Begrippen psychodiagnostiek senioren
Begrip Definitie
Delirium Acute verwardheid
NCD Neuro Cognitive Disorder
Mild NCD Kan zelfstandig functioneren.
Major NCD Wijst vaak op de dementie.
Cognitieve piramide Kwaliteit van de ene cognitieve functie bepaalt mee de
kwaliteit van de overige cognitieve functies. In 2
richtingen.
Impliciet geheugen Herinneringen worden opgeroepen via associaties, niet
zo zeer de taal. Herinneringen worden geactiveerd en
kan gelinkt worden aan emotie.
Mentale belastbaarheid Wat kan een persoon mentaal aan ‘belastingen’
verdragen. Mentale draagkracht.
Mentale belasting Wanneer eisen die gesteld worden op het vlak van
cognitieve functies de belastbaarheid overschrijden.
Overbelasting Langdurige blootstelling aan stress, druk, intense
mentale activiteit zonder nodige rust en ontspanning.
Symptomen zoals vermoeidheid, concentratieprobleem,
slaapproblemen, emotioneel uitgeput, ...
Onderbelasting Onderprikkeling, missen van een uitdaging, ontbreken
van een doel. Chronische verveling en demotivatie.
Gevolgen onder andere laag zelfbeeld, verlies motivatie,
verlies betrokkenheid, gevoel van hulpeloosheid, gevoel
van gebrek aan controle, depressiviteit.
Aandacht Vermogen om relevante stimuli te kiezen en je erop te
concentreren. Maakt het mogelijk om ons te verhouden
tot die relevante prikkels, ten nadele van de irrelevante
prikkels.
Model ‘Van Zomeren en Baseert zich op 2 dimensies: selectiviteit & intensiteit.
Brouwer’
Selectiviteit Waarvoor hebben we aandacht? Selectief en gericht.
Intensiteit Hoeveel aandacht hebben we dan? Arousel, vigilantie,
volgehouden.
Selectief Richten op 1 bepaalde specifieke prikkel.
Gericht Doelgericht op een bepaalde taak richten.
Arousel Hoe wakker/ alert hersenen zijn om prikkels te
ontvangen.
Vigilantie Langdurig alert zijn bij onverwachte prikkels.
Volgehouden Concentratie vasthouden bij een bepaalde taak.
Model van Sohlberg & Mateer Aandacht opdelen in verschillende niveaus van
complexiteit. Helpt om te begrijpen welke stap in het
aandachtsproces verstoord is. Opwekking, gerichte
, aandacht, volgehouden aandacht, selectieve aandacht,
wisselende aandacht, verdeelde aandacht.
Neglect Bijzondere vorm van aandachtsprobleem.
Onbewust niet waarnemen van wat er aan één kant van
het lichaam of de ruimte gebeurt, is een stoornis in het
richten van de aandacht.
Verminderde aandacht of waarneming aan 1 bepaalde
kant, een ‘onbewust negeren’ van de aangedane zijde,
mensen met gebeurtenissen die zich links (letsel
rechterhelft) of rechts (letsel linkerhelft) van de persoon
bevinden.
Wordt niet veroorzaakt door problemen met de
zintuigen, gezichtsvelduitval of door motorische
problemen, maar wel een probleem bij het beschikbaar
maken van zintuigelijke informatie in de hersenen.
Anosognosie Gebrek aan ziekte-inzicht.
Lateralisatie De specifieke taken die de linkder- en rechterkant van
onze hersenen uitvoeren.
Linkerhemisfeer Aandacht voor detail, aandacht voor contralaterale
ruimte (tegenovergestelde kant rechts), gericht op de
selectieve aandacht.
Rechter-hemisfeer Panoramische aandacht (het overzicht), aandacht voor
contralaterale en ipsilaterale ruimte (beide kanten),
volgehouden aandacht.
Sensorisch spatiaal Niet waarnemen van prikkels aan 1 zeide zoals geluid,
zicht en tast.
