H1 – De jurisdictionele rechtshandeling
Materieel recht Formeel recht (“procedure” sensu lato)
(“gelijk hebben”) (Toepassing van de handhaving van het materiële recht)
“Ten gronde” Niet-contentieuze procedure
(“the merits”) (Formeel recht dat geen procesrecht is)
Gerechtelijk recht (“gelijk krijgen”)
Burgerlijk Strafvordering “Publiek procesrecht”
procesrecht of
gerechtelijk Constitutionee Geschillen
privaatrecht l contentieux van bestuur
(gemeenrecht)
Rechter en proces moeten bereikbaar, beschikbaar, begrijpbaar, bruikbaar en
betaalbaar zijn
Materiële begripsomschrijving
A. Rechterlijke macht in de functionele betekenis: het beslechten van
rechtsgeschillen (geschillen die rijzen naar aanleiding van de toepassing van het
recht, alle instanties die uitspraak doen over RG)
- Rechtsprekende handeling (acte juridictionnel) = een beslissing waarbij een
rechtsgeschil beslecht wordt
a. Geschil
b. Rechtsgeschil
c. Beslechten
- Rechtsmacht in functionele betekenis = de macht die aan de rechters toekomt
om recht te spreken
o Gaat om alle soorten rechters, niet alleen over de rechterlijke macht in
organieke zin ↔︎RM organieke zin: synoniem functioneel
B. Rechterlijke macht in organieke betekenis: de hoven en rechtbanken in Art. 40
GW (ook willige of oneigenlijke RS: dan oefent de rechterlijke macht in organieke
betekenis een administratieve functie uit)
- wie zijn de organen die de macht vormen, ongeacht wat ze doen ↔︎functioneel:
wat de rechterlijke macht doet
- Rechterlijke macht in organieke betekenis = alle rechters volgens Art. 40 GW
- Er zijn ook organen die geen orgaan zijn in organieke zin en wel geschillen
beslechten → Raad van State
Jurisdictionele rechtshandeling = het beslechten van rechtsgeschillen
1
,1. De rechter neemt kennis van een geschil
- Tegenstrijdige aanspraken (van rechtssubjecten) ↔︎oneigenlijke/willige RS (geen
geschil maar een homologatie) - Art. 146 GW =→ administratieve RH
- Geen ambtshalve kennisname door de rechter (niet proprio motu = niet uit eigen
beweging) → de rechter kan enkel recht spreken indien hij gevat wordt door RS
o Beschikkingsbeginsel - 3 aspecten
▪ partijen bepalen of er wordt geprocedeerd: rechter kan niks
ambtshalve opgooien
▪ partijen bepalen tegen wie er wordt geprocedeerd: rechter kan niet
een derde dwingen te procederen
▪ partijen bepalen over wat er wordt geprocedeerd: rechter kan
alleen uitspraak doen waarover partijen bepalen
- Gevolg: rechter kan niet meer toekennen dan dat er gevorderd werd (niet ultra
petita = niet voorbij het gevraagde)
- Rechter is verplicht om te beslissen eens dat het geding gevat is = verbod van
rechtsweigering - Art. 5 Ger. W. en 1140 °4
o verbod eigenrichting: u moet naar de rechter indien er een geschil is en de
rechter is verplicht te beslissen ook al is de wet onduidelijk en is er geen
onderliggende rechtsregel die de rechter kan toepassen = verbod RW.
Doet de rechter dit wel → rechtsmiddel op de rechter: verhaal
2. Rechtsgeschil
- Montesquieu: rechter is niet meer dan ‘Bouche de la loi’: niet elk dispuut geeft
recht op een rechtsgeschil
- Enkel betwistingen die juridisch relevant zijn = rechtsgeschil
o Geschil over rechtsfeiten
o Toepasselijk recht
o Rechtsgevolgen: rechtsfeiten die een bepaald gevolg hebben zoals
verkeersongeval
▪ Louter feitelijke geschillen kunnen dus niet want het juridisch
aspect ontbreekt
- Rechtsgeschillen hebben betrekking op het materieel recht (niet op procesrecht
of niet over formeel recht)
o Als de vordering is ingesteld kunnen er wel procesrechtelijke geschillen
over het geding worden toegevoegd
3. De rechter spreekt recht
- Rechter moet uitmaken “wat de rechtsregel zegt” = la bouche de la loi
o Rechter kan niet zeggen: “het is zo omdat ik het zeg”
2
, 1. Verbod op opportuniteitscontrole: opportuniteit niet in vraag stellen, als rechter
toch rechtsregel toepassen ook al ben je niet eens met de regel
● = beleids/doelmatigheidscontrole
○ tav particulier: wezenskenmerk van rechtspraak
○ tav overheid: aspect van scheiding der machten
● Wat in redelijkheid onaanvaardbaar is, wordt door de rechter gecontroleerd via
marginale toetsing
● Art. 144 GW en 6.1 EVRM: RM mag zich niet in de plaats van het bestuur stellen
en zijn beleidsvrijheid ontnemen
● Rechter heeft een grote discretionaire bevoegdheid (kwalificatie, interpretatie,
rechtsvinden, …)
2. Verbod om bij wege van algemene regel uitspraak te doen = rechter mag het
recht niet uitvaardigen (Geen binding force of precedent)
● Beslissing strekt zich enkel uit tot het behandeld geval
● RS is gezaghebbende (en dus geen bindende) bron van recht Art. 6 Ger. W.
