Periode 1, master Strafrecht UU
2025-2026
,Week 1 (week 37)
Inleiding: recapitulatie het EVRM, het EHRM, de EU: centrale concepten, legaliteit
Literatuur
Naslag: Corstens/Borgers/Kooijmans (10e druk): HI, HII en HIII
Literatuur
- M.J.J.P. Luchtman & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Het Nederlandse strafrecht in de ban van het Unierecht’, AA 2018, p. 873-8
- Case-processing flowchart EHRM (via: https://www.echr.coe.int/Documents/Case_processing_Court_ENG.pdf)
- B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2024, hoofdstuk 3 (p. 67-108)
- E. Gijselaar, Positieve verplichtingen en aansprakelijkheid (diss. Utrecht), Utrecht, Universiteit Utrecht 2021 (NB: Lees
passages die voor strafrechtelijke procedures van belang zijn (m.n. dus de hieronder aangegeven paragrafen)).
o H2, §4 Positieve verplichtingen op grond van artikel 2 EVRM: §4.1 - § 4.3.2.4 (p. 32-37), §4.4.4 (p. 43-44), §4.5
44-50)
o H2, §5 Positieve verplichtingen op grond van artikel 3 EVRM: §5.1 - § 5.3.2.3 (p. 50-54), §5.4.4 (p. 57-58), §5.5
58-53)
o H4, §6 Vervolging (p. 243 e.v.)
Jurisprudentie
Thema 1. Politieverhoor
- EHRM 13 september 2016, NBSTRAF 2016/209 m.nt. J. Boksem (Ibrahim e.a. t. VK) (alleen §254 en §274)
Thema 6. Criminal Charge
- EHRM 23 november 2006, EHRC 2007, 31, m.nt. Alberts (Jussila t. Finland) (§29-§31))
Thema 8. Controle- en opsporingsbevoegdheden en het recht op privacy (art. 8 EVRM)
- EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180, m.nt. Schalken (Khan t. Verenigd Koninkrijk) (§34-§40)
- EHRM 10 maart 2009, EHRC 2009, 69, m.nt. Ölcer (Bykov t. Rusland) (alleen § 74-77, 81-84, 87-91, 97-98.
- EHRM 12 januari 2010, EHRC 2010, 30, m.nt. Sasse van IJsselt (Gillan & Quinton t. Verenigd Koninkrijk) (§76-§87))
Thema 12. Verdragsschendingen en rechtsgevolgen of: ‘processuele sancties’ na verdragsschendingen
- EHRM 1 juni 2010, NJ 2010, 628, m.nt. Buruma (Gäfgen t. Duitsland) (§§ 115- 130)
Hoorcollege 1 (8 september 2025)
Strafprocesrecht
Tijdens het eerste hoorcollege van het vak Strafprocesrecht werd begonnen met een
recapitulatie van de belangrijkste leerstukken uit de bachelorfase. Daarbij kwamen het EVRM
(Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) en het EHRM (Europees Hof voor de
Rechten van de Mens) aan bod. Essentiële thema’s die hierbij aan de orde kwamen zijn onder
meer de strafvorderlijke legaliteit, het recht op een eerlijk proces en de positieve verplichtingen
die uit het EVRM voortvloeien. Er werd benadrukt dat de interpretatie van EHRM-jurisprudentie
vaak doorslaggevend is voor de uitleg van deze rechten. Ook werd verwezen naar het EU-
Handvest voor de Grondrechten, dat naast het EVRM een belangrijke bron is voor procedurele
waarborgen.
Materieel en formeel strafrecht
Het materiële strafrecht bevat de regels die bepalen welk gedrag strafbaar is en welke straffen
of maatregelen opgelegd kunnen worden. Centraal staan hier het legaliteitsbeginsel (artikel 1
Sr), de delictsomschrijvingen, regels over daderschap en deelneming, bepalingen inzake
poging en voorbereiding, en de strafuitsluitingsgronden. Ook de mogelijke sancties,
bestaande uit straffen en maatregelen, maken deel uit van dit rechtsgebied.
Het formele strafrecht, ook wel strafprocesrecht genoemd, bevat de regels voor de toepassing
van het materiële strafrecht. Het regelt het instrumentarium en de procedures die nodig zijn om
strafbare feiten op te sporen, te vervolgen en te berechten. Kernbepalingen hierbij zijn de
artikelen 348-350 Sv, die de systematiek van de strafzaak aan de rechter voorschrijven.
