• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 37 pages
Summary

Samenvatting deeltentamen 1 | MCOS | UvA | 2026/2027

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 37 pages

De samenvatting bevat zowel de hoorcollege aantekeningen als boek aantekeningen voor deeltentamen 1. Ik heb voor dit tentamen een 9,1 gehaald met het leren van deze samenvatting.

Content preview

MCOS - hoorcollege week 1 (1) -
“Methoden van communicatiewetenschappelijk onderzoek en statistiek”

Doel van wetenschap is het creëren van ware kennis en ‘onware’ kennis als zodanig te ontmaskeren.
Dit kan alleen via goed onderzoek > MCOS.
Communicatiewetenschappers onderzoeken de inhoud, toepassing en gevolgen van media en
communicatie. Het kan allerlei aspecten van media bevatten (corporate communication, youth &
media entertainment, persuasive communication, political communication & journalism).


Wetenschap:
(1) Wetenschappelijke kennis: kennis die vergaard is via duidelijk omschreven regels/principes,
anders dan alledaagse kennis (intuïtie/geloof, consensus, autoriteit, causale observatie,
tenacity/gewoonte!).
(2) Proces: wetenschap = systematisch (we bedoelen hiermee het proces zelf, ook dat we conclusies
trekken over meerdere systematisch gemaakte waarnemingen en ook het systematisch
samenvoegen van kennis uit onderzoeken (om patronen te zien). Proces van vergaring van
theoretische kennis door middel van observatie.
(3) gemeenschap: iedereen die zich bezighoudt met wetenschap.

Wetenschappelijke kennis is ‘ware kennis’ als:
1. Empirisme = het doen van uitspraken, die uiteindelijk toetsbaar zijn dmv waarnemingen.
2 Objectief = bevindingen mogen nooit persoonsgebonden zijn, het maakt niet uit wie het
onderzoek doet> Er mag geen ruimte zijn voor subjectieve interpretatie en moet vrij van
belangen zijn.
3. Falsificeerbaar = op zoek naar tegenbewijs, het moet mogelijk zijn om dingen waar te nemen
die het tegendeel bewijzen. (Karl Popper)
4. Repliceerbaar = je moet het nog een keer kunnen vinden, als ik een studie herhaal onder
precies dezelfde omstandigheden zou ik precies dezelfde resultaten moeten krijgen.
5. Transparant en openbaar = het moet volledig duidelijk zijn wat en hoe er onderzoek wordt
gedaan en deze informatie moet voor iedereen toegankelijk zijn (zodat onware kennis kan
worden ontmaskerd).
6. Logisch consistent/intern coherent = consistent in ideeën, verwachtingen en conclusies
(houd vast aan de ideeën waar je je onderzoek mee start).
7. Nooit ‘af’, resultaten zijn dus altijd voorlopig > “Resultaten geven steun, maar zijn geen
bewijs”.

Lees en beoordeel onderzoeken zelf: wetenschapper.


De empirische cyclus:
1 Observatie: uit een waarneming ontstaat een onderzoeksvraag
2. Inductie: de fase waarin de onderzoekshypothese (voorlopig
antwoord op onderzoeksvraag gebaseerd uit eerder onderzoek)
opgesteld wordt, heet de inductiefase waarbij van het
bijzondere/specifieke (een beperkt aantal waarnemingen) naar een
algemeen geldende theorie (onderzoekshypothese) gegaan wordt.
In alle gevallen geldend. Van specifiek > algemeen. Vanuit
observatie induceer je een bepaalde theorie.

, 3. Deductie: op basis van de onderzoekshypothese wordt een onderzoek opgezet dat de
hypothese kan testen. Gegeven de hypothese, worden dan bepaalde resultaten uit het
onderzoek verwacht. De resultaten die verwacht worden, worden samengevat tot de
voorspelling, en hiermee kan de onderzoekshypothese bevestigd of verworpen worden.
De fase waarin van een algemene onderzoekshypothese naar een specifiekere voorspelling
gegaan wordt, is de deductiefase. Van algemeen > specifiek. (Theorie > specificeren >
hypothese). Op dit punt hebben we een onderzoeksvraag en een hypothese!
4. Toetsing: in de toetsingsfase wordt nagegaan of de resultaten van het experiment
overeenkomen met de voorspellingen. Deze fase bestaat in de wetenschap uit het uitvoeren
van onderzoek door middel van een experiment of door middel van analyse van bestaande
data uit wetenschappelijke literatuur.

Toetsen: 2 mogelijkheden
⁃ Kreis: een hypothese is wetenschappelijk als deze bevestigd kan worden = verificatie
⁃ Popper: een hypothese is wetenschappelijk als deze weerlegd kan worden=falsificatie

5. Evaluatie: in de laatste fase worden de resultaten van het onderzoek bekeken en worden er
conclusies getrokken. Aan de hand van de voorspellingen en of deze wel of niet zijn
uitgekomen, wordt duidelijk of de onderzoekshypothese voor dit experiment juist was of
weerlegd kan worden.

,MCOS - Hoofdstuk 2 (Treadwell & Davis) –
Link leggen tussen observaties en theorieën: deductie - inductie - abductie
1. Deductie = Een methode waarbij het de bedoeling is dat de conclusie noodzakelijk uit de
premissen volgt. Als de premissen waar zijn, dan zou de conclusie ook waar moeten zijn.
2. Inductie = Er wordt een verklaring gegeven, de premissen zijn de te verklaren zaken en de
conclusie de verklaring. Het is belangrijk altijd in gedachten te houden dat er een
waarneming kan worden gedaan die de algemeen geldende wet, die via inductie is
verkregen, verwerpt.
3. Abductie = Een manier van redeneren waarbij een mogelijke verklaring voor een
(onverwacht) verschijnsel als de juiste wordt gekozen. De verklaring is dan wel een
voldoende voorwaarde, maar niet een noodzakelijke. Er zijn andere verklaringen mogelijk.

Basis assumpties over het menselijk gedrag leiden tot wereldbeelden gebaseerd op onze eigen
geloven en perspectieven op communicatieonderzoek.
Type onderzoek: universalistic (general) of particularistic (specific).
1. Nomothetic approach: Iedereen bezit dezelfde traits/karaktertrekken.
2. Idiographic approach: Iedereen is uniek en heeft een unieke combinatie/betekenis van traits.

Doel van onderzoek:
1. Fundamental research: om meer kennis te krijgen over de wereld om ons heen
(universalistic!)
2. Applied research: om te helpen (particularistic!)
Kwantiteit is iets uitgedrukt in getallen (tellen). Kwaliteit is een uitspraak zonder getallen (interview).

Naast persoonlijke motivaties bestaan enkele veelvoorkomende motivaties om onderzoek te doen:
exploration (nieuwsgierigheid), description (beschrijving), explanation (uitleggen waarom), prediction
(voorspellen), control (controleren), interpretation (inleven), criticism (kritiek).

, MCOS - hoorcollege week 1 (2) –
- Paradigma = een ‘zienswijze’, gedeelde opvattingen en aannames (=een gedeeld
wereldbeeld) > nieuwe kennis kan tot een paradigmaverschuiving leiden.
Paradigmaverschuiving in CW: Hypodermic needle theory (wat men ziet wordt onmiddellijk
overgenomen) > Lasswell’s model (er zijn allerlei verschillende zaken die noodzakelijk zijn
voordat men iets overneemt).
- Ontologie = opvattingen over hoe de sociale werkelijkheid is opgebouwd (wat is echt?),
bepaalt hoe wetenschappers denken en onderzoek verrichten.
- Epistemologie = opvattingen over wat als kennis telt en hoe kennis moet worden vergaard,
bepaalt welke onderzoeksmethoden worden gebruikt en wat de kwaliteit daarvan is.

Twee stromingen (twee paradigma’s) in communicatiewetenschap:
1. Worldview I: Empirisch-analytisch = kwantitatief onderzoek
- Nadruk op nomothetische kennis (=wetmatigheden/generaliseren)
- Reductionistisch: eenheid gereduceerd tot variabelen
- Objectief: ‘derdepersoonsperspectief’ (je staat zelf buiten het onderzoek)
2. Worldview II: Emperisch-interpretatief = kwalitatief onderzoek
- Nadruk op ideografische kennis (=begrip van het unieke)
- Holistisch: we proberen een uniek iemand te begrijpen (ieder persoon is apart een geheel)
- Subjectief: ‘eerstepersoonsperspectief’ (je zet jezelf in het onderzoek bv diepte interviews)
- Word vaak ingezet in onderzoek wanneer nog niet veel bekend is over het onderwerp >
hieruit komen theorieën die vervolgens kunnen worden getest met kwantitatief onderzoek.
Beide methoden zijn empirisch (observatie)!!


De empirische cyclus (zie hoorcollege 1):

Het onderzoeksplan: een systematisch geheel van methodische beslissingen (helpt bij het doen van
goed onderzoek).
1. Probleemstelling: doelstelling (waarom wil je weten wat je wilt weten?), onderzoeksvraag
(wat wil je precies weten?), hypothese (hoe denk je dat het werkt?)
2. Onderzoeksmethode: survey (geschikt voor het onderzoeken van verbanden), experiment
(geschikt voor het onderzoeken van effecten), inhoudsanalyse (geschikt voor het analyseren
van inhoud), literatuuronderzoek (wat is er al bekend over een onderwerp?), bestaande data
(verbanden), kwalitatief onderzoek (geschikt om hypothesen mee te ontwikkelen), dus: hoe
ga je onderzoeken wat je wilt weten, welk design is geschikt?
3. Dataverzameling: tijd (wanneer), plaats (waar), eenheden (wie of wat) + analyseplan!
Probleemstelling bepalen dus de onderzoeksmethoden en dataverzameling.

Document information

Study
Uploaded on
September 29, 2026
Number of pages
37
Written in
2024/2025
Type
Summary
$13.84

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
samvandijk40
5.0
(1)
Sold
3
Followers
0
Items
4
Last sold
1 day ago

Reviews from verified buyers




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions