30/09/2025
HT1: Inleiding
- communicatiewetenschap = bepaalde modellen, theorieën en empirisch onderzoek
gebruiken om fenomenen uit realiteit te testen
→ kwantitatief: inhoudsanalyse, survey, experiment, meta-analyses
→ kwalitatief (hoe & waarom): inhoudsanalyses, diepte-interviews,
focusgroups
⇒ wetenschappelijke literatuur, journals
vb: social learning theory met analyse
= op stand gekomen na WO2
→ 4 bouwstenen v Heath & Bryanth:
- retoriek: taalgebruik, kenmerken v publiek, persoonlijkheid, inhoud & structuur
→ Aristoteles: 3 intrinsieke middelen om publiek te overtuigen
● ethos
● pathos
● logos
- propaganda & media-effecten:
- informatietheorie:
- groepsdynamica:
HT2: Basisconcepten
- Wat is communicatie?
= overdracht of uitwisseling v informatie
→ overdracht = klemtoon op zender die informatie overdraagt aan ontvanger,
eenrichtingsverkeer
→ uitwisseling = gemeenschappelijk maken v ideeën → dynamisch proces, beide
mensen gelijkwaardig
- wetenschappelijke definities → niet kennen, maar weten dat ze afhangen
v tijdsgeest en plaats = verschillende invalshoeken
- 2 belangrijke perspectieven:
1. processchool: communicatie = transmissie v boodschappen
→ comm = beïnvloedingsproces
→ nadruk hoe zender & ontvanger encoderen & decoderen, hoe kanalen & media
efficiënt en accuraat kunnen ingezet
- verschil output & input = fout
2. betekeniscreatieschool: communicatie = productie & uitwisseling v betekenissen
→ nadruk op hoe boodschappen interageren met mensen om betekenissen tot
stand te brengen
- afwijking zender & ontvanger ≠ fout
,→ richt zich op materiële = producten v communicatie, vb: krantenartikels,
reclamespots, etc.
Breek- of discussiepunten
- Intentionaliteit
→ teleologische opvatting = intentie bij zender & ontvanger
→ gedragsopvatting = intentie hoeft er niet te zijn ( niet communiceren = ook communiceren)
⇒ probleem: intentionaliteit = moeilijk vast te stellen
- passief-actief model v McQuail
(GC = geslaagde communicatie)
- Geslaagdheid
→ Fauconnier: GC = transmissie v boodschap die aankomt bij bedoelde
ontvanger, die juist geinterpreteerd wordt & juiste uitzerking heeft
- Richting
→ eenrichtings- of tweerichtingsverkeer?
- processchool = 1, want je bent beide tot er iemand antwoordt
- gedragscommunicatie = 2
- Observatieniveau
→ algemeen of enkel menselijke communicatie
→ niveaus:
1. intrapersoonlijk: met jezelf
2. interpersoonlijk: met ander persoon
3. communicatie in groepen
4. organisatiecommunicatie: hiërarchisch
5. massacommunicatie: krant, radio, TV, etc.
- technologische evoluties: observatieniveau, vb: AI
Elementen v communicatieproces
1. Bron / zender
- als er onderscheid is: bron = communicator, zender = medium
→ zo niet? zender = communicator
- zender encodeert & stuurt door
→ macht v zender is groot
2. Ontvanger
- onderscheid: bestemmeling = communicator, ontvanger = medium
→ zo niet? ontvanger = communicator
- ontvanger decodeert & interpreteert
→ na zenderdominantie, meer aandacht voor ontvanger
3. Boodschap
= datgene wat wordt uitgedrukt door zender & overgedragen naar ontvanger
- tekens = verbale / non-verbale stimuli, vb: wenkbrauw die fronst
,→ signifiant (: visuele voorstelling/ woord = ook voorstelling) vs
signifie (: wat er in je hoofd zit, idee v iets, mentaal concept)
- symbolen: geen natuurlijke relatie ( geen relatie tussen taal en een concept zelf, hond
noemen na er een afspraak over is gemaakt ), vb: middelvinger
- iconen: fysieke gelijkenis tussen betekenaar & betekende ( foto is een icoon van uzelf)
- indices: sensorische ervaring A verwijst naar B, vb: het ruikt naar
versgebakken koekjes → mama heeft koekjes liggen bakken
4. Signaal
- dragers v tekens (vb:
→ primair = natuurlijk : zintuiglijke prikkels
→ secundair = technisch
- mechanische wijze = pen, potlood
- elektronische wijze = elektronische s
- troomstootjes
5. Kanaal
= drager v signalen, overbrugt scheiding zender & ontvanger
= weg/ materie, vb: lucht waardoor mijn woorden vliegen naar het oor van Kirsten
6. Medium
= object dat boodschap draagt / technisch middel om boodschap om te zetten in signalen die
verzonden & ontvangen kunnen worden via kanaal dat tijd &/ruimte overbrugt
→ onduidelijkheid over face-to-face comm = stem als medium? / niet-
gemedieerd?
