• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 32 pages
Class notes

Aantekeningen e-lectures Micro-Economie | EUR | 2025/2026

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 32 pages

Aantekeningen voor het vak Micro-Economie aan Erasmus Universiteit Rotterdam, gebaseerd op videocolleges. De notities behandelen vraag en aanbod (vraagcurve, aanbodcurve, marktevenwicht, prijselasticiteit), belastingen (consumentensurplus, producentensurplus, welvaartsverlies), en volkomen concurrentie (marktvormen, vaste en variabele kosten). Deze aantekeningen zijn ideaal voor examenvoorbereiding doordat kernconcepten duidelijk worden uitgelegd met praktische voorbeelden.

Content preview

Aantekeningen micro-economie

Video 1, Vraag en aanbod:
Gaat over de vraagcurve. De prijs waarbij 0 producten verkocht worden, dus Q=0 wordt
de choke prijs genoemd.

Als je een vraagfunctie hebt zoals, Q = 1000 – 200P. Dan betekent dit, dat bij elke euro
die de prijs omhooggaat, er 200 minder van het product verkocht worden.

De aanbodcurve geeft aan hoeveel producenten willen aanbieden voor welke prijs,
waarbij andere factoren als koopkracht, etc. allemaal als constant worden beschouwd.
Dit is een opwaartse lijn.
De choke prijs bij de aanbodcurve is dan ook wanneer er precies 0 broden worden
aangeboden.

Waar de twee lijnen elkaar snijden, ontstaat het marktevenwicht. Hier is namelijk het
enige punt waar de producenten zoveel willen aanbieden voor een prijs waarbij
consumenten hetzelfde aantal willen kopen.

Bij een hogere prijs, willen producenten meer aanbieden dan consumenten willen
kopen. Je hebt hierbij dus te maken met een aanbodoverschot. In een vrije markt is dit
een situatie die zich niet lang staande houdt, omdat producenten hun prijs zullen
verlagen om de producten alsnog te verkopen.

Bij een vraagoverschot, of tekort op de markt, is de prijs zo laag dat producenten minder
aanbieden dan consumenten zouden willen kopen.

Om de evenwichtprijs te vinden stel je de vraagfunctie en de aanbodsfunctie gelijk aan
elkaar.

Prijselasticiteit van de vraag is de percentuele verandering in de hoeveelheid vraag
wanneer de prijs toeneemt. Dus E = %Q/%P.

Bij een perfect inelastische prijs, is de hoeveelheid die wordt gevraagd onafhankelijk van
de prijs. De vraagcurve is hierbij een verticale lijn, E=0. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de
vraag naar medicatie. Bestaat waarschijnlijk niet in de realiteit, er zijn altijd wel iets van
substituten te bedenken.

Bij een perfect elastische prijs, hierbij is de vraag een horizontale lijn. Wat betekent dat
consumenten extreem gevoelig zijn voor veranderingen in de prijs. Hierbij kun je denken
aan hele specifieke producten, denk aan aardappelen van de boer.

Video 2, Belasting:
Consumentensurplus – is het verschil tussen de prijs die consumenten bereid zijn te
betalen voor en product en de prijs die ze daadwerkelijk moeten betalen.
Consumentensurplus is gelinkt aan de vraagcurve, en is dus de dalende lijn. Om het
consumentensurplus te berekenen kijk je naar jouw persoonlijke betalingsbereidheid en

,het verschil hiermee met de marktprijs. Het is dus de driehoek onder de vraagcurve en
boven de marktprijs.

Producentensurplus – Het verschil tussen de prijs waar de producenten een product
voor willen verkopen en de prijs waarvoor ze het daadwerkelijk kunnen verkopen. De
driehoek van het producentensurplus is gelijk aan de oppervlakte boven de
aanbodscurve en onder de marktprijs.

Consumentensurplus + Producentensurplus = welvaart

Welvaartsverlies (harbergerdriehoek/dead weights loss) – Welvaart (producenten +
consumentensurplus) dat verloren gaat door een ineWiciëntie in de markt.

Door een belasting op de producenten verplaatst de aanbodcurve met het bedrag van
de belasting. Dit zorgt ook dat de evenwichtsprijs hoger wordt, en het
consumentensurplus dus kleiner. Omdat er dus minder wordt verkocht, moet je de
verkochte hoeveelheid op de nieuwe aanbodlijn, gelijkstellen met de oude aanbodlijn.
Dat driehoekje dat dan ontstaat tussen de oude en de nieuwe evenwichtsprijs, is de
harbergerdriehoek.

Een hogere belasting, leidt dus niet altijd tot hogere belastingopbrengsten, omdat er ook
minder van het product verkocht wordt door de verhoging van de prijs.

Wie het grootste deel van de belasting over een product betaald, wordt bepaald door de
elasticiteit van een product. Als de vraag elastisch is, betalen consumenten een minder
groot deel van de belasting, en zo andersom.

Video 3, Volkomen concurrentie:
Marktvormen geven aan hoe bedrijven met elkaar concurreren. Hoe homogener/gelijker
de producten aan elkaar zijn, hoe concurrerender de markt is, toetredingsbarrières
zeggen hier ook veel over. Hoe makkelijker het is om toe te treden aan een markt, hoe
concurrerender het waarschijnlijk zal zijn. De markt waarin een bedrijf opereert is dus
heel bepalend voor de strategische beslissingen die een bedrijf neemt, zoals
prijsstrategieën of marketing.

