het immuunsysteem
In les 1 hebben we de kapstok gelegd. Nu bouwen we daarop verder. Belangrijk is dat niet
alles wat met de immuunrespons (IR) te maken heeft op dezelfde plek gebeurt. Elke plaats
en elke cel heeft zijn eigen rol.
De lymfoïde organen
De primaire lymfoïde organen zijn de plaatsen waar lymfocyten ontstaan en rijpen. In
het beenmerg (BM) zitten de CD34⁺ hematopoëtische stamcellen (HSC), waaruit alle
bloedcellen ontstaan. Daar ontstaan ook de B-cellen, en ze rijpen er. In de thymus rijpen de
T-cellen. Ze leren er het onderscheid tussen eigen en vreemd en leren praten met de APC.
Een prothymocyt verlaat het beenmerg en wordt in de thymus een thymocyt.
De secundaire lymfoïde organen zijn de lymfeknopen (LK), de milt en het MALT. Hier komen
verworven immuunresponsen tot stand. Antigeen (AG) wordt er verzameld, en de T- en B-
cellen die dat antigeen vreemd vinden, komen er ook toe. Hier vinden de eerste en de
tweede immunologische synaps plaats. In deze organen zit ook de folliculaire DC. Die heeft
met de B-cel te maken en is geen APC.
Van stamcel tot immuuncel
De CD34⁺ multipotente humane stamcel kan twee kanten op. De CMP (common myeloid
progenitor) geeft aanleiding tot granulocyten, monocyten, megakaryocyten en erytrocyten.
De CLP (common lymphoid progenitor) geeft aanleiding tot T- en B-cellen, NK-cellen en ILC's
(innate lymfoïde cellen). Stamcellen herken je aan CD34, en je weet dat ze in deze twee
lijnen kunnen uitgaan: CMP en CLP.
Lymfocyten recirculeren. De overgrote meerderheid herkent het antigeen niet en blijft
rondgaan. Wie het antigeen wel herkent, expandeert snel klonaal. Tijdens die respons wordt
ook het innate systeem beter, doordat het beter communiceert met het adaptieve systeem.
Klinisch tellen we de leukocyten in het perifere bloed. Neutrofielen zijn daarbij het
belangrijkst. Het perifere bloed is hun belangrijkste voorraad, want in gezond weefsel zitten
ze niet door hun giftigheid.
Macrofagen, monocyten en dendritische cellen
Monocyten komen uit het beenmerg. Het macrofaag (MF) is het eindstadium en bereikt dat
pas bij het target, dus het is weefselspecifiek. Granulocyten doen fagocytose en
degranulatie. DC's hebben meestal een monocytaire oorsprong en zitten vooral in de
secundaire lymfoïde organen.
, Monocytaire cellen produceren cytokines zoals IL-1, IL-6, TNF-α en IL-8. Ze herkennen
patronen en zijn te identificeren via CD14. Antigeenpresentatie gebeurt dan aan een
effector-T-cel of een geheugen T-lymfocyt, in de secundaire lymfoïde organen.
Presentatie gebeurt via MHC-moleculen. Alle somatische cellen hebben MHC I (erythrocyten
en geslachtscellen zijn een uitzondering), en daarmee praten ze met cytotoxische T-cellen.
Alle cellen die ook APC zijn, hebben bovendien MHC II, en daarmee praten ze met Th-cellen
of Treg's (regulerende T-cellen).
Een macrofaag doet dus fagocytose via PRR-PAMP-herkenning en opsonisatie, werkt als APC
en start de ontsteking met pro-inflammatoire cytokines en chemokines en met degranulatie.
Daarna zorgt hij voor herstel.
Patroonherkenning
Alle cellen van het innate systeem hebben patroonherkenningsreceptoren (PRR's), maar de
soorten verschillen. Ze herkennen goed bewaarde moleculaire patronen, de PAMPs, die in
pathogenen zitten. Gestrest epitheel geeft DAMPs (Danger Associated Molecular Patterns) af.
Wat een PRR doet, hangt af van de plaats. Op het membraan leidt herkenning tot fagocytose
(endocytose). De receptoren kunnen ook in het cytoplasma of in het endosoommembraan
zitten, en elke plaats heeft een andere functie. Via sommige receptoren wordt een bepaald
verdedigingstype (effectortype) opgestart. De tussenstappen hoef je niet te kennen.
De gevolgen van PRR-herkenning zijn endocytose en degranulatie. Heeft een macrofaag met
een virus te maken, dan maakt hij interferonen (IFN's). T-cellen geven informatie aan
macrofagen, die dan MHC II opzetten (gereguleerd). Dit is communicatie.
Soorten PAMPs en DAMPs sturen een cel in een bepaalde richting. Het type geeft aanleiding
tot productie van Th1, Th2 of een regulatoire factor (Treg).
Let op het verschil tussen niet-specifieke en specifieke herkenning (!). Aangeboren
herkenning is patroonherkenning en is maar beperkt specifiek. Alle gramnegatieve bacteriën
hebben bijvoorbeeld LPS, en alles met LPS wordt aangepakt. Er is geen onderscheid en geen
variatie, want er is geen recombinatie. Verworven herkenning is AG-epitoopherkenning. Die
maakt wél onderscheid tussen eigen en vreemd en heeft veel variatie. Bij B-cellen komt dat
door genherschikking en somatische hypermutatie, die veel mogelijkheden geven.
Complement hebben we besproken als opsonine voor fagocyten. Het innate systeem wordt
geholpen door het verworven systeem, dus de communicatie is reciprook. Zo verbetert de
macrofaag zijn eigen fagocytose onder invloed van IFN-γ, afkomstig van NK-cellen en Th-
cellen.
Inductie van de ontsteking