ALGEMEEN
Convex-/concaafregel:
- Een beweging van de convexe gewrichtspartner ten opzichte van de
gefixeerde concave partner bestaat altijd uit een gecombineerde
rol/glijbeweging met tegengestelde bewegingsrichting
- Een beweging van de concave ten opzichte van de gefixeerde
convexe gewrichtspartner bestaat uit een rol/glijbeweging met
dezelfde bewegingsrichting
Scharniergewricht = art. ginglymus (a)
Draaiverbinding = art trochoidea (b)
Kogelgewricht = art. sphaeroidea (c)
Eigewricht = art. ellipsoidea (d)
Vlakke verbinding = art. plana (e)
Zadelgewricht = art. sellaris (f)
Maximally close-packed position (MCPP) = wanneer de articulerende
gewrichtspartners de maximale congruentie hebben bereikt (het
contactoppervlak is maximaal) en maximale kapsuloligamentaire spanning
ontstaat
Klinisch nut: mobilisatie/manipulatie na vergrendeling van
omliggend(e) gewricht(en)
Maximally loose-packed position (MLPP) = de stand waarin de
gewrichtsruimte in het gewricht het grootst is, de ruststand, de
‘makkelijkste’ positie
Klinisch nut: tractie-translatie bewegingen
,BOVENSTE LIDMAAT: SCHOUDER
4 gewrichten:
- Glenohumeraal (GH)
- Sternoclaviculair (SC)
- Acromioclaviculair (AC)
- Scapulathoracaal (ST)
Art. glenohumeralis / articulatie humeralis
Proximale gewrichtspartner: cavitas glenoidalis scapulae
concaaf
lateraal, ventraal, craniaal
Distale gewrichtspartner: humeruskop
kop 130° geïnclineerd t.o.v. de diafyse en 30° dorsaalwaarts
convex
mediaal, dorsaal, craniaal
=> tegengestelde rol/glij-beweging
BIOMECHANISCHE FACTOREN VERANTWOORDELIJK VOOR BEHOUD
VAN STABILITEIT
Cavitas glenoidalis is te weinig concaaf en te klein om volledig congruent
te zijn met de humeruskop wordt opgevangen door gewrichtskapsel,
labrum, rotatorcuff en lange koppen van m. biceps en triceps brachii
Gewrichtsvlakken: een kleiner articulerend gewrichtsoppervlak of een
niet-congruente oriëntatie van de gewrichtsoppervlakten leidt tot
instabiliteit
- MCPP: maximale abductie en maximale exorotatie
- MLPP: 60 abductie en 60° anteflexie
Labrum: vergroting van het gewrichtsoppervlak en insertieplaats voor
rotatorcuffspieren
- Bankart laesie: scheur t.h.v. het anterieur deel van het labrum
(bijna altijd antero-inferieur)
- Hill-Sachs laesie: schouderluxatie gepaard met impactiefractuur
van de humeruskop aan de dorsale zijde
- Bennett laesie: scheur t.h.v. het postero-inferieure deel van het
labrum
, Gewrichtskapsel: is dun en met variabele insertieplaatsen die meer of
minder stabiliteit bieden, het speelt geen dominante rol bij behoud van de
stabiliteit
- Intra-articulaire verstevigingen: lig. superius, lig. medium en lig.
inferius (anterieur)
- Extra-articulaire verstevigingen: insertiepees m. subscapularis
(anterieur) en pezen van m. teres minor en m. infraspinatus
(posterieur)
Rotatorcuff: m. subscapularis, m. supraspinatus, m. infraspinatus en m.
teres minor (ondersteund door m. deltoideus, m. pectoralis major en lange
koppen m. biceps en triceps brachii)
- M. subscapularis
o O: fossa subscapularis scapulae
o I: tuberculum minus (gewrichtskapsel)
o F: endorotatie en stabilisatie
- M. supraspinatus
o O: fossa supraspinata
o I: tuberculum majus (bovenste facet, langs craniaal)
o F: abductie en stabilisatie
- M. infraspinatus
o O: fossa infraspinata
o I: tuberculum majus (middelste facet, langs dorsaal)
o F: exorotatie en stabilisatie
- M. teres minor
o O: margo lateralis van de scapula (craniale helft)
o I: tuberculum majus (onderste facet, langs dorsaal)
o F: exorotatie, zwakke adductie en stabilisatie
- Verantwoordelijk voor de glijcomponent tijdens bewegen en de juiste
positionering van het caput humeri t.o.v. de cavitas glenoidalis
Anteflexie en retroflexie: zuivere rotatiebewegingen van de
humeruskop t.o.v. de scapula met als as de loodlijn in het raakvlak van de
facies articularis scapulae
Anteflexie en retroflexie wijken zo dus af van het sagittale vlak indien
wel uitgevoerd in sagittale vlak, zit bij de anteflexie nog een kleine
abductie- en exorotatiecomponent en bij retroflexie nog een kleine
adductie- en endorotatiecomponent
Tijdens beide bewegingen speelt het lig. coracohumerale (tussen proc.
coracoideus en tub. majus) een geleidende en stabiliserende rol