College 1
Inleiding (H1 > Davey)
Trigger: blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de
psychotraumatische gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken
Er zat geen verschil van psychisch lijden tussen de groepen met een triggerwarning en
zonder
- Negatief voor de groep die gelooft dat woorden schade aanrichten
In de 17e en 18e eeuw werd dat wat we nu kennen als psychopathologie vaak
omschreven als het ‘bezeten zijn door demonen’. Ook werd het vaak aan biologische
factoren toegeschreven zoals het hebben van te veel bloed.
Geschiedenis van de klinische psychologie. Het vakgebied van de klinische psychologie
en de psychiatrie vertonen veel overlap
- 1798: Philippe Pinel> eerste humane behandeling en classificatie systeem
(melancholia, manie, dementie en idiotisme)
o Pleitte voor een morele behandeling van cliënten
- 1812: Benjamin Rush: ook humaner en interesse in de oorzaak van
psychopathologie. Begrijpen van de oorzaken van geestelijke ziektes
o Pleitte ook voor een morelere behandeling van cliënten
- 1883: Emil Kraepelin: grondlegger moderne classificatiesysteem. Focus lag op
biologische oorzaken van stoornissen
- 1917: Sigmund Freud: psychoanalyse en focus op psychologische oorzaken i.p.v.
biologische oorzaken
Rondom de 2 wereldoorlogen kregen klinische psychologen het druk. Veel soldaten
kwamen terug met ‘shellshock’ (nu bekend als PTSS) > psychologen werden gevraagd
om hulp van de psychiaters (vooral meten van veteranen en kijken wie er een geschikte
soldaat zou zijn en zonder klachten terug zou komen)
,Na 2e wereldoorlog: Boulder model
- 1947: Kijken van het vormgeven
- 1949: Shakow rapport: nogsteeds hoe we de klinische psychologie nu zien
o Diagnostiek, therapie en onderzoek
o Klinisch psychologen als scientist-practitioners! Dit betekende dat een
psycholoog optreedt als wetenschapper maar ook werkt in de praktijk
Ø Praktische component (symptomen die kunnen duiden op een psychologische
stoornis en wetenschappelijke component (onderzoek naar symptomen)
De klinische psychologie wordt ook wel ‘abnormale psychologie’ genoemd omdat het
zich focust op wat er niet goed gaat en afwijkend gedrag, maar:
Wat is (ab)normaal?
- Afwijkend van een statistische norm?
o Pluspunten: cut-o`s, kwantificeerbaarheid
o Minpunten: niet alles aan de randjes van de statistiek is onwenselijk (zoals
een heel hoog IQ), niet alle abnormale gedragingen zijn zeldzaam en
afkappunten zijn arbitrair (willekeurig)
- Afwijkend van de sociale norm? > deviance?
o Pluspunten houdt rekening met variatie tussen verschillende culturen
o Minpunten: er is geen algemene overeenstemming, de normen
veranderen over tijd (zoals homoseksualiteit) en de situatie en context
kunnen normen beïnvloeden, en wat is sociaal wenselijk?
- Als de klachten schadelijk worden > disfunctioneren?
o Pluspunten: focus op hoe onaangepast (schadelijk) het gedrag is
o Minpunten: sommige abnormale gedragingen kunnen wel adaptief zijn en
niet alle onaangepaste gedragingen worden als abnormaal gezien
- Als de klachten psychisch lijden veroorzaakt > distressing?