Je hebt 4 verschillende marktvormen:
1. Volkomen concurrentie
2. Monopolistische concurrentie
3. Oligopolie
3. Monopolie

In economie heb je twee typen kosten: vaste en variabele kosten.
Vaste/constante kosten zijn vaste productiemiddelen, onafhankelijk van de hoeveelheid
output. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kantoorhuur.
Variabele kosten zijn kosten van productiemiddelen die wel variëren met de hoeveelheid
output, denk bijvoorbeeld aan grondstoWen.

,Op korte termijn zijn meeste kosten al vast, op lange termijn kan je wel
kostenbesparender gaan opereren.

Om gemiddelde totale kosten te krijgen moet je totale kosten te delen door de totale
geproduceerde hoeveelheid.

Marginale kosten zijn de extra kosten die je krijgt om één extra eenheid output te
produceren. Deze kun je berekenen met 2 verschillende formules:
MK = Het verschil in TH / Het verschil in Q
MK = Het verschil in VK / Het verschil in Q

MK dalen eerst, omdat de GVK dalen, uiteindelijk stijgen de MK.

Kenmerken van Volkomen concurrentie:
- De producten in deze markt zijn identiek, perfecte substituten van elkaar, denk hierbij
aan melk of aardappels.
- Geen of weinig toetredingsbarrières.
- Veel verschillende kleine aanbieders. Het individuele aanbod hiervan is te klein om
invloed te hebben op de prijs.

Winst = TO – TK
TO = P x Q
TK = GTK x Q

Optimale punt is MO = MK = P.

In een markt van volkomen concurrentie wordt op de lange termijn geen winst gemaakt,
door de lage toetredingsbarrières. Houd hier dus rekening mee, dat je altijd zult blijven
moeten vernieuwen en met andere producten komen om in deze markt winst te blijven
behalen.

Video 4, Monopolie:
Kenmerken monopolie:
- Weinig of geen substituten te vinden, bijvoorbeeld voor de trein.
- Maar 1 aanbieder in de markt
- Hoge toetredingsbarrières, waardoor een monopolist ook echt monopolist blijft.
- Wetgeving kan er ook voor zorgen dat toetreding van een andere partij überhaupt niet
mogelijk is.

Omdat er maar 1 aanbieder is op de markt, krijgt deze erg veel marktmacht. Hij heeft
dus veel invloed op de prijs en is dus een prijszetter, i.p.v. een prijsnemers als tij de
volkomen concurrentie.

TO = PQ
P = a-bQ

, TO = (a-bQ)Q = aQ – bQ^2
MO = delta TO / delta Q = a – 2bQ

Een natuurlijk monopolist ontstaat, als de vaste kosten zo hoog zijn, dat het eWiciënter is
om één aanbieder een grote investering te laten doen. Dan kun je die vaste kosten
namelijk hierna verdelen, over alle verkochte eenheden.


Samenvatting H4, boek:

Er wordt vanuit gegaan dat alle beslissingen, om iets wel of niet te kopen, 4 dingen
gemeen hebben:
1) Completeness and rankability
We assume that consumers can make comparisons across all prossible sets of goods.
Economists use the term consumption bundle (A set of goods or services a consumer
considers purchasing or just bundle). Dit is belangrijk, omdat dit betekent dat we
economische theorieën kunnen toepassen op elke bundle or goods die besproken moet
of kan worden. Echter, vertelt dit niets over de voorkeur van de consument, dit is een
constante in deze theorie. Dit vertelt dus enkel of de consument in staat is om te
beslissen of de een beter is dan de ander.
2) For most goods, more is better than less
In general, more of a good thing is good. For example, more safety in a product.
3) Transitivity
Als je 3 verschillende producten hebt (A, B en C), en een consument geeft de voorkeur
aan A ten opzichte van B, en B ten opzichte van C, dan geeft de consument ook de
voorkeur aan A ten opzichte van C. De rest in deze vergelijking is een constante, en
betekent ook niet dat je in elke situatie liever A hebt dan C, maar alleen op dat moment
zelf.
4) The more a consumer has of a particular good, the less that consumer is willing to
give up of something else to get even more of that good
Consumers like variety. If you’ve just polished oW eight donuts in a row, you wouldn’t pay
as much for the ninth donut as you did for that first one.

But because a list of every decision would include too many lists, to use as a decision
aid, economists use the concept of utility, and a mathematical description called a
utility function to describe preferences more simply. Utility is a measure of how
satisfied a consumer is. It is important to realize that utility is not a measure of how rich
a consumer is, as there are many other factors that may aWect utility just like income
does. A Utility function mathematically describes the relationship between what
consumers actually consume and their level of well-being.
Just remember, utility functions represent consumers preferences, they are supposed to
represent what people actually like.

Document information

Study
Uploaded on
October 13, 2026
Number of pages
32
Written in
2025/2026
Type
Class notes
Professor(s)
E-lectures
Contains
All classes
$9.20

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
4
Last sold
-



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions