Toegepaste anatomie en fysiologie
Gehoor
ventraal ↔ dorsaal = buikzijde ↔ rugzijde
anterior ↔ posterior = voorzijde ↔ achterzijde
inferior ↔ superior = onderzijde ↔ bovenzijde
caudaal ↔ craniaal = onderzijde ↔ bovenzijde
lateraal ↔ mediaal = weg van midden ↔ naar midden toe
intern ↔ extern = (aan) de binnenkant ↔ (aan) de
buitenkant
• het oor omvat alle structuren die horen tot de bouw en werking van het gehoororgaan
(audi>es systeem) en het evenwichtsorgaan
• deze liggen veilig in de schedel (in het pars petrosa van het os temporale)
• audi>ef systeem: buitenoor, middenoor, binnenoor en centraal audi>ef systeem
- Perifeer gehoororgaan: vangt de geluidsprikkel op en zet deze om
tot een zenuwprikkel die naar het centraalzenuwstelsel gaat
->
- Centraal gehoororgaan
het uitwendig oor zal de geluidstrilling opvangen en
doorgeven via het trommelvlies naar het middenoor, deze
wordt verder gebrachF naar het binnenoor. Doordat het
buiten- en middenoor het geluid gaan geleiden spreken we
over een geleidingsmechanisme. In het binnenoor wordt die
beweging (fysische prikkel) omgezet naar een fysiologische
prikkel een doorgegeven naar de hersenen, waar het wordt
waargenomen.
,- Ligging gehoororgaan=
2 Uitwenig oor
De oorschelp
- De oorschelp bevat geen spieren of bot
- Het elas>sch kraakbeen kan wel beschadigd worden waardoor het kan afsterven ->
bloemkool oor
- wel spieren en ligamenten voor aanhech>ng t.h.v. schedel
- wel kraakbeen en bindweefsel voor stevigheid en
vorm
De oorschelp bestaat uit:
- elas>sch kraakbeen, bindweefsel en huidweefsel
- Enkel de oorlel (lobulus auriculae) bevat geen
kraakbeen
- Spieren en ligamenten zorgen voor de aanhech>ng
aan het temporaal bot
De uitwendige gehoorgang
De concha van de oorschelp leidt naar de ingang van het oor kanaal (meatus acus>cus
externus). Het buitenste derde deel (pars fibro-car>laginea) bestaat uit kraakbeen, terwijl het
binnenste tweederde deel (pars ossea) benig is. Het huidweefsel wordt dunner ter hoogte
van de pars ossea, en de aanwezigheid van oorsmeerklieren (glandulae ceruminosae) en
haartjes (met talgkliertjes) is beperkt tot de pars fibro-car>laginea.
-
, 1
- pars ossea: benige deel -> geen
haartjes meer en geen
oorsmeerklieren
- Pars fibrocar>laginea -> kleine
haartjes + oorsmeerklieren
- Bij oorstokjes duwen in de oren,
duw je soms te ver waardoor er
een stop kan ontstaan (want
verder geen haartjes die het vuil
naar buiten tranporteren)
2
- Horizontale doorsnede
- Rechteroor
- We zien een S- vorm: als je met
een otoscoop in het oor kijkt zie je
eerst niet door de s-vorm. Arts moet
het oor naar achter en naar boven
trekken -> s-vorm rechter maken
waardoor je een beter zicht krijgt op
het trommelvlies
è Buitenkant, lateraal is de oorschelp
è Mediaal = trommelvlies
3
Gehoor
ventraal ↔ dorsaal = buikzijde ↔ rugzijde
anterior ↔ posterior = voorzijde ↔ achterzijde
inferior ↔ superior = onderzijde ↔ bovenzijde
caudaal ↔ craniaal = onderzijde ↔ bovenzijde
lateraal ↔ mediaal = weg van midden ↔ naar midden toe
intern ↔ extern = (aan) de binnenkant ↔ (aan) de
buitenkant
• het oor omvat alle structuren die horen tot de bouw en werking van het gehoororgaan
(audi>es systeem) en het evenwichtsorgaan
• deze liggen veilig in de schedel (in het pars petrosa van het os temporale)
• audi>ef systeem: buitenoor, middenoor, binnenoor en centraal audi>ef systeem
- Perifeer gehoororgaan: vangt de geluidsprikkel op en zet deze om
tot een zenuwprikkel die naar het centraalzenuwstelsel gaat
->
- Centraal gehoororgaan
het uitwendig oor zal de geluidstrilling opvangen en
doorgeven via het trommelvlies naar het middenoor, deze
wordt verder gebrachF naar het binnenoor. Doordat het
buiten- en middenoor het geluid gaan geleiden spreken we
over een geleidingsmechanisme. In het binnenoor wordt die
beweging (fysische prikkel) omgezet naar een fysiologische
prikkel een doorgegeven naar de hersenen, waar het wordt
waargenomen.
,- Ligging gehoororgaan=
2 Uitwenig oor
De oorschelp
- De oorschelp bevat geen spieren of bot
- Het elas>sch kraakbeen kan wel beschadigd worden waardoor het kan afsterven ->
bloemkool oor
- wel spieren en ligamenten voor aanhech>ng t.h.v. schedel
- wel kraakbeen en bindweefsel voor stevigheid en
vorm
De oorschelp bestaat uit:
- elas>sch kraakbeen, bindweefsel en huidweefsel
- Enkel de oorlel (lobulus auriculae) bevat geen
kraakbeen
- Spieren en ligamenten zorgen voor de aanhech>ng
aan het temporaal bot
De uitwendige gehoorgang
De concha van de oorschelp leidt naar de ingang van het oor kanaal (meatus acus>cus
externus). Het buitenste derde deel (pars fibro-car>laginea) bestaat uit kraakbeen, terwijl het
binnenste tweederde deel (pars ossea) benig is. Het huidweefsel wordt dunner ter hoogte
van de pars ossea, en de aanwezigheid van oorsmeerklieren (glandulae ceruminosae) en
haartjes (met talgkliertjes) is beperkt tot de pars fibro-car>laginea.
-
, 1
- pars ossea: benige deel -> geen
haartjes meer en geen
oorsmeerklieren
- Pars fibrocar>laginea -> kleine
haartjes + oorsmeerklieren
- Bij oorstokjes duwen in de oren,
duw je soms te ver waardoor er
een stop kan ontstaan (want
verder geen haartjes die het vuil
naar buiten tranporteren)
2
- Horizontale doorsnede
- Rechteroor
- We zien een S- vorm: als je met
een otoscoop in het oor kijkt zie je
eerst niet door de s-vorm. Arts moet
het oor naar achter en naar boven
trekken -> s-vorm rechter maken
waardoor je een beter zicht krijgt op
het trommelvlies
è Buitenkant, lateraal is de oorschelp
è Mediaal = trommelvlies
3