Spatiaal Problemen met het inschatten van afstanden (dichtbij
versus veraf).
Tov de eigen persoon, het Linkerbeen vergeten uit het bed te zetten, het negeren
eigen lichaam van het eigen lichaam.
Verwerkings-snelheid Mate waarin de hersenen in staat zijn om de informatie
die ze ontvangen op te nemen, te integreren en er
gepast op te reageren.
De tijd die het duurt om een mentale taak uit te voeren
(auditief, visueel of motorisch).
Verwerkingssnelheidsstoornis Trage verwerkingssnelheid, niet gelinkt aan intelligentie.
Het duurt langer op informatie op te nemen,
interpreteren en adequaat te reageren.
Onafhankelijk van leeftijd. Wordt soms verward met
‘lagere intelligentie’. Heeft vooral invloed op leerproces
en probleemoplossend vermogen.
Geheugen Vermogen om informatie op te slaan, te bewaren en het
terug op te halen, zich te herinneren.
Leren Proces waardoor nieuwe kennis en vaardigheden wordt
opgeslaan.
Snelheid van leren Het tempo waarop je nieuwe kennis en vaardigheden
kan opslaan.
, Geheugenspoor Blijvende structuurverandering die tijdens de
latentieperiode verborgen aanwezig bleef in het
organisme.
Latentieperiode De tijd waarin informatie wel in je geheugen is
opgeslagen, maar (nog) niet zichtbaar wordt gebruikt.
Geheugen-proces Bestaat uit 3 fasen: encodering, consolideren, retrieval.
Encodering De leerfase, het inprenten, ‘opslaan’.
Consolideren Het bewaren van wat je hebt geleerd, ‘bewaren’.
Retrieval Het oproepen, het terug ophalen.
Cues Interne of externe omstandigheden, die zowel aanwezig
zijn bij de inprenting als op het moment van de
reproductie.
Worden gebruikt op het moment van de ophaling als
een soort index om de gegevens vlot naar boven te
halen.
Zintuigelijk geheugen Eerste poort waar de informatie binnenkomt. Het houdt
indrukken heel kort vast. Iconisch of echoïsch.
Kortetermijn-geheugen/ Is de plek waar je actief informatie bewerkt en herhaalt.
werkgeheugen Vanaf hier wordt je gedrag ook gestuurd.
Iconisch Is je beeldgeheugen. Het onthoudt visuele beelden voor
een fractie van een seconde.
Echoïsch Is je gehoorgeheugen. Houdt geluiden (echo’s) nog heel
even vast, zodat je bijvoorbeeld een zin kunt begrijpen.
Fonologische lus Je ‘innerlijke stem’. Hier herhaal je woorden of geluiden
in je hoofd om ze niet te vergeten (bijvoorbeeld een
telefoonnummer opzeggen tegen jezelf).
Visuopatisch werkblad Je ‘innerlijke oog’. Hier sla je beelden en de plek van
voorwerpen tijdelijk op (bijvoorbeeld onthouden waar
de deur zit in een kamer).
Episodische buffer Is de ‘verzamelaar’. Het brengt informatie van de andere
onderdelen en het langetermijngeheugen samen tot 1
logisch verhaal of tijdlijn.
Centrale bestuurder. Dit is de ‘baas’ of de ‘manager’. Deze bepaalt waar je je
aandacht op richt en coördineert de andere drie
onderdelen.
Langetermijn-geheugen Hier wordt de informatie voor lange tijd opgeslagen als
een geheugenspoor.
Expliciet (decleratief) geheugen Dit is de kennis die je bewust kunt verwoorden. Denk
aan feiten (Parijs is de hoofdstand van Frankrijk) of
herinneringen aan gebeurtenissen.
Impliciet (non-declaratief) Dit is geheugen dat je onbewust gebruikt. Het heeft
geheugen invloed op je gedrag zonder dat je erover nadenkt, zoals
fietsen, veters strikken of automatische reacties.
Episodisch geheugen Gaat over persoonlijke ervaringen. Autobiografisch &
prospectief.
