1. Gemiddelde
Het gemiddelde bereken je door:
alle waarden optellen ÷ aantal waarden
Voorbeeld:
4 + 6 + 8 = 18
18 ÷ 3 = 6
2. Mediaan
De mediaan = de middelste waarde nadat je de getallen van klein naar
groot hebt gezet.
Voorbeeld:
2 – 4 – 7 – 9 – 12
Mediaan = 7
Bij een even aantal waarden neem je het gemiddelde van de twee
middelste waarden.
3. Modus
De modus = de waarde die het vaakst voorkomt.
Voorbeeld:
2–3–3–4–5
Modus = 3
4. Spreidingsbreedte
Spreidingsbreedte = grootste waarde - kleinste waarde
Voorbeeld:
2 – 4 – 7 – 10
10 - 2 = 8
5. Kans
Een kans ligt tussen:
0 en 1
of: