NEDERLANDS 1
Kristel Detollenaere
2025-2026
VERKORT TRAJECT LAGER ONDERWIJS
, HOOFDSTUK 1: HOE LEREN KINDEREN EEN TAAL
1.1 DE VIER FASES VAN VROEGE TAALVERWERVING
Alle kinderen verwerven, ongeacht hun achtergrond en/of intelligentie, hun
eerste taal tijdens hun eerste vijf levensjaren.
Het tempo waarop kinderen hun moedertaal verwerven hangt af van
verschillende factoren zoals hun aanleg voor taal, het vermogen tot leren,
de luistervaardigheden, de snelheid van de motorische ontwikkeling en het
sociaal contact
Verschillende theorieën over hoe taal verloopt:
1. Het behaviorisme
• Stelt dat kinderen taal leren door volwassenen (ouders, leraren, …)
te imiteren, waarop die volwassenen vervolgens positief reageren
• Taalverwerving verloopt via imitatie, bekrachtiging (positieve
feedback) en conditionering (beloning van het goede gedrag)
2. Het nativisme
• Stelt dat het taalleervermogen aangeboren is en zich in de hersenen
bevindt
3. De interactionele benadering
• Combineert de twee voorgaande theorieën
• De mogelijkheid om taal te verwerven is wel degelijk van bij de
geboorte in de hersenen aanwezig, maar die mogelijkheid moet
door de omgeving geactiveerd en gestimuleerd worden
Factoren die het tempo van het verwerven van de moedertaal bepalen:
Aanleg voor taal
Vermogen tot leren
Luistervaardigheid
Snelheid van motorische ontwikkeling
Sociaal contact
cognitieve, sociale en motorische capaciteiten
DE VOORTALIGE FASE OF PRELINGUALE FASE (0-12 MAANDEN):
Pasgeborenen:
• Een pasgeboren kind heeft een sterke belangstelling voor mensen
(gezichten en stemmen)
• Zij communiceren vooral door te huilen
2-6 maanden:
1
, • Ze kunnen oogcontact nemen met de buitenwereld en wordt er een eerste
glimlach op hun gezicht getoverd
• Baby’s beginnen geluiden te maken zoals kirren, lachen en gorgelen
• Ze gaan ook meer variëren in toonhoogte, luidheid en duur
6-12 maanden:
• Repetitief brabbelen = het steeds herhalen van dezelfde combinaties
• Gevarieerd brabbelen = het afwisselen van verschillende klankcombinaties
DE VROEGTALIGE FASE (12-30 MAANDEN):
12-18 maanden:
• Ze spreken hun eerste woorden uit
• Deze woorden hebben meestal betrekking op hun directe omgeving (vb:
mama, papa, …)
18-24 maanden:
• Peuters beginnen woorden te combineren tot eenvoudige zinnen van twee
woorden
24-30 maanden:
• De uitbreiding van woordenschat groeit snel en peuters beginnen
complexere zinnen te vormen
DE DIFFERENTIATIEFASE (2,5-5 JAAR):
• Het kind leert heel veel nieuwe woorden kennen (1000 als ze vijf jaar zijn)
• Er zijn wel vaak nog problemen met de klanken s en r
• Overextensie = woorden die ze hebben geleerd, gaan ze voor veel meer
voorwerpen gebruiken (bv: morgen voor alle tijdsbepalingen)
• Ze doen aan semantiek (= ze verzinnen zelf neologismen of grappige
toepassingen van bestaande woorden)
• Overregularisatie = de regel die ze ergens hebben ontdekt, gaan ze op
alles beginnen toepassen (bv: ik werkte ik loopte)
VOLTOOIINGSFASE (5 JAAR EN OUDER):
• Kinderen beheersen nu de meeste grammaticale regels en kunnen
complexe zinnen begrijpen en produceren
• Kinderen ontwikkelen een beter begrip van pragmatiek (= dat ze taal
effectiever kunnen gebruiken in verschillende sociale contexten)
• De taalvaardigheid wordt verder verfijnd en aangepast aan de specifieke
behoeften van communicatie in verschillende situaties, zoals op school,