Begrip Definitie
Delirium Acute verwardheid
NCD Neuro Cognitive Disorder
Mild NCD Kan zelfstandig functioneren.
Major NCD Wijst vaak op de dementie.
Cognitieve piramide Kwaliteit van de ene cognitieve functie bepaalt mee de
kwaliteit van de overige cognitieve functies. In 2
richtingen.
Impliciet geheugen Herinneringen worden opgeroepen via associaties, niet
zo zeer de taal. Herinneringen worden geactiveerd en
kan gelinkt worden aan emotie.
Mentale belastbaarheid Wat kan een persoon mentaal aan ‘belastingen’
verdragen. Mentale draagkracht.
Mentale belasting Wanneer eisen die gesteld worden op het vlak van
cognitieve functies de belastbaarheid overschrijden.
Overbelasting Langdurige blootstelling aan stress, druk, intense
mentale activiteit zonder nodige rust en ontspanning.
Symptomen zoals vermoeidheid, concentratieprobleem,
slaapproblemen, emotioneel uitgeput, ...
Onderbelasting Onderprikkeling, missen van een uitdaging, ontbreken
van een doel. Chronische verveling en demotivatie.
Gevolgen onder andere laag zelfbeeld, verlies motivatie,
verlies betrokkenheid, gevoel van hulpeloosheid, gevoel
van gebrek aan controle, depressiviteit.
Aandacht Vermogen om relevante stimuli te kiezen en je erop te
concentreren. Maakt het mogelijk om ons te verhouden
tot die relevante prikkels, ten nadele van de irrelevante
prikkels.
Model ‘Van Zomeren en Baseert zich op 2 dimensies: selectiviteit & intensiteit.
Brouwer’
Selectiviteit Waarvoor hebben we aandacht? Selectief en gericht.
Intensiteit Hoeveel aandacht hebben we dan? Arousel, vigilantie,
volgehouden.
Selectief Richten op 1 bepaalde specifieke prikkel.
Gericht Doelgericht op een bepaalde taak richten.
Arousel Hoe wakker/ alert hersenen zijn om prikkels te
ontvangen.
Vigilantie Langdurig alert zijn bij onverwachte prikkels.
Volgehouden Concentratie vasthouden bij een bepaalde taak.
Model van Sohlberg & Mateer Aandacht opdelen in verschillende niveaus van
complexiteit. Helpt om te begrijpen welke stap in het
aandachtsproces verstoord is. Opwekking, gerichte
, aandacht, volgehouden aandacht, selectieve aandacht,
wisselende aandacht, verdeelde aandacht.
Neglect Bijzondere vorm van aandachtsprobleem.
Onbewust niet waarnemen van wat er aan één kant van
het lichaam of de ruimte gebeurt, is een stoornis in het
richten van de aandacht.
Verminderde aandacht of waarneming aan 1 bepaalde
kant, een ‘onbewust negeren’ van de aangedane zijde,
mensen met gebeurtenissen die zich links (letsel
rechterhelft) of rechts (letsel linkerhelft) van de persoon
bevinden.
Wordt niet veroorzaakt door problemen met de
zintuigen, gezichtsvelduitval of door motorische
problemen, maar wel een probleem bij het beschikbaar
maken van zintuigelijke informatie in de hersenen.
Anosognosie Gebrek aan ziekte-inzicht.
Lateralisatie De specifieke taken die de linkder- en rechterkant van
onze hersenen uitvoeren.
Linkerhemisfeer Aandacht voor detail, aandacht voor contralaterale
ruimte (tegenovergestelde kant rechts), gericht op de
selectieve aandacht.
Rechter-hemisfeer Panoramische aandacht (het overzicht), aandacht voor
contralaterale en ipsilaterale ruimte (beide kanten),
volgehouden aandacht.
Sensorisch spatiaal Niet waarnemen van prikkels aan 1 zeide zoals geluid,
zicht en tast.
Spatiaal Problemen met het inschatten van afstanden (dichtbij
versus veraf).
