PSYCHODIAGNOSTIEK
Jaar 3 - semester 1 - blok 1
COLLEGE 1
PERSPECTIEVEN OP PSYCHISCHE AANDOENINGEN
Diagnostiek: systematisch en wetenschappelijk onderbouwde manier om na te gaan
wat de beste oplossing zou zijn voor deze specifieke situatie van de cliënt
1) Praktijkwetenschapper: systematische oordeelsvorming, diagnostische cyclus,
hypothesen en toetsing, interpretatie met onzekerheid, transparante
besluitvorming
2) Communicatie & professionaliteit: veilige werkrelatie, gespreksvaardigheden,
afstemming op cliënt, omgaan met kwetsbaarheid
CLASSIFICATIE SYSTEMEN
DSM (door APA) en ICD (door WHO)
Worden breed gebruikt in zorg en onderzoek
Symptoom-gebaseerde categorieën; vastgestelde criteria + classificatie
Classificatie ≠ diagnose, maar slechts een patroon van symptomen
Zorgt voor erkenning, toegang tot zorg, communicatie en onderzoek +
behandeling
Maar, ook voor stigma, overmedicalisering, arbitraire grenzen en contextverlies
Diagnose = symptomen linken en zoeken naar verklaring, zegt iets over
verlies/werkdruk/vermijding/steun
Klinische kernvraag: wat betekent deze classificatie, voor deze persoon, in deze context,
op dit moment?
Alternatieve systemen:
RDoC: focus op processen en biologische/psychologische dimensies
Gebruikt heterogeniteit (“iedereen met x is verschillend), comorbiditeit &
meerdere metingen
Welke dimensies/processen houden de klachten in stand?
6 domeinen: negatieve valentie (reacties op bedreigingen), positieve valentie
(motivatie/beloningsleren), cognitieve systemen (informatieverwerking), sociale
processen (omgang met anderen), arousal/regulatie (slaap/ritme/stress respons) &
sensorimotoriek (neurobiologische mechanismes, o.a. traagheid/remming/agitatie)
Analyse eenheden: genen, cellen, moleculen, fysiologie, zelfrapportage, circuits,
gedrag, paradigma’s
HiTOP: puur empirie gedreven, beschrijft psychopathologie als continue dimensie op
hiërarchische orde van specifieke symptomen tot brede spectra
Tegen arbitraire grenzen (cut off diagnoses), focus op heterogeniteit,
comorbiditeit, instabiliteit (diagnoses kunnen verschuiven terwijl onderliggende
kwetsbaarheden blijven bestaan)
Focust op comorbiditeit zonder losse labels
, Hoe ernstig zijn bepaalde symptoomdimensies?
Spectra:
Internaliserend: distress, angst, somatische/eet gerelateerde klachten
Denkstoornis: psychotische ervaringen, manie, desorganisatie
Detachment: sociale terugtrekking, lage positieve emotionaliteit
Disinhibited externalizing: impulsiviteit, middelen, risicogedrag
Antagonistic externalizing: vijandigheid, manipulatie, agressie
Somatoform: lichamelijke klachten en gezondheidsangst
HiTOP beschrijft patronen van samen voorkomen; voor mechanismes heb je aanvullende
theorie nodig
Netwerk: kijken naar psychopathologie als symptomen die elkaar wederzijds
versterken; dynamisch systeem wat zorgt voor in stand houding van
psychopathologie
Gebruikt comorbiditeit, heterogeniteit, instandhouding en interventiedoelen
(behandeling kan richten op
knooppunten/bruggen/feedbacklussen)
Knoop: een symptoom, klacht, gedrag of
contextfactor
Dikte: sterkere samenhang of sterkere geschatte
verbinding
Pad: verband tussen twee onderdelen, positief of
negatief
Richting: alleen bij longitudinale of theoretische
causaliteit
Centrale klacht: klacht met veel of sterke
verbindingen met andere klachten (maar is niet altijd causaal)
Brugsymptoom: klacht die verschillende probleemclusters met elkaar
verbindt, kan relevant zijn bij comorbiditeit
Feedback lus: klachten die elkaar wederkerig versterken en in stand houden
> doel is deze vicieuze cirkel doorbreken
Sterktes: casusformulering, transdiagnostisch denken, zicht op vicieuze cirkels,
idiografische hypothesen, behandeling monitoren over tijd
, Zwaktes: centrale klacht ≠ oorzaak, groepsnetwerk ≠ clientnetwerk, correlatie ≠
causaliteit, meetfouten & itemkeuze sturen netwerk, netwerk vervangt niet
classificatie
Patroondiagnostiek: welke interacties houden het probleem in stand?
