Vooral de theorie toepassen op casussen op examen!!
Veel open vragen, theorieën kunnen linken
Hoorcollege 1: Wat is gedragsverandering?
Inleiding video:
Alles is altijd aan het veranderen
Agogiek: gaat over mensen die
veranderingen doormaken, helpen
terug grip te geven
1.1 Veranderen en helpen veranderen
● Moeite & onzekerheid versus dynamiek & uitdaging
-> Hoe kijk jij naar verandering? Iedereen kijkt anders naar verandering
- Sommige mensen blijven graag bij 1 dezelfde job/bedrijf
- Andere mensen veranderen om de 3 jaar van job
● Elke verandering stelt eisen!
VB: volgend jaar begint stage, allemaal nieuw plots
● Veranderen heeft twee betekenissen:
1. Zélf veranderen vb. Het weer verandert
2. Dóén veranderen vb. Ik verander de inrichting van mijn kamer
● Het werkwoord ‘veranderen’:
○ Het anders maken: overgankelijk
○ Het anders worden: onovergankelijk
● Beïnvloeding is dagelijks aanwezig!
Vb. communicatie: toeteren, reclameboodschappen, discussies met partner of
vrienden waarin de een de ander probeert te overtuigen…
-> De professionele beïnvloeding van mensen met de bedoeling deze mensen op een of
andere manier beter krijgen.
● Agogiek: de leer van het dóén veranderen van mensen
< Agein (grieks) = voeren of leiden
,1.2 Kenmerken van agogiek:
Algemeen
● Beïnvloeden opdat mensen veranderen
● Veranderen: mensen in verandering
vb. Helpen bij schulden, na burn-out(wake-up call om dingen anders aan te pakken),
werkvoldoening, integratie in de maatschappij na detentie (misdaad gepleegd en
komen terug in de maatschappij)
Chirurgen? Wiskundeleraars? Marketeers?
-> ze veranderen situatie A naar situatie B MAAR geen agogen
Specifiek
Elementen om te begrijpen wat een agoog doet:
1. Het gaat om psychosociale verandering: gedragingen, gedachtes, zelfpercepties van
mensen: hoe je u voelt hangt af van hoe je u gedraagt EN hoe je u gedraagt hangt af van
hoe je u voelt
2. De beïnvloeding vindt beroepsmatig plaats: het moet in een duidelijk kader zijn om de
verandering aan te pakken.
3. De beïnvloeding is doelgericht: niet toevallig; een uitgestippeld plan van verandering
4. De veranderaar werkt systematisch: Hele tijd afstellen, werkt het proces voor de
cliënt?
5. De beïnvloeding vindt bewust plaats: als het onbewust is zijn we mensen aan het
manipuleren; beide partijen moeten op de hoogte zijn van het proces
6. De verandering wordt door de betrokkenen gewenst: valt over te discussiëren; soms
niet uit zichzelf -> een mama geeft aan dat ze een
kind heeft die zich niet gedraagt en het is niet meer
te doen. OF een gedetineerde moet na de
gevangenisstraf veranderen (is niet perse gewenst
door de betrokkene)
7. De beïnvloeding wordt vrijwillig ondergaan:
8. De beïnvloeding is niet wederzijds: Agoog is geen
tweerichtingsverkeer, bij vrienden of familie is er
sprake van wederzijdse beïnvloeding
9. (Het gaat om (jong)volwassenen): als het gaat over
kinderen is het pedagogiek
QUOTE: "Een mens die zich gezien en begrepen voelt, bloeit open en verandert op bijna
magische wijze."
- Roberto Assagioli
Definitie
" De leer van eenzijdige, systematische, doelgerichte, beroepsmatige beïnvloeding die gericht
is op het bereiken van een meer wenselijk geachte psychosociale situatie van volwassenen
(individueel of in onderling verband) die zich van deze beïnvloeding bewust zijn en die deze
situatie ook nastreven"
,1.3 Cliënt
● Cliënt (individu) of cliëntsysteem (meerdere personen), deelnemer, doelgroep <=>
patiënt
○ Gelijkwaardigheid
○ Zelfstandigheid
○ Zelf bereid om verandering teweeg te brengen met steun van hulpverlener
● Patiënt (oudere term, nu niet meer zo)
○ Passief, afhankelijk en onzelfstandig
○ Gepaard met lijden en ongemak
○ Veel verantwoordelijkheid bij hulpverlener -> is niet de bedoeling
1.4 Agogische beroepen en (werk)velden
● Voorbeelden van beroepen:
○ agogie centraal: maatschappelijk werker, mental coach, hulpverlener,
psychotherapeut, mediator, voorlichter (preventiewerker),…
○ agogie als aspect: verpleegkundige, arts, leraar, praktijkbegeleider,...