Tov de eigen persoon, het Linkerbeen vergeten uit het bed te zetten, het negeren
eigen lichaam van het eigen lichaam.
Verwerkings-snelheid Mate waarin de hersenen in staat zijn om de informatie
die ze ontvangen op te nemen, te integreren en er
gepast op te reageren.
De tijd die het duurt om een mentale taak uit te voeren
(auditief, visueel of motorisch).
Verwerkingssnelheidsstoornis Trage verwerkingssnelheid, niet gelinkt aan intelligentie.
Het duurt langer op informatie op te nemen,
interpreteren en adequaat te reageren.
Onafhankelijk van leeftijd. Wordt soms verward met
‘lagere intelligentie’. Heeft vooral invloed op leerproces
en probleemoplossend vermogen.
Geheugen Vermogen om informatie op te slaan, te bewaren en het
terug op te halen, zich te herinneren.
Leren Proces waardoor nieuwe kennis en vaardigheden wordt
opgeslaan.
Snelheid van leren Het tempo waarop je nieuwe kennis en vaardigheden
kan opslaan.
, Geheugenspoor Blijvende structuurverandering die tijdens de
latentieperiode verborgen aanwezig bleef in het
organisme.
Latentieperiode De tijd waarin informatie wel in je geheugen is
opgeslagen, maar (nog) niet zichtbaar wordt gebruikt.
Geheugen-proces Bestaat uit 3 fasen: encodering, consolideren, retrieval.
Encodering De leerfase, het inprenten, ‘opslaan’.
Consolideren Het bewaren van wat je hebt geleerd, ‘bewaren’.
Retrieval Het oproepen, het terug ophalen.
Cues Interne of externe omstandigheden, die zowel aanwezig
zijn bij de inprenting als op het moment van de
reproductie.
Worden gebruikt op het moment van de ophaling als
een soort index om de gegevens vlot naar boven te
halen.
Zintuigelijk geheugen Eerste poort waar de informatie binnenkomt. Het houdt
indrukken heel kort vast. Iconisch of echoïsch.
Kortetermijn-geheugen/ Is de plek waar je actief informatie bewerkt en herhaalt.
werkgeheugen Vanaf hier wordt je gedrag ook gestuurd.
Iconisch Is je beeldgeheugen. Het onthoudt visuele beelden voor
een fractie van een seconde.
Echoïsch Is je gehoorgeheugen. Houdt geluiden (echo’s) nog heel
even vast, zodat je bijvoorbeeld een zin kunt begrijpen.
Fonologische lus Je ‘innerlijke stem’. Hier herhaal je woorden of geluiden
in je hoofd om ze niet te vergeten (bijvoorbeeld een
telefoonnummer opzeggen tegen jezelf).
Visuopatisch werkblad Je ‘innerlijke oog’. Hier sla je beelden en de plek van
voorwerpen tijdelijk op (bijvoorbeeld onthouden waar
de deur zit in een kamer).
Episodische buffer Is de ‘verzamelaar’. Het brengt informatie van de andere
onderdelen en het langetermijngeheugen samen tot 1
logisch verhaal of tijdlijn.
Centrale bestuurder. Dit is de ‘baas’ of de ‘manager’. Deze bepaalt waar je je
aandacht op richt en coördineert de andere drie
onderdelen.
Langetermijn-geheugen Hier wordt de informatie voor lange tijd opgeslagen als
een geheugenspoor.
Expliciet (decleratief) geheugen Dit is de kennis die je bewust kunt verwoorden. Denk
aan feiten (Parijs is de hoofdstand van Frankrijk) of
herinneringen aan gebeurtenissen.
Impliciet (non-declaratief) Dit is geheugen dat je onbewust gebruikt. Het heeft
geheugen invloed op je gedrag zonder dat je erover nadenkt, zoals
fietsen, veters strikken of automatische reacties.
Episodisch geheugen Gaat over persoonlijke ervaringen. Autobiografisch &
prospectief.