College 1
2 belangrijke dimensies binnen de wetenschap:
• Normatief en descriptief
o Hoe hoort het > normatief (vooral wetenschapsfilosofen)
o Hoe gaat het daadwerkelijk > descriptief (praktijk waar
wetenschapssociologen over spreken)
o Normatieve en descriptieve standpunten zijn niet stikt gescheiden
o Als normen niet meer realistisch zijn moeten we de praktijk veranderen?
• Weten en doen
o Wetenschap kan worden gebruikt als kennis maar het kan ook gebruikt
worden als praktijk (experimenten doen)
> Normatieve en descriptieve vragen/standpunten gaan vaak hand in hand: als iets op
een bepaalde manier moet, moet het op die manier kunnen, als normen niet realistisch
zijn, moet je je afvragen of je de normen moet aanpassen of juist te praktijk moet
veranderen
Logisch empirisme (ook wel logisch positivisme) Rudolf Carnap > was een belangrijke
stroming in de vroege 20e eeuw
• Oorsprong in Wenen die zich bezighield met de vraag: wat is wetenschap?
• Aanhangers probeerden te definiëren wanneer een uitspraak betekenis heeft en
wanneer niet. Zo wilden zij van filosofie een wetenschap maken
• Gaat vaak over 2 belangrijkste bijdragen:
• Het verificatiecriterium (had te maken met betekenisvolle uitspraken)
o De betekenis van een uitspraak is de methode van empirische
verificatie (zit dicht bij het operationalisme: wetenschappelijke
begrippen moeten gekoppeld zijn aan concrete meet- of
onderzoeksprocedures). Uitspraak heeft alleen betekenis als je het kan
aantonen en laten zien. Wetenschap moet zich bezighouden met
betekenisvolle uitspraken. Het doel was om de wetenschap te
onderscheiden van metafysica en van religie, want dit ging over
betekenisloze uitspraken.
o Een demarcatiecriterium
• Wetenschap = directe observaties + logica
, o Wetenschappers moeten eerst observeren. Wetenschap begint met
data/gegevens/observaties/constateringen. Deze verzamel je en
vervolgens ga je daarin logisch redeneren en verbanden in zoeken. Op
basis hiervan probeer je een theorie op te bouwen > inductief model
van wetenschap
o Inductie is een vorm van gevolgtrekking (‘inference’)
Gevolgtrekking (4 soorten)
1. Inductie
• Data zijn in overeenstemming met de theorie > theorie is juist
• Veel gebruikt in de wetenschap
• Inductie is dat je van specifiek naar algemeen gaat. Van specifieke feiten
bouw je iets algemeens op (bijv zwanen observeren die allemaal wit waren >
trek conclusie dat alle zwanen wit zijn > generalisatie (vorm van inductie))
• Inductie kan leiden tot onjuiste conclusies als de verzamelde gegevens niet
representatief zijn voor het geheel of als er andere factoren zijn die de
conclusie kunnen beïnvloeden. Daarom moet een inductieve rednering altijd
worden ondersteunt door voldoende en representatieve gegevens om
betrouwbare conclusies te kunnen trekken
• Inductie in de wetenschap
• ‘Data zijn in overeenstemming met theorie’, ‘Theorie bevestigd in 20 studies’,
‘Medicijn bleek veilig in 3 ECT’s’
o Data in overeenstemming met theorie > dus de theorie klopt
(inductieve vorm van redeneren)
• Het inductieprobleem volgens Hume
o Inductie is niet rationeel te verantwoorden. Een conclusie is namelijk
niet zeker, maar hoogst waarschijnlijk. Hij wees erop dat als we
inductie gebruiken als manier van gevolgtrekken dat de conclusie nooit
zeker volgt uit de uitgangspunten. Het feit dat onze theorie nu in 10
studies is bevestigd, betekent niet noodzakelijkwijs dat ze volgende 10
de theorie ook zullen bevestigen. Je generaliseerd naar iets dat je niet
kan weten.
