Het Nederlandse recht is opgebouwd uit twee hoofdgebieden: het privaatrecht en het
publiekrecht. Deze indeling vormt de basis van het hele rechtssysteem. Zij bepaalt welke
rechtsregels van toepassing zijn en welke rol de overheid daarin heeft.
• Privaatrecht: regelt rechtsverhoudingen tussen burgers en bedrijven onderling.
• Publiekrecht: regelt de organisatie van de overheid en de verhouding tussen
overheid en burger of bedrijf.
!! niet het onderwerp, maar de verhouding tussen partijen is doorslaggevend.
Het publiekrecht is niet één geheel, maar bestaat uit meerdere rechtsgebieden. Elk
rechtsgebied heeft een eigen rol.
Staatsrecht
Gaat over de inrichting van de staat, de overheid en grondrechten
Bestuursrecht
Gaat over besluiten van bestuursorganen en de bescherming daartegen.
Strafrecht
Gaat over strafbare feiten en bestraffing.
Belastingrecht
Gaat over het heffen en innen van belastingen.
,Staats- en bestuursrecht
Attributie, delegatie en mandaat
Dit gaat over wie bevoegd is om besluiten te nemen.
- Attributie = een bevoegdheid wordt direct door de wet gegeven aan een
bestuursorgaan.
Voorbeeld: de gemeenteraad mag volgens de wet het omgevingsplan vaststellen.
- Delegatie = een bestuursorgaan draagt een bevoegdheid over aan een ander
bestuursorgaan → Degene die overdraagt verliest die bevoegdheid.
- Mandaat = iemand anders neemt een besluit namens het bestuursorgaan.
→ De bevoegdheid blijft bij de oorspronkelijke partij.
Autonomie en medebewind
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dat betekent dat niet alle
bevoegdheden bij het Rijk liggen, maar zijn verdeeld over provincies en gemeenten.
Autonomie = Gemeente/provincie mag zelf beleid maken binnen de wet.
Voorbeelden: parkeerbeleid of regels openbare ruimte
Medebewind = Gemeente/provincie voert taken uit die het Rijk oplegt.
Voorbeelden: vergunningen of milieuregels
Monisme en dualisme
Bij de inrichting van gemeenten en provincies is het verschil tussen monisme en
dualisme belangrijk. Bij monisme lopen besturen en controleren door elkaar heen. Bij
dualisme zijn deze rollen gescheiden. In Nederland is dualisme de norm: de
gemeenteraad stelt beleid vast en controleert, terwijl het college van B&W het beleid
uitvoert.
Organieke wetten
Organieke wetten zijn wetten die regelen hoe bestuursorganen zijn ingericht. Ze bepalen
welke bestuursorganen er zijn, hoe ze zijn samengesteld en welke bevoegdheden zij
hebben. Deze wetten vormen de basis voor het functioneren van gemeenten, provincies
en waterschappen.
→ Organieke wetten bepalen wie binnen een bestuurslaag mag beslissen.
,Wet in formele en materiële zin
Het woord wet kan in het recht twee betekenissen hebben: het kan gaan om wie de wet
heeft gemaakt of om wat er in de wet staat.
• Wet in formele zin = een wet die officieel is gemaakt door de regering en de
Staten-Generaal samen.
Hier kijk je dus vooral naar hoe de wet is ontstaan, niet naar de inhoud.
Tip voor examen: staat het woord “wet” in de naam (zoals Gemeentewet), dan is het
meestal een wet in formele zin.
• Wet in materiële zin = hierbij kijk je naar de inhoud van de regels.
Het gaat om algemene regels die voor burgers rechten en plichten bepalen.
!! Een regeling kan allebei tegelijk zijn: dus zowel een wet in formele als in materiële zin.
Algemene maatregel van bestuur (AMvB)
Niet alle regels staan in wetten die door het parlement zijn gemaakt. Sommige
praktische of technische regels worden verder uitgewerkt door de regering in een AMvB.
Een AMvB is dus een besluit van de regering met algemene regels waar iedereen zich
aan moet houden.
Kenmerken:
• geen wet in formele zin
• gebaseerd op een wet in formele zin
• bevat bindende regels en werkt een wet verder uit in details
Verordeningen en beleidsregels
Gemeenten en provincies mogen zelf ook regels maken.
• Verordening = officiële regels van gemeente/provincie waar burgers zich aan
moeten houden.
Voorbeeld: omgevingsplan.
• Beleidsregel = interne regels voor hoe een bestuursorgaan beslissingen neemt.
Deze gelden vooral voor de overheid zelf.
, Invloed van NL en EU recht op de vastgoedpraktijk
In de praktijk gelden naast Nederlandse regels ook Europese wetten. Die bepalen wat
wel en niet mag bij vastgoedprojecten.
• Nederlandse wetgeving = regels van de Nederlandse overheid. Gelden
rechtstreeks in Nederland.
• Europese wetgeving = regels vanuit de EU. Er zijn twee soorten:
- Europese verordening = algemene EU-regel die direct geldt. Omzetting in
NL wet is niet nodig. Voorbeeld: eisen aan bouwproducten.
- Europese richtlijn = EU-regel die verplicht tot een doel. Werkt indirect; NL
moet dit eerst omzetten in een eigen wet. Voorbeeld: EU-natuurrichtlijn.
Civiel recht en bestuursrecht
Er zijn twee soorten juridische geschillen.
- Civiel recht = geschillen tussen burgers/bedrijven (gaat over afspraken)
Voorbeelden: koop, huur, schade, bouwgeschillen
- Bestuursrecht = geschillen met de overheid (gaat over besluiten)
Voorbeelden: vergunningen, handhaving, subsidies
Welke rechter bevoegd is, hangt af van het soort conflict.
• Rechtbank = eerste rechter, behandelt civiele en bestuursrechtelijke zaken
• Gerechtshof = hoger beroep in civiele zaken
• Hoge Raad = hoogste rechter in civiel recht, controleert alleen of de wet goed is
toegepast (cassatie)
• Raad van State (ABRvS) = hoogste bestuursrechter