Week 1
1. De student kan uitleggen uit welke dimensies het rechtsbegrip bestaat (het driehoekmodel van recht)
en kan deze dimensies ook toepassen binnen een casus;
Om rechtsbegrip beter te begrijpen onderscheidt het boek 3 dimensies:
Het normatieve juridische moment. Dit is het geheel van regels, beslissingen en beginselen dat
gewoonlijk onder recht wordt verstaan. Dit wordt positief recht genoemd door juristen. Het recht dat op
een bepaalde tijd en plaats geldt
- Wanneer er aan rechtsnormen worden gehouden is er sprake van een rechtmatige situatie, anders
is er sprake van wederrechtelijk gedrag
- RECHTSZEKERHEID
Het ideële filosofische moment. Dit is het geheel van ideeën, opvattingen en waarden dat als leidraad en
toetssteen fungeert voor het positieve recht. Het positieve recht is gevormd om bepaalde waarden, zoals
vrijheid en gelijkheid, tot uitdrukking te brengen. Door deze waarden en ideeën kunnen wij ze gebruiken
om de rechtsregel kritisch aan te toetsen. Mensen laten zich niet alleen door rechtsnormen leiden, maar
ook door overtuigingen omtrent goed en kwaad, rechtvaardig en onrechtvaardig.
- De vraag is: is het positieve recht rechtvaardig en wenselijk? zo kom je bij het ideële moment.
- Het ideële moment sluit aan bij het wrongful-birth arrest. Die gaat over dat een dokter de spiraal
van een vrouw eruit had gehaald omdat ze werd geopereerd, en de dokter vergat de spiraal terug
te plaatsen. Dit zorgde ervoor dat de vrouw onwenselijk zwanger werd.
- RECHTVAARDIGHEID
Het actuele sociologische moment. Daaronder verstaan wij zowel het geheel van maatschappelijke
gebruiken en praktijken die tot het positieve recht heeft geleid, als de maatschappelijke gebruiken en
praktijken die uit het recht voortvloeien. Hoe mensen in de samenleving met elkaar omgaan, houdt
verband met de juridische regels: soms is het recht ook hoe wij met elkaar omgaan. Recht en samenleving
zijn wederzijds constituerend, -> brengen elkaar in wisselwerking tot stand. Recht is niet alleen normen
en waarden maar ook belangen en macht.
- De Engelse termen zijn als volgt
1. Law in the books = recht zoals die op papier is vast gesteld- normatieve moment
2. Law in action = recht in de werkelijkheid- actuele moment
- DOELMATIGHEID
2. De student kan de basis-tweedelingen in het recht (recht in subjectieve zin en recht in objectieve zin;
publiekrecht, privaatrecht en functionele rechtsgebieden; formeel en materieel recht; dwingend en
aanvullend recht) uitleggen en kan deze basisindelingen in het recht toepassen op bijv. regelgeving;
Als wij spreken over het recht in objectieve zin bedoelen wij daarmee de verzameling rechtsnormen.
Objectief recht is een nauw verwant met het positieve/ geldende recht, de rechtsnormen die hier en nu
gelden. Subjectieve rechten zijn de rechten die rechtssubjecten (de personen die door het objectieve recht
worden erkend) ontlenen aan de regels van het objectieve recht.
Voorbeelden subjectieve rechten:
- vrijheid van meningsuiting
- het recht op eigendom van de fiets
1
,- het recht om niet mishandeld te worden
Het privaatrecht of civiele recht is gericht op de regeling van de rechtsverhoudingen tussen de burgers
onderling. Het publiekrecht heeft betrekking op de organisatie van de gemeenschap (staat) en de zorg
voor algemene belangen, dus de bemoeienis van de overheid met het maatschappelijk leven.
- Privaatrecht is er dus een horizontale verhouding, want burgers onderling zijn even machtig.
- Publiekrecht is er dus een verticale verhouding, want de overheid staat ( kwa macht) boven de
burgers
Als je moet beslissen of een handeling publiek- of privaatrechtelijk is kan je naar de volgende 4 criteria
kijken:
1. Wie is er betrokken?
2. Wie wordt er beschermd?
3. Wie neemt het initiatief tot handhaving?
4. Welke (dwang) middelen worden er gebruikt?
PRIVAAT RECHT:
Binnen privaatrecht vallen er verschillende onderdelen
Namelijk het materieel en formele privaatrecht. Het materiele privaatrecht kan nog in 2 delen worden
verdeeld:
1. Vermogensrecht gaat over op geld waardeerbare rechten en plichten. Subjectieve
vermogensrechten zijn overdraagbaar.
- Regels over vermogensrecht zijn vaak regelend recht; partijen mogen er zelf van af wijken.
Dan zijn er ook nog 2 typen vermogensrecht:
- Goederenrecht: regelt rechtsverhouding tussen mensen en goederen
- Verbintenissenrecht: regelt rechtsverhouding tussen personen onderling
2. Personen- en familierecht dit is niet op geld waardeerbaar, niet overdraagbaar en partijen
kunnen er meestal niet vanaf wijken; er geld dus een dringend recht.
PUBLIEKRECHT
Binnen publiekrecht zijn er 3 gebieden:
1. Staatsrecht: zij regelen de organisatie van een staat. Grondrecht speelt hier een grote rol.
2. Bestuursrecht: dit gaat over verhoudingen tussen burger en bestuur.
- Groot deel staat in Algemene Wet bestuursrecht AwB
3. Strafrecht: de overheid mag een strafrechtelijke sanctie opleggen bij een wettelijke overtreding.
- Politie en OM beschikken over vervolgingsmonopolie en over opportuniteitsbeginsel.