o Inductie is niet redelijk maar een gewoonte. Als we inductief redeneren
gaan we uit van een uniforme wereld: toekomst zal lijken op het
verleden (dat ze zon bijv zoals altijd zal opkomen). Als we die
uniformiteit willen redeneren kan dit alleen met een cirkelredenering
(‘ja want het is tot nu toe altijd zo geweest’). inductie is niet rationeel te
verantwoorden en geeft geen zekerheid. Waarom zou de wereld
uniform zijn? We mogen die gewoontes helemaal niet verwachten
, § Tegenstanders hebben hierop gezegd dat inductie te
verantwoorden is, omdat de wereld wel uniform is (dit is een vorm
van inductie en dus een cirkelredenering)
o De reactie van Karl Popper: ‘A scientist puts forward statements, or
systems of statements, and tests them step by step.’. Hij zegt dat
wetenschap niet begint met observaties maar het begint met een
vraag: vraag/probleem > theorie > toetsen. Als je geen probleem hebt
weet je niet wat je moet observeren. Dit hadden de logisch positivisten
ok al vrij snel geformuleerd, maar Popper heeft het meest overtuigende
alternatief geformuleerd voor een inductieve manier van werken. Ook
technologie is een oplossing voor een problemen en als je een
technologie ontwikkeld begin je met een probleem en ontwikkel je
mogelijke oplossingen die je gaat toetsen (dus technologie zit volgens
Popper dicht bij de wetenschap).
2. Deductie (Karl Popper)
o Theorie voorspelt X > X treedt niet op > theorie is niet juist
o Basis van falsificatie
o Poppers wetenschap is gebaseerd op deductief
o Deductief redeneren gaat van algemeen naar specifiek (i.p.v. specifiek
naar algemeen (inductie))
§ Het proces omvat het gebruik van logica en redenering om
conclusies te trekken uit de gegeven premissen. Bijvoorbeeld: alle
mensen zijn sterfelijk > Socrates is een mens > dus Socrates is
sterfelijk
o Deductieve redenering is nuttig in situaties waarin de premisse (aanname)
waar is en de conclusie daarom ook waar moet zijn. het kan echter leiden
tot onjuiste conclusies als de premisse niet waar is of als de redenering
niet geldig is
o Een andere vorm van deductie: als je echt van me houdt die je de was > je
doet de afwas niet > dus je houdt niet van me. Als A dan B. B is niet het
geval dus dan is A ook niet het geval (Modus tollens redenering: deductie
op basis van falsificatie). Theorie voorspelt X. als X niet optreedt is de
theorie niet juist. Zo kunnen we zekerheid hebben dat een theorie niet juist
is > falsificatie. Wetenschap is het proces van het voortdurend uitsluiten
van mogelijkheden (in plaats van hypothese proberen te bevestigen)
o Maar als je zegt theorie voorspelt X en als X optreedt aannemen dat de
theorie waar is dan is dit geen geldige redenering. Je moet naar falsificatie
zoeken, niet naar bevestiging
, Wat is wetenschap
• Popper’s demarcatiecriterium: het is een criterium waaraan je kunt aflezen wat
wetenschap is en wat niet. Het bestaat uit de volgende stellingen
o Wetenschappelijke beweringen zijn falsifieerbaar (als ze dat niet zijn en
niet onjuist kunnen zijn, zijn ze niet wetenschappelijk)
o wetenschappers proberen beweringen te toetsen anders heb je te maken
met een pseudowetenschap (wetenschappen die niet falsifieerbaar zijn:
bijvoorbeeld psychoanalyse van Freud)
• Problemen demarcatiecriterium:
o Maar in de praktijk is het anders want wetenschappers geven hun theorie
niet zomaar op als de resultaten tegen zitten. Als beweringen niet
falsifieerbar zijn, of als na het toetsen van een bewering toch iets anders
uit de toets komt
o Resultaten die niet in overeenstemming zijn met de theorie worden vaak
ook niet gepubliceerd (publicatiebias).
o Daarnaast is wetenschap ook diverser dan Popper het doet lijken. Toetsing
is zeker een belangrijk aspect van de wetenschap, maar dat is niet het
enige wat ze doen. Er kan bijvoorbeeld ook gedaan worden aan exploratief
onderzoek
De wetenschappelijke methode
• Er is niet zoiets als DE wetenschappelijke methode, er is er niet maar 1 methode
die wetenschap onderscheidt van andere praktijken en wetenschappers
gebruiken heel veel methoden. Elke methode heeft zijn voor- en nadelen
Scientisme
• Scientisme is het idee dat alleen wetenschappelijke kennis echte kennis is.
Susan Haach benoemt dat ze het hier niet mee eens is en dat de wetenschap
hiermee overgewaardeerd wordt. De term ‘wetenschappelijk’ wordt volgens haar
onterecht als eretitel gebruikt. Volgens haar bestaat de wetenschappelijk
methode niet, omdat wetenschappers heel veel methoden gebruiken binnen de
wetenschap
3. Inference to the best explanation
o Je hebt een vraag en daarvoor geef je mogelijke verklaringen die je met
elkaar vergelijkt en je kiest de beste uit. Je genereert de verklaringen op