Gedragswetenschappen
Social work
Windesheim leerjaar 1
,H3 lichaamstaal boek
Er is in communicatie sprake van inhouds- en betrekkingsniveau
Inhoudsniveau: wat er wordt gezegd, wat het onderwerp is van het gesprek
Betrekkingsniveau: welke relatie wordt voorgesteld of geïmpliceerd (wat niet letterlijk
wordt gezegd, maar wel wordt bedoeld)
Congruent: als lichaamstaal in overeenstemming is met de inhoud van iemands
boodschap
Incongruent: als iemand met een opgeplakte lach zegt dat hij het leuk vindt om je te
zien. (Non-verbaal gaat voor de verbale taal)
Schulz van thun onderscheidt 4 aspecten van een boodschap die in een bericht worden
gecommuniceerd: inhoud, betrekking, expressie en appel.
Inhoudelijk aspect: de inhoud van de boodschap gaat over het. De feitelijke inhoud.
Betrekking aspect: de betrekking gaat over hoe je in relatie staat tot degene aan wie je
een boodschap overbrengt en over hoe je de ander behandelt.
Expressief aspect: expressie gaat over wat je in je communicatie laat zien, wat er in je
omgaat. Expressie van emotie.
Appellerend aspect: wat voor beroep doe je met de boodschap op de ander? Wat wil je
van de ander? Wat wil je dat degene doet of zegt.
Veel boodschappen worden expliciet meegegeven door duidelijk het onder woorden te
brengen. Hoewel vaak worden boodschappen impliciet gecommuniceerd. Niet onder
woorden brengen maar door non-verbale uitdrukkingen. Je zegt dit indirect.
Hoge status hun lichaamshouding is zodanig dat zij zich groot maken, terwijl lage status
zijn armen beschermend om zich heen slagen bijvoorbeeld.
3 zones nabijheid: intiem, persoonlijk en sociaal.
, H5 emotie boek
Tweefactortheorie van emotie kunnen verschillende emoties in feite uit dezelfde
lichamelijke sensatie ontstaan.
Voorbeeld: Zit je in een donkere steeg en komt er iemand op je af? Dan interpreteren je
hersenen de opwinding als angst.
Sta je bij de finish van een spannende hardloopwedstrijd? Dan interpreteren je hersenen
dezelfde snelle hartslag als euforie of blijdschap.
De lichamelijke reactie is dus vaak hetzelfde, maar de situatie bepaalt welke emotie je
ervan maakt.
Theorie van frijda
Hij stelt dat emotie uit 4 componenten bestaan. Hij onderscheidt:
1. Een fysiologische arousal; de lichamelijke sensatie die je voelt
Een lichamelijke prikkel, zonder arousal is er geen emotie waarneembaar.
Man in steegje -> hartkloppingen en zweet -> angst
2. Cognitieve interpretatie; je overtuigingen en gedachten, dus dat
wat je denkt over de situatie.
Deze hond kijkt vals, hij gaat me bijten, dit is een cognitieve interpretatie
3. Subjectieve gevoelens; hoe je het persoonlijk beleefd
Als een kind verdrietig is, leert het door de bevestiging van de ouders dat dit ‘verdriet’
heet. Dit heet ook wel valideren van het gevoel. Als ouders dit doen krijgt het kind grip op
emoties. Op die manier kan het kind volgens Hulsbergen beter in staat zijn om met
emoties om te gaan.
4. Gedragsmatige expressie; welke emotie je laat zien
Primaire emoties: basis emoties die je herkent uit gezichtsuitdrukkingen
Secundaire emoties: deze zijn gepaard met met overtuigingen of gedachtes over een
situatie.