H1 psychologie als wetenschap
→ verschillende stromingen en dus verschillende kijk op de mens
→ psychologie zoals politiek
begin 20e eeuw eind 20e eeuw
psychodynamische theorie vs behaviorisme evidence based
1. kenmerken van wetenschap
a. domein
= onderwerp van bepaalde wetenschap of discipline
= Verschillende stromingen binnen de psychologie concentreren zich vaak op
verschillende onderwerpen/ onderzoek domeinen:
bv. behaviorisme → focus op gedrag
psychoanalyse → onbewuste centraal
b. hypothesen en theorieën
= systematische en hiërarchische ordening van inzichten en causale (oorzakelijke)
verbanden over een bepaald gebied van de werkelijkheid
c. reductie
= elke wetenschap is een vereenvoudiging van de totale werkelijkheid; kracht van
de wetenschap ligt in isoleren deelsystemen
d. intersubjectieve overeenstemming (kennen)
= iets is geldig of waar voor elkeen (een groep mensen onderling) van een aantal
subjecten
bv. ufo’s, God, de verzinsels over een leerkracht
= wetenschap streeft naar intersubjectieve overeenstemming tussen diegenen
die zich aan wetenschappelijke regels houden
= inter = tussen verschillende personen
= intra = binnen 1 en dezelfde persoon
e. formulering
= elke wetenschap heeft zijn eigen jargon, dit is nauwkeurig, precies,
ondubbelzinnig, …
= je bakent je vakgebied af voor buitenstaanders
bv. IQ, oedipuscomplex, frustratietolerantie
1
, f. voortgang
= wetenschap evolueert
1) paradigma’s volgen elkaar op en zijn tijdgebonden
paradigma = samenhangende wetenschappelijke visies, theorieën,
begrippenkaders en onderzoeksmethoden
= referentiekader dat bepaalt welke de belangrijke vragen
zijn, en hoe we daarvoor een oplossing voor kunnen vinden
2) cyclische voortgang
→ een wetenschap evolueert ook door een cyclische voortgang:
= ze nemen feiten waar, gaan daarover hypothesen opstellen, die later worden
getoetst in experimenten. Als uit onderzoek blijkt dat de hypothese klopt, kan
die worden geïntegreerd in de theorie, waaruit dan weer nieuwe
onderzoeksvragen en hypothesen kunnen voortvloeien.
g. kritisch
= alle wetenschappen worden kritisch onderbouwd, maar je kan nooit zeker zijn of
het feitenmateriaal compleet objectief is. Daarom leggen ze het onderzoek voor
aan een panel wetenschappers om tot intersubjectieve overeenstemming te
komen: verschillende onderzoekers zijn het dus eens met elkaar.
h. mensbeeld & filosofisch gedachtengoed
= elke wetenschap komt voort uit een mens-en wereldbeeld
= dit wereldbeeld beïnvloedt hoe nieuwe ideeën ontstaan, of het ontstaat net als
logisch gevolg uit de theorieën die men ontwikkelt.
bv. in orthopedagogie: normalisatie, integratie, inclusie → gelijkheid
(Dia 20 niet kennen)
2. situering tussen de wetenschap (niet zo belangrijk)
nomothetische wetenschap = focus op verklaren
= algemeen geldende regels
bv. fysicaformules
ideografische wetenschap = focus op begrijpen
= uniek en specifiek
bv. literatuurwetenschap
2
, 3. methoden
3 soorten methoden:
1) mensenkennis
= mensenkennis vs wetenschappelijk psychologische kennis
= buikgevoel, vorm van intuïtie, waardegeladen en cultuurgebonden
= is belangrijk maar blijft subjectief
2) niet-psychometrische methoden
= methoden waarbij data analyse / statistiek niet wordt gebruikt
- observatie
= participerende observatie; effectief omgaan met de cliënt
= is moeilijk; je zit zelf mee in de interactie
- introspectie
= in je eigen hoofd kijken, innerlijke zelfwaarneming
= vanop een afstand stel je je eigen gedachten of gevoelens vast, en erkent deze
- interview
= mondeling vragen stellen, kan meer of juist minder gestructureerd zijn, actief
luisteren
= projectie = valkuil waarbij eigen gedachten of gevoelens worden toegeschreven
aan de geïnterviewde
- anamnese (EXAMEN)
= ontwikkelgeschiedenis / ontstaansgeschiedenis
= studie van de ontwikkeling van een bepaalde problematiek, karaktertrek,
kenmerk, …
= het verhaal van de cliënt zelf, is dus zeer subjectief, methode waarbij er veel
vragen worden gesteld
- gevalstudie / casestudy (EXAMEN)
= casus / case
= intensieve, diepgaande en gedetailleerde studie van 1 praktijkgeval
= alle gegevens (bv. observaties, gesprekken (anamnese), medische gegevens, …)
in de diepte bekijken → multidisciplinaire benaderingswijze
+ diepgaand en gedetailleerd
+ verkennen thema
! let op: resultaten niet zomaar veralgemenen: je steunt slechts op een steekproef
van 1 iemand → resultaten moeten dus met andere methoden aangevuld
worden
3
, - projectieve technieken (EXAMEN)
= persoon gaat eigen karakter, emoties, … projecteren op een ander / iets ander,
grotendeels onbewust
bv. kinderen doen dit adhv tekeningen
→ projectieve testen = mensen laten tekenen / naar iets laten kijken en er
een verhaal bij laten vertellen; zegt heel veel over
zichzelf
= niet volledig wetenschappelijk maar wordt wel nog
steeds gebruikt bij diagnostiek en therapie
bv. laten kijken naar een vlek (Rorschachtest), een vage foto (Thematic
Apperception Test) of een abstract gegeven
bv. een kind een huis, persoon en een boom laten tekenen, en er een verhaal bij
vertellen (House-Tree-Person-test)
3) psychometrische methoden (EXAMEN toepassingsvraag)
= methoden waarbij data analyse / statistiek wel wordt gebruikt
- experiment
- correlationeel onderzoek
- testen
experiment = altijd 1 variabele (= iets dat je kan meten) manipuleren
= hierdoor gaan we na of de manipulatie de oorzaak is van de resultaten die we
meten op de andere variabele (causaal of oorzakelijk verband)
→ in een experiment heb je altijd een doelgroep (= populatie) waaruit je een
deetje zal nemen (steekproef)
bv. invloed van alcohol op reactiesnelheden bij jongeren tussen 18-24 in
vlaanderen
rood = populatie → hieruit een klein deel nemen (steekproef)
= steekproef moet representatief zijn: at random = puur willekeurig, op
voorwaarde dat de steekproef groot genoeg is
bv. sociaal-economische status, (niet-) studerende, …
variabele = een grootheid die verschillende waarden kan hebben en gemeten
kan worden
bv. temperatuur graden, ‘warm’, ‘koud’
lengte ‘cm’, ‘s/m/l/xl’
haarkleur bruin - zwart- …
4