Economie
Schaarste, ruil en ruilen
over de tijd
Keuzes en opofferingskosten, budgetlijn en
productiemogelijkhedengrens, ruil en specialisatie, geld, sparen, lenen
en rente, plus de basis van vraag en aanbod
✓ Alle stof van de eerste toetsweek havo 4 in gewone taal
✓ Rekenvoorbeelden: procenten, koopkracht, enkelvoudige en samengestelde
interest, reële rente
✓ Formuleblad met alle rekenregels op één plek
✓ Examentips, veelgemaakte fouten en begrippenlijst
✓ 15 oefenvragen met volledige uitwerkingen
1 2 3 4 5 6 7 8
Schaarste Budgetlijn Ruil Geld Procenten Sparen Rente Markt
Bruikbaar naast LWEO (lesbrieven), Praktische Economie (module Schaarste, geld en handel) en Pincode. Sluit
aan op het examenprogramma economie havo: domein B Schaarste, C Ruil en E Ruilen over de tijd.
Economie havo 4 · Schaarste, ruil en ruilen over de tijd (toetsweek 1) pagina
, Inhoud
Wat staat waar?
1 Schaarste en keuzes
2 Budgetlijn en productiemogelijkhedengrens
3 Ruil en specialisatie
4 Geld
5 Rekenen met procenten
6 Ruilen over de tijd
7 Rente berekenen
8 Vraag en aanbod: de basis
9 Formuleblad
10 Begrippenlijst
11 Oefenvragen
12 Uitwerkingen
ZO GEBRUIK JE DEZE SAMENVATTING
Lees eerst de uitleg per onderwerp en kijk dan naar de examentips in de groene kaders. Leer de begrippen
(vetgedrukt) tot je ze in je eigen woorden kunt uitleggen. Reken alle voorbeelden zelf na met je
rekenmachine. Maak daarna de oefenvragen zonder te spieken en check je antwoorden met de
uitwerkingen achterin.
1. Schaarste en keuzes
Waarom je altijd iets moet opgeven
Behoeften en middelen
Mensen hebben (bijna) onbeperkte behoeften: eten, wonen, een telefoon, vakantie, vrije tijd. De middelen om
die behoeften te vervullen zijn beperkt: geld, tijd, grondstoffen, arbeid. Als behoeften en middelen botsen, is er
schaarste. Door schaarste moet je kiezen.
Begrip Betekenis Voorbeeld
Schaarste Er zijn minder middelen dan nodig om Je hebt € 50 en wilt een spel van €
alle behoeften te vervullen. 40 én een shirt van € 30.
Zeldzaamheid Iets komt weinig voor. Dat is níet Een zeldzaam kunstwerk dat niemand
hetzelfde als schaarste. wil hebben is niet schaars.
Schaars goed (economisch goed) Een goed waarvoor je iets moet Een broodje, een treinkaartje
opofferen. Heeft een prijs.
Economie havo 4 · Schaarste, ruil en ruilen over de tijd (toetsweek 1) pagina