● Voorbeelden van werkvelden:
○ gezondheidszorg, reclassering, maatschappelijk werk, gezondheidsvoorlichting,
ontwikkelingssamenwerking, jongerenwerk,...
1.5 Psychosociaal veranderen op verschillende niveaus
● Soorten cliëntsystemen
- o.b.v. psychosociaal functioneren
- (!) aspecten van voorgaande niveaus spelen hogerop ook
mee
- Bij verandering is het niet altijd individueel, maar soms
ook populatie
- Als we spreken over een groep geldt hetgene van puntje
1 ook
1. Individuele personen
2. Groepen: gaat over dynamieken van groep
3. Organisaties: organisatorisch dingen veranderen, niet
dynamisch
4. Grotere samenlevingsverbanden
1. één op één-> Hulpvraag over relatiebreuk, kijken waarom die persoon er niet over
geraakt
2. Verzameling van mensen die elkaar kennen; weten wie tot de groep behoort en wie
niet (koppel, gezin, klasgroep) -> ook in de groep ben je nog steed een individu (puntje
1)
3. grotere groep; anoniemer, veel formelere communicatie(sportvereniging, heel de
AP-hogeschool,..)
, 4. heel anonieme groep, onmogelijk om te weten wie er bij hoort en wie niet, groep die
constant in verandering (alle baby’s tussen 0 en 1 jaar, alle links stemmende mensen)
Cliëntsystemen: oefening
Welk cliëntsysteem vind je in de voorbeelden terug?
1. Aanvaarden dat jouw lief eigen keuzes maakt -> Individueel
2. De vaccinatieplicht voor de zorg tijdens de coronapandemie -> grotere
samenlevingsverband
3. Een student neemt zich voor om sneller kritiek te uiten op medestudenten die niet
opletten -> Individueel
4. Een klasgroep die zich voorneemt meer te bewegen -> Groepen
5. Een hogeschool die zorgt voor 'groepscontacten' (studentenraad) -> Organisatie
6. Een koppel dat elkaar meer vrijheid geeft-> Groepen
7. De fusie van Artesis en Plantijn die voor een nieuwe bedrijfscultuur zorgt ->
Organisatie
8. Opkomst van bingedrinking bij jongeren -> Grotere samenlevingsverband
9. Een gezin dat in therapie gaat -> Groepen
10.Bewoners van een paviljoen in een psychiatrisch ziekenhuis maken nieuwe afspraken
over het koken -> Groepen
1.6 Verschillende uitgangspunten, uiteenlopende gevolgen
● Verandering: = het verschil tussen een nieuwe en een oude situatie
- Vervangen (oude situatie omvormen naar iets nieuws)
- Toevoegen (nieuwe kennis op doen, iets toevoegen)
-> toevoegen gaat gemakkelijker zijn want bij vervangen moet je oude
gewoontes afleren
1. Negatieve uitgangssituatie: probleem - oplossing (Dit is het probleem, ik wil het
veranderen)
2. Goede uitgangspositie: streven naar beter/meer (vaardigheid verbeteren,
uitdagingen zoeken)
3. Niet-veranderen is ook veranderen: besluit om alles bij het oude te laten;
Vb: Je bent in een relatie en je bent niet 100% blij, maar je verandert het niet en
je blijft; er is geen verandering maar jij staat wel anders in de relatie
● Incidentele verandering: eenmalig
● Structurele verandering: meer blijvend van aard, blijvende verandering
Welke sorteert het meest effect? STRUCTURELE want vaak zijn incidentele oplossingen
maken het op lange termijn soms erger door een ‘korte oplossing’
VB: in relatie is ruzie, incidentele oplossing is ‘zeg een sorry tegen elkaar’, structurele manier
‘wat maakt het dat je boos wordt op elkaar’
VB: Om arme mensen te helpen in ander land, incidentele oplossing is je stuurt een brood
voorraad (eenmalig), structurele oplossing is graan planten daar