1. Present Simple
Gebruik je voor:
gewoontes
feiten
dingen die regelmatig gebeuren
Voorbeeld:
I go to school every day.
Signaalwoorden:
always
usually
often
sometimes
never
2. Present Continuous
Gebruik je voor iets dat nu bezig is.
am/is/are + -ing
Voorbeeld:
I am studying now.
Signaalwoorden:
now
at the moment
currently
3. Past Simple
Gebruik je voor een gebeurtenis die afgelopen is in het verleden.
Voorbeeld:
I visited London last year.
Signaalwoorden:
yesterday
last week