behandelen als conceptueel artefact: bruikbaar maar met ontwerpfouten
Waardevolle functies behouden: erkenning lijden/inspanning, begrijpelijke
verklaring, evidence-informed behandeladvies, gespecialiseerde zorg, meten en
evalueren
Ontwerpfouten verminderen: stigma/pathologiseren, complexe problemen
individualiseren, reïficatie (stoornis als “ding”), zwakke externe validiteit van
syndromen
Factoren (biopsychosociaal) interactie (feedback/context/tijd) patroon
vastlopen = probleem
waar kunnen we het patroon het beste doorbreken?
COLLEGE 2
DIAGNOSTISCHE INSTRUMENTEN
Prestatietaken: maximum performance > vertekening door
testangst/motivatie/vermoeidheid
Zelfrapportage: gestandaardiseerde vragenlijsten > vertekening door sociale
wenselijkheid/ concentratie/ (zelf)inzicht/taal
Observatie: gedrag in context
Ongestructureerd: interpreteren gedrag
(mimiek/lichaamshouding/stemvolume/ademhaling)
Gestructureerd: vastleggen welk gedrag en aspecten
(intensiteit/frequentie/duur)
Direct vs. indirect
Zelfmonitoring
Interviews: auto- en heteroanamnese, ongestructureerd of gestructureerd
biografische gegevens, details problematiek, opvoeding/ontwikkeling,
omstandigheden
INTELLIGENTIE
= vermogen tot inzicht & begrip van dagelijks leven, adaptatie aan veranderende
omgeving
nadruk op complex redeneren/plannen/probleemoplossing/abstract
denken/snelheid leren
Heeft niets te maken met creativiteit/karakter/persoonlijkheid
Theorieën:
Spearman’s twee-factoren theorie: paste factoranalyse toe op cognitieve taken
Testprestatie = algemene factor G + specifieke factor S
Positive manifold: cognitieve taken correleren doorgaans positief (empirische
basis voor G)
Indifference of indicator: verschillende sets van taken kunnen dezelfde
algemene factor behandelen, zolang taken cognitief divers zijn.
Jaar 3 - semester 1 - blok 1
COLLEGE 1
PERSPECTIEVEN OP PSYCHISCHE AANDOENINGEN
Diagnostiek: systematisch en wetenschappelijk onderbouwde manier om na te gaan
wat de beste oplossing zou zijn voor deze specifieke situatie van de cliënt
1) Praktijkwetenschapper: systematische oordeelsvorming, diagnostische cyclus,
hypothesen en toetsing, interpretatie met onzekerheid, transparante
besluitvorming
2) Communicatie & professionaliteit: veilige werkrelatie, gespreksvaardigheden,
afstemming op cliënt, omgaan met kwetsbaarheid
CLASSIFICATIE SYSTEMEN
DSM (door APA) en ICD (door WHO)
Worden breed gebruikt in zorg en onderzoek
Symptoom-gebaseerde categorieën; vastgestelde criteria + classificatie
Classificatie ≠ diagnose, maar slechts een patroon van symptomen
Zorgt voor erkenning, toegang tot zorg, communicatie en onderzoek +
behandeling
Maar, ook voor stigma, overmedicalisering, arbitraire grenzen en contextverlies
Diagnose = symptomen linken en zoeken naar verklaring, zegt iets over
verlies/werkdruk/vermijding/steun
Klinische kernvraag: wat betekent deze classificatie, voor deze persoon, in deze context,
op dit moment?
Alternatieve systemen:
RDoC: focus op processen en biologische/psychologische dimensies
Gebruikt heterogeniteit (“iedereen met x is verschillend), comorbiditeit &
meerdere metingen
Welke dimensies/processen houden de klachten in stand?
6 domeinen: negatieve valentie (reacties op bedreigingen), positieve valentie
(motivatie/beloningsleren), cognitieve systemen (informatieverwerking), sociale
processen (omgang met anderen), arousal/regulatie (slaap/ritme/stress respons) &
sensorimotoriek (neurobiologische mechanismes, o.a. traagheid/remming/agitatie)
Analyse eenheden: genen, cellen, moleculen, fysiologie, zelfrapportage, circuits,
gedrag, paradigma’s
HiTOP: puur empirie gedreven, beschrijft psychopathologie als continue dimensie op
hiërarchische orde van specifieke symptomen tot brede spectra
Tegen arbitraire grenzen (cut off diagnoses), focus op heterogeniteit,
comorbiditeit, instabiliteit (diagnoses kunnen verschuiven terwijl onderliggende
kwetsbaarheden blijven bestaan)
Focust op comorbiditeit zonder losse labels
, Hoe ernstig zijn bepaalde symptoomdimensies?