o Pluspunten: focust op hoe onwenselijk het gedrag is en niet gebonden aan
statistische of sociale normen, eigen ervaring van de cliënt wordt ook in
beschouwing genomen
o Minpunten: mensen zien wellicht niet in dat hun gedrag leed veroorzaken
en het lijden kan vanuit een situatie verklaarbaar zijn, niet elke stoornis
gaat samen met psychisch lijden
,D’s van abnormaliteit: deviance (afwijkend van de norm), disfunctioning, distressing,
danger
- 5e? Disease (bijvoorbeeld kijken naar het brein en of deze afwijkt> maar wat komt
er eerst? Een fobie of de hersenafwijking bijvoorbeeld)
Ø Dus biologische oorzaken van abnormaal gedrag wordt ook hierin
meegenomen
In de DSM-V is er sprake van een categorische benadering waarin er een strak
onderscheid is tussen het hebben of niet hebben van een bepaalde stoornis. Er moet
worden voldaan aan bepaalde symptomen en vaak wordt er ook bepaald aan hoeveel
symptomen om in aanmerking te komen met een diagnose. Symptomen moeten er ook
duidelijk voor zorgen dat iemand lijdt en minder goed functioneert
Labelen van ‘abnormaal gedrag’ kan stigma veroorzaken (niet alleen vrienden/familie
bijvoorbeeld maar ook behandelaars)
Het lijkt te simpel om te spreken over biologisch reductionisme: hierbij worden
stoornissen volledig verklaard vanuit biologische oorzaken
College 2
Angststoornissen (H5 > Davey)
Specifieke fobie: angst m.b.t. een specifiek object of situatie
- Criterium
o Minimaal 6 maand
o Meeste zoeken geen hulp
o Bij blootstelling acute angst respons
o Angst buiten proportie t.o.v. echte gevaar
§ Neem context ook altijd mee met wat je buiten proportie vindt: in
Australië is het bijv normaler om elke dag je schoenen te checken
op spinnen t.o.v. Nederland
o Verstoring dagelijks leven
o Vermijding, anders doorstaan met intense angst
- Waarom krijgen sommige mensen een specifieke fobie?
o Mowrers twee factoren model
, 1. Vervelende ervaring (ongeconditioneerde stimulus) leidt tot angst
(ongeconditioneerde reactie)
2. Dingen die doen denken aan de vervelende situatie vormen een
geconditioneerde stimulus en roepen angst op
3. Er is dan sprake van een geconditioneerde stimulus die de
geconditioneerde reactie angst oproept. De geconditioneerde
stimulus wordt zo veel mogelijk vermeden. Maar in plaats van de
angst daarmee weggaat, wordt deze door vermijdingsgedrag in
stand gehouden
§ Als een slang je bijt en daarvoor sist, associëren mensen sissen
met bijten en ontstaat er angst (geconditioneerde stimulus).
Mensen worden dan al bang van het alleen al horen van het gesis
(geconditioneerde respons/reactie)
§ In stand gehouden via Operante conditioneren: als je leert dat
sissen een beet voorspeelt gaan mensen het vermijden
• Vermijding en angst gaan samen
• Vermijding > beloning > negatieve bekrachtiging
o Door de beloning ga je het vaker doen
§ Maar model voldoet niet genoeg
• Stimulus-respons model (black box)
• Niet iedereen met een fobie heeft een aversieve ervaring
• Niet iedereen met een aversieve ervaring ontwikkelt een
fobie
• Model verklaart bijvoorbeeld niet een leeuwen fobie
(asymmetrische verdeling fobische stimuli)
• Angst kan zit ontwikkelen zonder directe ervaring met CS-
US: vicarious learning (plaatsvervangend leren)
o Als je moeder bijvoorbeeld bang is voor spinnen kan
jij dat ook worden
§ Onderzoek met apen en slangen
Alternatieven voor Mowrers model:
1. S-S model
o Niet iedereen met een vervelende ervaring krijg een fobie en andersom.
Daarom het S-S model. Dit model focust meer op de cognitieve
representaties die we over de ongeconditioneerde stimulus (bijv een
slang) hebben, die uiteindelijk een geconditioneerde angstreactie creëert.
Het gaat dan om de verwachtingen over de geconditioneerde stimulus-
ongeconditioneerde respons relatie en over wat wij in eerste instantie
vinden van de ongeconditioneerd stimulus