Dwingend recht: partijen mogen niet van de wettelijke regel afwijken.
Aanvullend/ regelend recht: partijen mogen zelf iets anders afspreken; als ze niets regelen, geldt de
wettelijke regel als aanvulling.
TIP: als een wet over algemeen belang gaat en beschermingswaarde heeft, is het waarschijnlijk een
dwingend recht.
Materieel recht: wat je rechten en plichten zijn. Inhoudelijk.
2
,Formeel recht: hoe je die rechten kunt afdwingen en hoe een procedure verloopt.
Rechtsdogmatiek is het bestuderen en uitleggen van het geldende recht als een samenhangend juridisch
systeem. Je onderzoekt dan de wet en rechtspraak om te bepalen wat het geldende recht is.
Functionele rechtsgebieden zijn rechtsgebieden die zijn afgebakend rond een bepaalde maatschappelijke
functie, sector of probleem.
Arbeidsrecht
Ondernemingsrecht
Familierecht
Gezondheidsrecht
Milieurecht
Consumentenrecht
Informatierecht
Sociaal recht
Onderwijsrecht
Belastingrecht
3. De student kan in grote lijnen uitleggen hoe de rechterlijke organisatie en de rechtsgang in Nederland
is georganiseerd, in het bijzonder voor het burgerlijk procesrecht;
De rechterlijke macht bestaat uit instanties die belast zijn met rechtspraak in burgerlijke zaken en in
strafzaken. Dan spreken we van een gewone rechter en een gewone rechtsspraak.
1. De zittende magistratuur: die wordt gevormd door leden die zijn belast met rechtspraak
2. De staande magistratuur: het Openbaar Ministerie dat is belast met de leiding van de opsporing van
strafbare feiten en de vervolging van daders en bovendien met de tenuitvoerlegging van
strafvonnissen.
3. De griffiers c.q. gerechtssecretarissen: die belast zijn met de schriftelijke vastlegging van wat er zich
tijdens een zitting afspeelt – zij worden wel aangeduid als de schrijvende magistratuur.
rechtbank → eerste aanleg
gerechtshof → hoger beroep
Hoge Raad → cassatie
4. De student kan de verschillende interpretatiemethoden uitleggen en herkennen in juridische teksten,
zoals een arrest of annotatie.
De rechter gebruikt verschillende methoden om de betekenis van een wet te bepalen. Er is geen vaste
volgorde waarin deze methoden belangrijk zijn. Welke methode het zwaarst weegt, hangt af van de
situatie en de achterliggende rechtsbeginselen en rechtvaardigheid.
1. Grammaticale interpretatie
o Kijkt naar de letterlijke betekenis van de woorden in de wet.
o Het gewone taalgebruik is belangrijk, maar juridische betekenissen hebben voorrang als die
afwijken van de dagelijkse taal.
o De letterlijke tekst is niet altijd doorslaggevend, bijvoorbeeld wanneer de wetgever een situatie
niet heeft kunnen voorzien.
2. Wetshistorische interpretatie
3
, o Kijkt naar de bedoeling van de wetgever toen de wet werd gemaakt.
o Hiervoor worden bijvoorbeeld de memorie van antwoord, parlementaire verslagen en andere
stukken uit de wetsgeschiedenis gebruikt.
o De bedoeling van de wetgever is niet altijd eenduidig vast te stellen en moet soms worden
gereconstrueerd.
3. Rechtshistorische interpretatie
o Kijkt naar de geschiedenis van het recht en eerdere regels die aan de huidige regel voorafgingen.
o Dit kan helpen om de betekenis van een huidige bepaling te begrijpen.
o De vroegere rechtsopvatting is niet automatisch doorslaggevend, omdat het recht in de loop van
de tijd kan veranderen.
4. Systematische interpretatie
o Kijkt naar de plaats van een regel binnen het hele rechtssysteem.
o Het uitgangspunt is dat het recht ‘met één mond’ moet spreken: regels moeten zoveel mogelijk
met elkaar samenhangen.
o Een uitzondering op een algemene regel is mogelijk, maar moet goed worden gerechtvaardigd.
5. Teleologische interpretatie
o Kijkt naar de strekking/het doel van de wet (telos = doel).
o De rechter kijkt dus naar de achterliggende rechtvaardigheidsidee van de wettelijke bepaling.
o Voorbeeld: elektriciteit kon onder diefstal vallen, hoewel elektriciteit bij het ontstaan van de
diefstalbepaling nog niet als zo’n ‘goed’ werd gezien.
o In het strafrecht moet hiermee voorzichtig worden omgegaan als de interpretatie nadelig is voor
de verdachte.
6. Interactionistische/ sociologische interpretatiemethode
o De rechter bepaalt de betekenis van een regel of uiting mede aan de hand van de context en
interactie waarin deze wordt gebruikt.
o De betekenis ligt dus niet alleen in de letterlijke woorden, maar ook in de omstandigheden waarin
ze worden geuit.
We hebben 2 soorten interpretatiemethoden:
Heteronome interpretatiemethoden: hier valt onder de grammaticale, wetshistorische en
rechtshistorische methoden.
Autonome interpretatiemethoden: hier valt onder de teleologische, systematische en sociologische
methoden.
Heteronoom = betekenis zoeken in bestaande woorden en historische bronnen.
Autonoom = meer ruimte voor de rechter om de wet uit te leggen aan de hand van doel, samenhang
en maatschappij.
Week 2
4