● Rechter mag wel precedenten volgen (maar niet omdat het moet, maar wel
omdat hij deze goedkeurt)
○ In uitzonderlijke omstandigheden mag de rechter leemten in de wetgeving
opvullen door een grondwetsconforme lezing aan de wet te geven
○ ↔︎common law
4. De rechter beslecht het geschil
● “Lites finire opportet”: geschillen moeten tot een einde komen
● GwH: beëindiging van het geschil door rechtszekerheidsbeginsel (beslechten =
trancher) ≠ oplossen
○ beslechten: 3e hakt knoop door en zegt wie gelijk heeft en wie niet
○ oplossen: 3e van hogere hand legt geen beslissing op zoals minnelijke
schikking
○ niks te maken met verbindende werking van uitspraak
● Finaliteit = geschil wordt beëindigd met een uitkomst die opgelegd wordt aan de
partijen (rechter moet niet vragen of partijen akkoord zijn)
● Gevolgen:
○ Gezag van gewijsde: wat moet rechter B doen als die geconfronteerd
wordt door de uitspraak van rechter A - art. 23-25
○ ≠ Uitputting van de rechtsmacht: rechter heeft uitspraak gedaan en kan
niet nog eens uitspraak doen. Indien er gevraagd wordt nog eens uitspraak
te doen dan moet de rechter weigeren, indien hij toch doet →
machtsoverschrijding - art. 19
○ ≠ Kracht van gewijsde
3
, A. Uitputting van rechtsmacht = dessaisissement
● Eens de rechter een beslissing genomen heeft, kan hij daar in diezelfde
rechtspleging niet meer op terugkomen - Art. 19 lid 1 Ger.W = eindbeslissing
● → Gevolg: dezelfde rechter kan niet meer gevat worden (anders
machtsoverschrijding)
● Exceptie van rechtsmacht is van OO dus rechter moet ook ambtshalve
opwerpen ↔︎gezag van gewijsde is niet van OO en niet ambtshalve!
B. Het gezag van het rechterlijk gewijsde = l’autorité de la chose jugée
● Het effect van de eindbeslissing tav een rechter in een andere rechtspleging
● Ook andere rechters in een andere rechtsplegingen mogen niet terugkomen op
eerdere beslissingen (op VW dat er een rechterlijke beslissing al genomen werd)
● Elke eindbeslissing (die dus een juridisch geschilpunt) beslecht, heeft gezag van
gewijsde - Art. 25
o Geldt ook indien de rechter onbevoegd is (uitz. Art. 660 lid 2) of het in kort
geding is gewezen
● VW: er is al een rechterlijke beslissing genomen
o Anders kunnen de partijen dezelfde vordering of hetzelfde rechtsmiddel 2
keer instellen
● VW: eindbeslissing mag niet (inhoudelijk) tegenstrijdig zijn
● Art. 23 Ger.W: voorwerp = alles waarover de partijen daadwerkelijk de
mogelijkheid hebben gehad om tegenspraak te voeren
● Art. 26: de mogelijkheid dat een rechtsmiddel wordt aangenomen, maakt de
beslissing niet ongedaan, maar stelt wel haar afhankelijk van een daaruit
volgende mogelijke hervorming
Negatief aspect toepassingsvoorwaarden - art. 23
● gevorderde zaak is dezelfde = voorwerp
● de oorzaak is dezelfde ongeacht de ingeroepen rechtsgrond
● tussen dezelfde partijen
● door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid
Exceptie van gewijsde
● Verweer van de partij die zich ertegen verzet dat een rechter ingaat op een
geschilpunt dat al eerder beslecht werd
○ maw: rechter kan niet terugkomen op een rechterlijke beslissing ongeacht
de ingeroepen rechtsgrond
o Indien gegrond: de exceptie leidt tot afwijzing van de vordering wegens
onontvankelijkheid
● Art. 27 Ger. W: in elke stand van het geding (dus ook voor het eerst in HB)
● Enkel voor de feitenrechter en door de partijen opgeworpen worden
o Rechter mag exceptie van gewijsde niet ambtshalve opwerpen (want raakt
de OO niet) ↔︎machtsoverschrijding - art. 19
o Niet voor HvC
4