoofdstuk 7 Hoe de nalatenschap verkregen wordt....................................................................... 137
Hoofdstuk 8 Het centraal erfregister .............................................................................................. 145
Hoofdstuk 9 Vereffening en verdeling van de nalatenschap ........................................................... 145
Oefening, welke stelling is fout? .................................................................................................... 159
Erfrecht – giften ....................................................................................................................... 160
Hoofdstuk 1 Giften zijn beschikkingen om niet .............................................................................. 160
Hoofdstuk 2 Algemene regels voor giften ....................................................................................... 162
Hoofdstuk 3 Schenkingen .............................................................................................................. 176
Hoofdstuk 4 Testamenten ............................................................................................................. 187
Hoofdstuk 5 Drie bijzondere giften ................................................................................................. 198
Oefening, welke gift is ongeldig? .................................................................................................... 201
Oefening, welke stelling is fout? .................................................................................................... 202
Erfrecht – Reserve en beschikbaar deel ...................................................................................... 203
Hoofdstuk 1 De reserve ................................................................................................................. 203
Hoofdstuk 2 Wie geniet de reservebescherming? .......................................................................... 204
Hoofdstuk 3 Voorwaarden ............................................................................................................. 205
Hoofdstuk 4 Waartegen beschermd? ............................................................................................ 207
, Hoofdstuk 5 Hoe wordt de reservataire erfgenaam beschermd? ................................................... 208
Hoofdstuk 6 Afstand van de reservebescherming .......................................................................... 219
Hoofdstuk 7 De reserve van de LLE ................................................................................................ 220
Oefeningen, welke stelling is juist? ................................................................................................ 224
Erfrecht – Erfovereenkomsten ................................................................................................... 225
Hoofdstuk 1 Inleidende beschouwingen ........................................................................................ 225
Hoofdstuk 2 Toegelaten erfovereenkomsten ................................................................................. 226
Oefeningen, welke stelling is fout? ................................................................................................ 233
2
,RELATIE- EN HUWELIJKSVERMOGENSRECHT
LES 1 – RELATIEVORMEN, RELATIERECHT EN RELATIEVERMOGENSRECHT
1. RELATIEVORMEN
SAMENWONINGSVORMEN ALS KOPPEL
Drie vormen van samenwonen die het recht (er)kent
1. Feitelijke samenwoning
2. Wettelijke samenwoning
3. Huwelijk
Is er bij een ‘koppel’ altijd ‘samenwonen’?
In beginsel is het dat het over koppels gaat, maar dat hoeft niet per se zo te zijn:
1. Bij wettelijke samenwoning -> regime zonder dat dat impliceert dat de wettelijke samenwoners
een koppel vormen.
Altijd (enkel) een ‘koppel’?
Heel het rechterlijk systeem over relaties gaat over 2, dat is een evidentie in ons recht. Dat het feitelijke
samenwoning, wettelijke samenwoning of huwelijk is, het gaat over 2 personen.
HUWELIJK
-> Historisch gezien was het huwelijk hetgeen dat altijd juridisch was geregeld.
Enige vorm in de Code Napoléon van 1804
Dominante vorm tot eind 20ste eeuw:
U gaat geen stabiele samenleving kunnen hebben als de zaken van de relaties tussen mensen niet min
of meer geregeld is. “U gaat elkaar de kop inslaan”, dat verklaart waarom het zo belangrijk is geweest, al
die eeuwen dat dat wat de natuur automatisch provoceert, nl. het willen samenzijn met iemand, omdat
het zo wezenlijk is wordt het helemaal van A tot Z juridisch uitgeklaard omdat dat stabiliteit brengt in de
samenleving.
Plechtige rechtshandeling:
Wat wij vandaag kennen als de meest performante vorm van relatie (= huwelijk), is zo oud als de straat.
In beginsel is dit religieus georganiseerd. Alles wat wij vandaag kennen als huwelijk is in ons recht
opgenomen maar steunt op een traditie ontleent aan het huwelijk. Dat is in vele culturen zo, in vele
culturen kent men een vorm van huwelijk met een ceremonie al dan niet religieus geïnspireerd.
Verregaande rechtsgevolgen
Ontwikkelingen: greep samenleving neemt af, homohuwelijk, loskoppeling van verticale relaties
(opvoedingskader)
3
, -> Huwelijk is onder druk komen staan, door dit. Vanaf het moment dat men een andere vorm van
geaardheid dan die die de religie voorstaat kent, kan men zich afvragen, “dat huwelijk tussen een meneer
en een madam is dat het enige dat de samenleving moet kennen?”. Hiervan is dan de wettelijke
samenwoning afkomstig, een juridische vorm kunnen geven aan een relatie tussen 2 mensen maar ze
hoeven niet getrouwd te zijn en ze hoeven niet van een verschillend geslacht te zijn.
-> Een tweede grote wijziging in de relatievormen is de impact op kinderen. Vroeger hadden kinderen
buiten het huwelijk geboren niet dezelfde rechten. De wetgeving werd aangepast om die kinderen
dezelfde rechten te geven.
WETTELIJKE SAMENWONING
Ingevoerd in 1998 als ‘minihuwelijk’
Veel minder ‘plechtig’
Veel zwakkere (lossere) rechtsband/gevolgen- vgl. met huwelijk
-> Rechtspraak van het GwH heeft meermaals gezegd dat mensen in een wettelijke
samenwoning op bepaalde vlakken dezelfde bescherming genieten als gehuwden.
Sterke evolutie naar steeds meer gelijkstelling met gehuwden, toch blijven er zeer belangrijke verschillen
Opvallend: ook zonder emotionele/seksuele relatie mogelijk
-> Deze manier van organiseren van relaties, kan in de eerste plaats ook bedoeld zijn om een
vermogensrechtelijk kader te creëren. Hier hoeven de 2 partners elkaar dus NIET graag te zien.
Wie beslist om een wettelijke samenwoning te creëren, kiest in de eerste plaats voor een contractueel
vermogenskader. Dit is een vorm van organisatie zonder dat dat impliceert dat men een koppel vormt.
Wettelijke samenwoners hoeven elkaar in relatie-gewijs niet graag te zien.
HET AANTAL WETTELIJKE SAMENWONINGEN EN BEËINDIGINGEN IN 2022
Ongeveer 39.000 wettelijke samenwoningen afgesloten (stabiel)
Ongeveer 29.000 beëindigingen (stijgend (inhaal na covid)):
▪ 36,3% eindigt op verzoek ▪ 58,5% door huwelijk
partner
▪ 5,2% door overlijden
FEITELIJKE SAMENWONING
Vele mensen hebben een relatie met iemand anders, wonen in de feiten samen maar hebben niks
juridisch gemeen (behalve het feit dat ze al dan niet toevallig op hetzelfde adres wonen, …).
Tot eind de jaren ’70 ongeoorloofd (“concubinaat” = buitenechtelijke samenleving van een man en een
vrouw die duurzaam en stabiel samenleven zonder gehuwd te zijn )/OO (oud ouderschap) en GZ
(gezinsrecht).
Maatschappelijke realiteit vs. Juridische realiteit (bv. conventioneel)
Soms wel rekening mee gehouden in het recht (aanknoping feitelijke realiteit, bv. beslagrecht,
socialezekerheidsrecht) -> er zijn dus wel degelijk situaties denkbaar waar rechtsgevolgen kleven aan
de feitelijke samenwoning.
Evolutie in familierechtelijke rechtspraak
4