Onderzoek aanleiding
Fundamenteel = kennis uitbreiden & verdiepen, zonder directe
toepassing (prktk)
Toegepast = specifieke vragen antw / concrete opls ontw: vr
praktische prblmn
Probleemstelling
Probleemstelling = achtergrond waaruit oz-vraag voortkomt
5xW+H-methode
o Wat: mis, onaanvaardbaar, gemist, btr, wel succesvol,
onopgeloste vraag?
o Wie: pers/groepen ervaren & hoe, rol?
o Wnr: moment, met welke frequentie?
o Wrm: als prblm ervaren, opgelost w?
o Waar: welk plek/gebied, welk proces/onderdeel?
o Hoe: ontstaan/aanleiding, voorafgegaan?
Onderzoekscyclus
Informatieleveranciers = onderzoeker = kennis leveren, mr nt
probleem oplossen -> oplossen adhv opgedane kennis (nieuw kennis
levert nieuw problemen)
Stappen - TVPUCK
o Theorie/probleem: fundamenteel / toegepast
o Oz-vraag
o Oz-plan opstellen
o Oz uitvoeren
o Conclusies
o Kennis
Continu proces (vn kennisvergaring) = onderzoekscyclus
Onderzoeksdoelstelling
Doelstelling = wat je wilt bereiken (‘kennis en inzichten verkrijgen
… om/bij/in …’)
Info al aanwezig
Eerste oriëntatie: overleg collega’s, opdrachtgevers, welke bestaand
info vrhand
Literatuur-oz / bronnen-oz: waarop baseren, wat vr opzet, hoe
definiëren?
Nut bestaande info: eigen oz nog relevant?
, Onderzoeksvraag
Vraag = vraag waarop oz antwoord moet geven
Stappen
o Deelvragen (sub-): opsplitsen
o Is het vraag: gn beschrijving/stelling
o Gesloten vraag
Voorlopige oz-vraag
o Eenduidig & concreet: formuleren (gn ‘optimaal’, ‘relatief’)
o Normatieve vraag: vermijden -> concrete meetbare begrip (gn
‘slecht vr’)
Definitieve oz-vraag
Onderzoek
Kwantitatief: meten & tellen, zaken vaststellen: hvl, #, %
Gesloten oz-vraag
Kwalitatief: inzichten & inhoudelijk geg vaststellen: opinie, wens,
behoefte
Open oz-vraag
Mixed-methods: combinatie vn kwantitatief & kwalitatief
Onderzoekseenheden
Eenheden = bij wie / bij wat je iets gaat meten -> geen variatie
Respondenten = personen die vraag om deel te nemen
Populatie = totale verzameling van alle mogelijke eenheden
Steekproef = selectie van eenheden (is representatief vr populatie)
Deelpopulaties (sub-) = groepskenmerken combineren -> specifiek
(nt populatie)
Splitsingstechniek: vn populatie nr eenheid obv groepskenmerken
(zelfde)
Onderzoekskenmerken
Kenmerken = wat je gaat meten, abstracte eigenschappen ->
variatie
Variabelen = kenmerk in meetbare termen formuleren
Soorten
o Eenvoudige = makkelijk definiëren (geslacht)
o Complexe = moeilijker definiëren, meerdere dimensies
(aantrekkelijkheid)
o –
o Onafhankelijke = nt beïnvloed dr andere variabele
o Afhankelijke = wel beïnvloed dr andere variabele (=uitkomst
vn oz)