Rechtspraak en procedure in Nederland
Een kenmerk van het Nederlandse strafprocesrecht is dat er geen lekenparticipatie bestaat:
zaken worden uitsluitend beoordeeld door professionele rechters. Bovendien wordt een groot
deel van de strafzaken buitengerechtelijk afgedaan, bijvoorbeeld door middel van
strafbeschikkingen die door het Openbaar Ministerie worden opgelegd (meer
achtergrondinformatie is dit).
2
,Artikel 350 Sv bepaalt dat de rechtbank beraadslaagt op grondslag van de tenlastelegging en
naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij moet zij achtereenvolgens nagaan:
1. Of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan.
2. Welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; indien wordt
aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt de rechtbank over:
3. Of de verdachte strafbaar is.
4. Welke straf of maatregel opgelegd moet worden.
Algemene uitgangspunten van het straf(proces)recht
Het strafrecht en strafprocesrecht hebben een dubbele beschermingsfunctie.
- Enerzijds beogen zij de samenleving te beschermen tegen (dreiging van) criminaliteit
door opsporing, vervolging en berechting – dit wordt aangeduid met het begrip
instrumentaliteit.
- Anderzijds moeten zij bescherming bieden tegen ongerechtvaardigde inbreuken op
individuele rechten en vrijheden van burgers – dit aspect wordt rechtsbescherming
genoemd.
Deze spanning tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming loopt als een rode draad door het
strafprocesrecht. Dit veronderstelt:
- Waarheidsvinding, maar ook:
- Zorgvuldige procedure waarin de rechten van zowel de verdachte als andere
betrokkenen, zoals slachtoffers en getuigen, worden gerespecteerd (zie bv het arrest
Ibrahim t. Verenigd Koninkrijk)
Nationaal strafprocesrecht, EVRM & EU
Het strafprocesrecht vervult meerdere functies. Allereerst zorgt het voor (1) sanctionering van
wederrechtelijk gedrag: via waarheidsvinding en met het oog op strafdoelen wordt onderzocht
of een verdachte het feit heeft begaan en welke reactie passend is. Die waarheidsvinding vereist
(2) strafprocessuele bevoegdheden voor opsporing, vervolging en berechting. Tegelijkertijd zijn
die bevoegdheden in een rechtsstaat (3) niet onbeperkt: rechtswaarborgen markeren de
grenzen. Het systeem streeft dus voortdurend naar evenwicht tussen instrumenten om
criminaliteit te bestrijden en rechtsbescherming voor burgers.
Bronnen op nationaal niveau
Op nationaal niveau is artikel 1 Sv het uitgangspunt van strafvorderlijke legaliteit:
strafvordering heeft alleen plaats “op de wijze bij de wet voorzien.” Dit uitgangspunt geldt
eveneens voor bijzondere wetten. Omdat Nederland een monistisch stelsel kent, maken ook
internationale verdragen deel uit van het Nederlandse recht; relevante grondwetsbepalingen zijn
art. 93 en 94 Gw (doorwerking en voorrang van eenieder verbindende bepalingen). De
jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM is cruciaal voor de dagelijkse invulling van het
strafprocesrecht.
Internationale kaders
Internationaal spelen twee kaders een centrale rol. Binnen de Raad van Europa gaat het om het
EVRM en de Straatsburgse jurisprudentie van het EHRM. Binnen de Europese Unie zijn de
EU-verdragen, het EU-Handvest van de Grondrechten en de rechtspraak van het Hof van
Justitie (HvJ EU) relevant. EU-richtlijnen beïnvloeden het nationale strafprocesrecht steeds
vaker, bijvoorbeeld op het terrein van procedurele rechten van verdachten en
gegevensbescherming.
Belangrijke actoren en procesdeelnemers
De verdachte (art. 27 Sv e.v.) staat centraal, met tal van rechten. Het slachtoffer (art. 51a Sv e.v.)
heeft tegenwoordig een grotere rol, onder meer via spreekrecht en mogelijkheden tot
schadevergoeding. Zowel verdachte als slachtoffer kan zich laten bijstaan door een raadsman.
Aan de vervolgingskant staan de officier van justitie en de politie. In de onderzoeksfase speelt de
rechter-commissaris een controlerende en toezichthoudende rol. De berechting vindt plaats door
de rechtbank, bijvoorbeeld in een politierechter- of meervoudige kamer-samenstelling.
3