thuis en met leeftijdsgenoten
2
, • Ze verwerven nu ook de schriftelijke taal onder de vorm van lezen en
schrijven
1.2 TAALVERWERVING
Hieronder vind je wat er volgens onderzoekers belangrijk is bij het leren
van taal
HET BELANG VAN INPUT EN OUTPUT:
Input:
• Kinderen moeten voldoende taalaanbod krijgen, want woorden die vaak
worden aangeboren gaan ze sneller verwerven
• Het taalaanbod moet ook betekenisvol zijn en moet inspelen op de
interesses van het kind
• Bovendien moet het taalaanbod nieuwe elementen bevatten en net iets
moeilijker dan wat het kind al kan (zone van naaste ontwikkeling)
Output:
• Kinderen moeten voldoende kansen krijgen om zelf taal te produceren
• Ze moeten worden ondersteund bij het produceren van taal
HET BELANG VAN INTERACTIE EN FEEDBACK:
• Het wordt veel beter opgenomen wanneer kinderen onderhandelen over
de betekenis van de boodschap die ze gehoord of gelezen denken te
hebben
• Door te vragen om opheldering, herformuleren, parafraseren, …
ontvangen taalleerders feedback
• Feedback is effectiever wanneer die focust op zowel vorm als inhoud
DE ROL VAN MOTIVATIE EN SOCIO-EMOTIONELE FACTOREN:
Individuele cognitieve verschillen:
• Er zijn verschillen op vlak van voorkennis en de kennis van andere talen
Socio-emotionele en affectieve factoren:
• Positieve associaties en emoties bevorderen het taalproces
• Positieve emoties hangen samen met de gevoelens van veiligheid en
zelfvertrouwen
• Motivatie speelt ook een belangrijke rol, want als iemand sterk
gemotiveerd is dan wil zij tijd en energie investeren in het taalproces en
gaan ze het ook beter kunnen
Intrinsieke motivatie = komt uit het kind zelf
Extrinsieke motivatie = hangt samen met externe factoren
3
Kristel Detollenaere
2025-2026
VERKORT TRAJECT LAGER ONDERWIJS
, HOOFDSTUK 1: HOE LEREN KINDEREN EEN TAAL
1.1 DE VIER FASES VAN VROEGE TAALVERWERVING
Alle kinderen verwerven, ongeacht hun achtergrond en/of intelligentie, hun
eerste taal tijdens hun eerste vijf levensjaren.
Het tempo waarop kinderen hun moedertaal verwerven hangt af van
verschillende factoren zoals hun aanleg voor taal, het vermogen tot leren,
de luistervaardigheden, de snelheid van de motorische ontwikkeling en het
sociaal contact
Verschillende theorieën over hoe taal verloopt:
1. Het behaviorisme
• Stelt dat kinderen taal leren door volwassenen (ouders, leraren, …)
te imiteren, waarop die volwassenen vervolgens positief reageren
• Taalverwerving verloopt via imitatie, bekrachtiging (positieve
feedback) en conditionering (beloning van het goede gedrag)
2. Het nativisme
• Stelt dat het taalleervermogen aangeboren is en zich in de hersenen
bevindt
3. De interactionele benadering
• Combineert de twee voorgaande theorieën
• De mogelijkheid om taal te verwerven is wel degelijk van bij de
geboorte in de hersenen aanwezig, maar die mogelijkheid moet
door de omgeving geactiveerd en gestimuleerd worden
Factoren die het tempo van het verwerven van de moedertaal bepalen:
Aanleg voor taal
Vermogen tot leren
Luistervaardigheid
Snelheid van motorische ontwikkeling
Sociaal contact
cognitieve, sociale en motorische capaciteiten
DE VOORTALIGE FASE OF PRELINGUALE FASE (0-12 MAANDEN):
Pasgeborenen:
• Een pasgeboren kind heeft een sterke belangstelling voor mensen
(gezichten en stemmen)
• Zij communiceren vooral door te huilen
2-6 maanden:
1
, • Ze kunnen oogcontact nemen met de buitenwereld en wordt er een eerste
