College 1
H1 en 7
Veel individuele verschillen zijn relatief stabiel en veel individuele verschillen zijn
psychologisch van aard
Individuele verschillen
- Persoonlijkheid
- Individuele verschillen
Persoonlijkheid: psychologische eigenschappen in een individu, redelijk stabiel en
deels genetisch. Individuele verschillen tussen mensen met betrekking tot hoe ze
denken, voelen en hoe ze zich gedragen
Etymologisch (oorsprong van woorden): mensen hadden een masker op, die je
persoonlijkheid gaf > per personate: doorklinken > doorklinken door een masker
Karakter gaat over het typische van de persoon, dier of object > denk aan het karakter
van een hond (voorbeeld)
- Psychologisch gebruik: typisch kenmerkende van een persoon. Bij dieren vaak
positief en bij mensen vaak negatieve beschrijvingen
- Quote Aristoteles
- Theophrastus: bekend om zijn 30 karakterschetsen o.b.v. observaties.
- Karakter sterk gelinkt aan types > stereotypes
- Temperament: ideale mengverhouding van humores (lichaamssappen)
o Empedocles: natuur beste te begrijpen in termen van een aantal
grondprincipes: aarde, vuur, water en lucht
è Hippocrates: 4 elementen: bloed, etter/slijm, gal, zwarte gal
è Galenus: temperamenten onderscheiden o.b.v. deze 4 lichaamssappen.
Lichaamssappen geeft hij beschrijvingen, en gaf een temperament aan deze
elementen. Te veel van bepaald lichaamssap gaf je een bepaald temperament.
o Cholerisch
o Flegmatisch
o Sanguinisch
, o Melancholisch
Individuele verschillen
- Persoonlijkheid
o Karakter en temperament
Theoretische modellen:
- Biologisch/fysiologisch
o Eysenck hiërarchische persoonlijkheidsmodel.
• Gebaseerd op fysiologische metingen
• Psychotisme (P): erg op jezelf, geen empathie, ongevoelig
voor pijn en lijden van anderen, agressief, impulsief,
voorkeur voor vreemde en ongewone dingen, verhoogd
testosteronniveau, verlies van realiteitszin en agressiviteit
• Extraverion (E): veel vrienden, makkelijk in de omgang, actief
• Neuroticism (N): snel zorgen maken, angstig,
slaapproblemen snel, depressief, snel negatieve emoties.
Lage activeringsstelsen van het sympathische zenuwstelsel
of het limbisch systeem, fight or flight
o Dimensies E en N in relatie tot de temperamenten
van Galenus
è PEN-model ontstaat uit de supertrait waar alle traits onder vallen. Bijvoorbeeld
eigenschappen onder extraversie (supertrait)
• Fysiologische basis: extraversie-introversie
• Introvert: hogere hersenactiviteit, verhoogde arouselniveau
onder controle te houden, reticulair activeringssysteem
• Extravert: extravert gedrag om arouselniveau te verhogen
o Geen verschil in basisniveau van arousel
o Gray: reinforcement sensitivity theory
• Herinterpretatie van PEN-model > BIS en BAS zijn terug te vinden in
Eysencks E en N model
• Behavioral activation system (BAS)
• Soort beloningsmechanisme. Gevoelig voor positieve
prikkels en neiging om op deze prikkels af te gaan
(impulsivity)
• Sommige leren beter door beloning en worden extravert
• Behavioral inhibition systeem (BIS)
, •Strafmechanisme. Gevoelig voor negatieve prikkels en
neiging om prikkels uit de weg te willen halen (vermijden)
(angst)
• Sommige leren beter door bestra[ing en worden introvert
o Zuckerman: studies naar sensorische deprivatie. Sensation seeking
• Mensen krijgen zo min mogelijk prikkels (denk aan een koptelefoon,
bril waar je niks door kan zien)
• Monoamino oxidase (Sen. S. + MAO)
• Ongeveer 60% is genetisch bepaald > vrij veel
• Mannen en jongeren scoren hoger op Sensation seeking
• Zoeken naar spannende nieuwe ervaringen (bungeejumpen, roken,
drugs etc.)
• Sensation seeking
• Thrill and adventure seeking
• Experience seeking
• Disinhibition (ongeremdheid)
• Boredom sensitivity
College 2
H3
Lexicale hypothese
- Als een eigenschap echt belangrijk en/of opvallend is:
o Meerdere woorden
o In verschillende talen/culturen verschillende woorden (cross-culturele
universaliteit)
o Stappen
• Lange lijst met persoonlijkheid beschrijvende termen verzamelen
en daar items van maken
• Lexicon, woordenboek
• Allport en Odbert, Webster’s dictionairy
• 4504 personal traits
• Voor elke eigenschap bestaat wel een woord
• Allerlei woordklassen die je kan gebruiken om
eigenschappen van mensen te beschrijven: persoonlijkheid
beschrijvende adjectieven (bijvoorbeeld aardig) meest
gebruikt in lexicaal onderzoek
o Meest natuurlijke manier van beschrijven
, o Lange lijsten woorden o.b.v. diverse criteria ingekort
• Synonimiteit
• Familiariteit > Mensen weten wat het
woord betekent
• Ambiguïteit > woord heeft meerdere
betekenissen: ‘sterk’ bijvoorbeeld (je
kan mentaal maar ook fysiek sterk zijn)
• Relevantie > mensen die zelf de lijst
afgaan om te kijken of een woord
relevant is (subjectief)
o Problematisch
• Italiaans R en Italiaans T > verschillend lexicaal onderzoek
(maar wel dezelfde taal) met verschillende woordenboeken
en andere adjectieven > selectie heeft gezorgd voor
verschillende lijsten na onderzoek
• Groep proefpersonen zichzelf of iemand anders laten beoordelen
daarop
• Na selectie nog veel termen over
• Techniek factoranalyse> bepalen wat de belangrijkste factoren van
persoonlijkheid zijn
• Groepen selecteren o.b.v. gemeenschappelijke kenmerken
• Goede manier om hiernaar te kijken is de correlaties tussen
de variabelen
o Sterke correlatie <-0.5 of >0.5
• Factoranalyse: variabelen die sterk met elkaar correleren:
factor
o Spontaan
o Extravert
o Spraakzaam
o Onzeker
o Kwetsbaar
o Nerveus
§ 1,2 en 3 wat met elkaar te maken en 4,5 en 6
§ Correlaties tussen bovenste en onderste 3
variabelen > terug te zien in factoranalyse
o Gewogen somvariabele: b1X1 + b2X2 etc.
§ Factorscore
§ Factorlading: idee van de betekenis van de
factor, factor interpreteren