Spectra:
Internaliserend: distress, angst, somatische/eet gerelateerde klachten
Denkstoornis: psychotische ervaringen, manie, desorganisatie
Detachment: sociale terugtrekking, lage positieve emotionaliteit
Disinhibited externalizing: impulsiviteit, middelen, risicogedrag
Antagonistic externalizing: vijandigheid, manipulatie, agressie
Somatoform: lichamelijke klachten en gezondheidsangst
HiTOP beschrijft patronen van samen voorkomen; voor mechanismes heb je aanvullende
theorie nodig
Netwerk: kijken naar psychopathologie als symptomen die elkaar wederzijds
versterken; dynamisch systeem wat zorgt voor in stand houding van
psychopathologie
Gebruikt comorbiditeit, heterogeniteit, instandhouding en interventiedoelen
(behandeling kan richten op
knooppunten/bruggen/feedbacklussen)
Knoop: een symptoom, klacht, gedrag of
contextfactor
Dikte: sterkere samenhang of sterkere geschatte
verbinding
Pad: verband tussen twee onderdelen, positief of
negatief
Richting: alleen bij longitudinale of theoretische
causaliteit
Centrale klacht: klacht met veel of sterke
verbindingen met andere klachten (maar is niet altijd causaal)
Brugsymptoom: klacht die verschillende probleemclusters met elkaar
verbindt, kan relevant zijn bij comorbiditeit
Feedback lus: klachten die elkaar wederkerig versterken en in stand houden
> doel is deze vicieuze cirkel doorbreken
Sterktes: casusformulering, transdiagnostisch denken, zicht op vicieuze cirkels,
idiografische hypothesen, behandeling monitoren over tijd
, Zwaktes: centrale klacht ≠ oorzaak, groepsnetwerk ≠ clientnetwerk, correlatie ≠
causaliteit, meetfouten & itemkeuze sturen netwerk, netwerk vervangt niet
classificatie
Patroondiagnostiek: welke interacties houden het probleem in stand?
behandelen als conceptueel artefact: bruikbaar maar met ontwerpfouten
Waardevolle functies behouden: erkenning lijden/inspanning, begrijpelijke
verklaring, evidence-informed behandeladvies, gespecialiseerde zorg, meten en
evalueren
Ontwerpfouten verminderen: stigma/pathologiseren, complexe problemen
individualiseren, reïficatie (stoornis als “ding”), zwakke externe validiteit van
syndromen
Factoren (biopsychosociaal) interactie (feedback/context/tijd) patroon
vastlopen = probleem
waar kunnen we het patroon het beste doorbreken?
COLLEGE 2
DIAGNOSTISCHE INSTRUMENTEN
Prestatietaken: maximum performance > vertekening door
testangst/motivatie/vermoeidheid
Zelfrapportage: gestandaardiseerde vragenlijsten > vertekening door sociale
wenselijkheid/ concentratie/ (zelf)inzicht/taal
Observatie: gedrag in context
Ongestructureerd: interpreteren gedrag
(mimiek/lichaamshouding/stemvolume/ademhaling)
Gestructureerd: vastleggen welk gedrag en aspecten
(intensiteit/frequentie/duur)
Direct vs. indirect
Zelfmonitoring
Interviews: auto- en heteroanamnese, ongestructureerd of gestructureerd
biografische gegevens, details problematiek, opvoeding/ontwikkeling,
omstandigheden
INTELLIGENTIE
= vermogen tot inzicht & begrip van dagelijks leven, adaptatie aan veranderende
omgeving
nadruk op complex redeneren/plannen/probleemoplossing/abstract
denken/snelheid leren
Heeft niets te maken met creativiteit/karakter/persoonlijkheid
Theorieën:
Spearman’s twee-factoren theorie: paste factoranalyse toe op cognitieve taken
Testprestatie = algemene factor G + specifieke factor S
Positive manifold: cognitieve taken correleren doorgaans positief (empirische
basis voor G)
Indifference of indicator: verschillende sets van taken kunnen dezelfde
algemene factor behandelen, zolang taken cognitief divers zijn.