Thema 2/3
Inleiding:
Gedrag= geheel van alle bewuste en onbewuste handelingen, (re)acties
van een mens zowel zichtbaar (zoals lopen of praten) als innerlijk (zoals
denken). Het is een reactie op prikkels uit de omgeving of interne
motivatie, vaak functionerend als communicatie.
Reactie op een prikkel
Waarneembaar<-> niet waarneembaar (bv gedachten)
Aangeleerd<-> aangeboren (nature/nurture)
Bewust<-> onbewust
Gedragsmatig pathogeen (al het gedrag dat schadelijk is vr
gezondheid) <-> gedragsmatig immunogeen
(gezondheidsbevorderend gedrag- gedrag om ziekte te vorkomen)
Het huidige gedrag helder in kaart brengen
= vertekpunt (welk gedrag je wil veranderen)
Overzicht om te zien welk gedrag negatief effect heeft
opgezondheids(problemen)
o Soms helder vb roken
o Soms niet helder genoeg vb ongezond eten (ongezonde
voeding? Te veel? Te eenzijdig? Te bewerkt? …)
o Soms gedrag onduidelijk vb mentaal welzijn (slaaphygiëne? Te
weinig tijd vr zichzelf? Piekeren?)
Gedrag beïnvloedt ook de omgevoingsfactoren
o Stoken met hout
o Slecht ventileren
o Te veel nemen vd wagen
Risicogedrag gaan verklaren met behulp van het gedragswiel
, o Context
o Competenties
o drijfveren
Het gedragswiel (bekijk video opnieuw!!!)
3 belangrijke componenten (determinanten)
- Competenties
- Drijfveren (interne motivatie)
- Context (kan belemmerende factor vormen om gewenst gedrag te
krijgen)
Er kunnen drempels zijn
Bij de pt. 3 componenten in kaart brengen:
Welke competenties heeft mijn cliënt wel? Welke niet?
Belangrijk om op die component in kaart brengen
Determinant 1: competenties
,Competentie = De kennis en vaardigheden (fysiek en psychisch) die
ervoor zorgen dat je in staat bent om een bepaald (gezond) gedrag te
stellen
Fysiek:
Fitheidscompetenties
= Nodige fitheid om een bepaald (gezond) gedrag te stellen.
Motorische competenties
= Vermogen om handelingen uit te voeren die motoriek en coördinatie
vereisen
Psychische:
• Kennis: De mate van nodige informatie bezitten. -> persoon weet
bv niet hoe die tanden moet poetsen-> aka kennis ontbreekt
• Functionele vaardigheden: Het vermogen om te lezen, schrijven
en rekenen, aandacht te richten/verdelen/vast te houden en
informatie te onthouden.
• Kritische vaardigheden: Het vermogen om info kritisch te
evalueren --> autonome en bewuste beslissingen maken.
, • Interactieve vaardigheden: Het vermogen om te communiceren,
sociale contacten te leggen en te onderhouden, om te gaan met
sociale druk, sociale steun aan te wenden, om te gaan met
heersende normen.-> het effectief uiten
• Gedragsregulatie: Het vermogen om het eigen gedrag te
reguleren (impulsen te controleren, gewoontes te doorbreken, eigen
gedrag op te volgen, acties te plannen. -> vaardigheid hebben om
gedrag te reguleren
• Coping: Het vermogen om op een gezonde manier met tegenslagen
of moeilijkheden om te gaan
Manier om om te gaan met problemen bv roken na een ruzie-
> maar is ongezond gedrag
Determinant 2: Drijfveren
Drijfveren= De reflectieve motieven en automatische processen die een
bepaald (gezond/ongezond) gedrag activeren en richting geven
= reden/motief
Automatische drijfveren:
• Behoeften/verlangens: Een gedrevenheid voor het wel/niet stellen
van een bepaald gedrag ,dit zal gevolgd worden door iets plezierigs,
zoals een positieve emotie, beloning of aangename lichamelijke
sensatie (cf. verlangen) of door het vermijden van iets
onaangenaams