1.Speltheorie
- Dominante strategie: strategie die je kiest ongeacht de keuze van de andere, hier
dus niet want als Carly kiest vr opera moet Freddy ook vr de opera kiezen en
omgekeerd.
- Evenwicht in dominante strategieën: beide spelers kiezen vr hun dominante
strategie
- Nash evenwicht: een combinatie van strategieën waarbij geen enkele speler de
intentie heeft zijn strategie te wijzigen, gegeven de strategie van de andere speler.
Dus dit betekent dat elke speler de beste keuze heeft gemaakt gezien de strategie
van de andere.
(je checkt dus gwn voor een vak of geen van beide wilt veranderen, even goede
uitkomst is ook een nash evenwicht)
Bijvoorbeeld vanuit Carly haar perspectief, als Freddy kiest om nr de voetbal te gaan
(hij mag niet ineens veranderen van strategie) dan kiest zij het beste ook nr de
voetbal te gaan.
- Als Carly kiest vr voetbal, kiest Freddy ook best vr voetbal → Nash evenwicht
Dominante strategie ⇒ Nash evenwicht
,Nash evenwicht ⇏ Dominante strategie
2. Productie en welvaart
- Productiemogelijkhedencurve (PMC): curve die alle maximale
productiemogelijkheden toont.
- Opportuniteitskost: hoeveel middelen je van 1 goed moet opgeven om een ander
goed te maken.
PMC is in natuurlijke vorm concaaf → opportuniteitskost neem toe
PMC is uitzonderlijk lineair → opportuniteitskost blijft constant
- Absoluut voordeel in productie: een land heeft minder middelen nodig voor het
maken van alle goederen dan een ander land.
Bv: opportuniteitskost van Portugal = 9/8 want het kost Portugal 9/8 wijn om 1 extra textiel te
maken.
,Stel de landen hebben 360.000 werkuren:
Helling van de curve = opportuniteitskost
- Comparatief voordeel: een land heeft een comparatief voordeel over een ander
land over een goed als de opportuniteitskost van dat goed in dat land lager is dan in
dat van het andere land. Het land dat een comparatief voordeel heeft zal zich daar in
specialiseren.
Consumptiemogelijkheden
Als landen zich specialiseren maar ze willen ook een ander goed consumeren moeten ze
aan ruilhandel doen.
- Ruilvoet: Hoeveel je van een goed vraagt om een ander goed af te geven.
, CMC = consumptiemogelijkheden curve
Helling = ruilvoet