Stellingen
U krijgt in totaal 10 stellingen. Geef telkens gemotiveerd aan of de stelling juist dan wel
onjuist zijn. Per goed antwoord kan 1 punt worden verdiend. Ter motivering volstaan enkele
regels (maximaal 75 woorden), maar niet gemotiveerde of onjuist gemotiveerde antwoorden
worden fout gerekend. Voor het behalen van het punt moet zowel de motivering als de
kwalificatie ‘juist/onjuist’ correct zijn.
1. Op een zaak kan zowel een recht van opstal als een pandrecht rusten.
2. Door de faillietverklaring verliest de failliet de eigendom van de tot het faillissement
behorende zaken.
3. Uit het arrest Grensoverschrijdende garage blijkt dat er aan de uitoefening van het
eigendomsrecht grenzen worden gesteld.
4. Bij een gebrek in de levering van een roerende zaak kan een beroep worden gedaan op
art. 3:86 BW.
5. Een bezitter kan een goed verkrijgen op grond van verjaring zonder hij te goeder
trouw is.
6. Op een recht van erfpacht kan een hypotheekrecht worden gevestigd.
7. Een concurrente schuldeiser heeft een betere positie in het faillissement dan een
preferente schuldeiser.
8. Voor de vestiging van een recht van vruchtgebruik op een auto moet een notariële akte
worden opgemaakt gevolgd door inschrijving in de openbare registers.
9. Met het ProCall-arrest heeft de Hoge Raad de trust voor het Nederlandse recht
aanvaard.
10. Rangwijziging bij pandrechten is niet mogelijk naar Nederlands recht.