glimlach op hun gezicht getoverd
• Baby’s beginnen geluiden te maken zoals kirren, lachen en gorgelen
• Ze gaan ook meer variëren in toonhoogte, luidheid en duur
6-12 maanden:
• Repetitief brabbelen = het steeds herhalen van dezelfde combinaties
• Gevarieerd brabbelen = het afwisselen van verschillende klankcombinaties
DE VROEGTALIGE FASE (12-30 MAANDEN):
12-18 maanden:
• Ze spreken hun eerste woorden uit
• Deze woorden hebben meestal betrekking op hun directe omgeving (vb:
mama, papa, …)
18-24 maanden:
• Peuters beginnen woorden te combineren tot eenvoudige zinnen van twee
woorden
24-30 maanden:
• De uitbreiding van woordenschat groeit snel en peuters beginnen
complexere zinnen te vormen
DE DIFFERENTIATIEFASE (2,5-5 JAAR):
• Het kind leert heel veel nieuwe woorden kennen (1000 als ze vijf jaar zijn)
• Er zijn wel vaak nog problemen met de klanken s en r
• Overextensie = woorden die ze hebben geleerd, gaan ze voor veel meer
voorwerpen gebruiken (bv: morgen voor alle tijdsbepalingen)
• Ze doen aan semantiek (= ze verzinnen zelf neologismen of grappige
toepassingen van bestaande woorden)
• Overregularisatie = de regel die ze ergens hebben ontdekt, gaan ze op
alles beginnen toepassen (bv: ik werkte ik loopte)
VOLTOOIINGSFASE (5 JAAR EN OUDER):
• Kinderen beheersen nu de meeste grammaticale regels en kunnen
complexe zinnen begrijpen en produceren
• Kinderen ontwikkelen een beter begrip van pragmatiek (= dat ze taal
effectiever kunnen gebruiken in verschillende sociale contexten)
• De taalvaardigheid wordt verder verfijnd en aangepast aan de specifieke
behoeften van communicatie in verschillende situaties, zoals op school,
thuis en met leeftijdsgenoten
2
, • Ze verwerven nu ook de schriftelijke taal onder de vorm van lezen en
schrijven
1.2 TAALVERWERVING
Hieronder vind je wat er volgens onderzoekers belangrijk is bij het leren
van taal
HET BELANG VAN INPUT EN OUTPUT:
Input:
• Kinderen moeten voldoende taalaanbod krijgen, want woorden die vaak
worden aangeboren gaan ze sneller verwerven
• Het taalaanbod moet ook betekenisvol zijn en moet inspelen op de
interesses van het kind
• Bovendien moet het taalaanbod nieuwe elementen bevatten en net iets
moeilijker dan wat het kind al kan (zone van naaste ontwikkeling)
Output:
• Kinderen moeten voldoende kansen krijgen om zelf taal te produceren
• Ze moeten worden ondersteund bij het produceren van taal
HET BELANG VAN INTERACTIE EN FEEDBACK:
• Het wordt veel beter opgenomen wanneer kinderen onderhandelen over
de betekenis van de boodschap die ze gehoord of gelezen denken te
hebben
• Door te vragen om opheldering, herformuleren, parafraseren, …
ontvangen taalleerders feedback
• Feedback is effectiever wanneer die focust op zowel vorm als inhoud
DE ROL VAN MOTIVATIE EN SOCIO-EMOTIONELE FACTOREN:
Individuele cognitieve verschillen:
• Er zijn verschillen op vlak van voorkennis en de kennis van andere talen
Socio-emotionele en affectieve factoren:
• Positieve associaties en emoties bevorderen het taalproces
• Positieve emoties hangen samen met de gevoelens van veiligheid en
zelfvertrouwen
• Motivatie speelt ook een belangrijke rol, want als iemand sterk
gemotiveerd is dan wil zij tijd en energie investeren in het taalproces en
gaan ze het ook beter kunnen
Intrinsieke motivatie = komt uit het kind zelf
Extrinsieke motivatie = hangt samen met externe factoren
3