- classificatie obv soort signaal / graad interactiviteit/tweerichtingsverkeer die ze toelaten
1. Allocutie: controle over overgedragen info & tijd + keuze van object = centraal
2. Registratie: controle over tijd = centraal, controle over overgedragen info = individueel
vb: survey v Youtube, kijkcijfers, niet-noodzakelijke cookies → je kiest
of je het wilt laten registreren
3. Consultatie: controle over tijd & onderwerp = centraal + controle over overgedragen info
= individueel
vb: Netflix, Wikipedia, Google
4. Conversatie: controle over tijd & overdragen info = individueel + keuze v object =
individueel
- sociale media = media?
→ onderverdeling onder druk: alle 4 classificaties in 1 platform
→ meta medium
7. Ruis
= elke stimulus die ontvangst v boodschap belemmert
- soorten ruis:
● fysieke/mechanische ruis
● psychologische ruis
, ● fysiologische ruis
● semantische ruis = gebrek aan kennis v gebruikte codes / verkeerde connotatie
8. Feedback
- verbaal / non-verbaal
- onmiddellijk / uitgesteld
- mogelijkheid verschilt sterk per kanaal / medium
HT2: Communicatiemodellen
= vereenvoudigde voorstelling die voornaamste elementen v communicatieproces &
onderlinge relaties tonen
- functies:
● Organiseren: realiteit voorstellen/ordenen → abstractie maken,
voornaamste elementen verbinden
● Verklaren: hoe het verloopt en in welke condities het is geslaagd / niet
● Voorspellen: hoe denk je dat de relaties kunnen zijn & dan testen adhv onderzoek
- Structurele modellen: elementen apart ontleden, oplijsting zender ontvanger medium &
boodschap
- Functionele modellen: bekijken de relaties tussen die elementen
Basismodellen Op examen→
model kunnen uitleggen & plaatsen in de tijd
1. Communicatieformule v Lasswell, 1948
- propaganda werd ingeschakeld om iets te bereiken
→ Formule: wie zegt wat, via welk kanaal, tegen wie, met welk effect?
● Wie? = communicator / zender = controlestudies, vb: analyse v pol leiders die
propaganda inschakelen
● Zegt wat? = boodschap = inhoudsanalyse, analyse v woorden
● Via welk kanaal? = medium = media-analyse, welk medium bij bepaald onderwerp
● Tegen wie? = ontvanger = publiekanalyse, onderzoek doen naar wie de mensen zijn
en hoe je deze het best kan bereiken
● Met welk effect? = effect = effectenanalyse, vb: verkiezingscampagne op
stemresultaten
→ massacommunicatie = propaganda, processchool = eenrichtingsverkeer, geen
aandacht op ontvanger & zender heeft duidelijk doel
= structureel, afzonderlijke elementen
2. Model v Shannon & Weaver, 1949 → KENNEN
- ontstaan in tijd v telefoon, dit wordt ook voorgesteld
→ bellen naar iemand
- mech. & fys. ruis = gelinkt aan kanaal, vb: GSM plat, wifi die
wegvalt
→ processchool = eenrichtingsverkeer, zender
heeft doel, beïnvloedingsproces kan fout lopen =