ONTWIKKELINGS
PSYCHOLOGIE
PROF. JANTINE SPLIT
1
, COLLEGE 1: INTRODUCTIE
HS1&3
KENNISMAKEN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Ontwikkelingspsychologie (/levenslooppsychologie) = wetenschappelijke studie naar groei, verandering en
stabiliteit doorheen de levensloop; 4 domeinen:
• Fysieke ontwikkeling = Kijkt naar de invloed van de hersenen, het zenuwstelsel, de spierenn de zintuigen
en de behoefte aan eten, drinken en slaap op ons gedrag.
o Vb.: Wat bepaald de sekse van een kind?; Wat zijn de voordelen van borstvoeding?
• Cognitieve ontwikkeling = Kijkt naar intellectuele vermogens, waaronder leren, geheugen,
probleemoplossing en intelligentie
o Vb.: Wat zijn de effecten van tv kijken?; Heeft tweetaligheid voordelen?; Wat zijn onze vroegste
herinneringen?
• Sociaal-emotionele ontwikkeling = Kijkt naar de sociale relaties en interacties met anderen en naar het
omgaan met emoties.
o Vb.: Wat is de beste manier om kinderen gewenst gedrag aan te leren?; Wanneer is een baby
onveilig gehecht?
• Persoonlijkheidsontwikkeling = Kijkt naar de duurzame gedragingen en (karakter) eigenschappen die de
ene persoon van de andere onderscheiden.
o Vb.: Heeft een kind besef van goed/slecht?; Wanneer wordt een kind zich bewust van zijn
sekse/seksualiteit?
De verschillende ontwikkelingsfasen:
• Prenataal
• Babytijd
• Peuter- en kleutertijd
• Schooltijd
• Adolescentie
• Opkomende volwassenheid
• Volwassenheid
• Ouderdom
➔ De ontwikkeling van het kind bestaat uit de 4 vetgedrukte fases
2
,HISTORIEK VAN OP (IN VOGELVLUCHT)
Kinderen werden vroeger eerder
behandeld als miniatuur-
volwassenen, de kindertijd werd
niet als aparte leeftijd
bestudeerd.
Pas vanaf 1700 de eerste babybiografiën (door o.a. Darwin en Rousseau kwam er interesse in de kindertijd).
• Na de industrialisatie werd onderwijs meer algemeen toegankelijk => meer aandacht kindertijd
• Vanaf 20e E ontwikkelingspsychologie als discipline
Systematische observatiestudies bij grote groepen kinderen (Binet, Hall, Gessel)
TERUGKERENDE CONCEPTEN
Continuïteit Discontinuïteit:
• Geleidelijke ontwikkeling Ontwikkeling in aparte stappen of stadia
• Kwantitatieve verschillen Kwalitatieve verschillen
• Prestaties op bepaald niveau vloeien voort uit die op de vorige niveaus elk stadium levert gedrag op
dat qua inhoud en hoedanigheid anders is dan gedrag in eerdere stadia
➔ Vroeger meer discontinu denken, tegenwoordig meer continu denken
Vb.: Vroeger was een kind wel of niet zindelijk, tegenwoordig zien we dat hier meer onderliggende
competenties aan liggen dat een kind moet kunnen (bvb cognitieve controle)
Kritieke periode Gevoelige periode:
• Bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk Extra ontvankelijk voor bepaalde soorten
omgevingsstimuli
• Indien stimuli niet aanwezig: onomkeerbare gevolgen Optimale periode om bepaalde vermogens te
ontwikkelen
➔ Evidentie voor een grotere plasticiteit van het brein dan aanvankelijk gedacht werd (vb.: de eerste
levensjaren van een kind zijn de gevoelige periode om bijvoorbeeld een taal te leren)
3
, Voorbeeld van een gevoelige periode:
- Expletieve functies = belangrijk om
eigen gedachten, emoties en gedrag te
kunnen sturen (vooral in kleuterleeftijd
om zelfcontrole te kunnen ontwikkelen)
- Gevoelige periode gaat samen met
ontwikkelingen frontale lobben!
➔ Kinderen uit lage SES zijn gevoeliger
voor de gevoelige periode
➔ Er kunnen ook meerdere kritieke periodes (vb. taal)
Er wordt vaak gesproken over dat de eerste 1000 dagen van het kinderleven levensbepalend zijn. Dit is ook
belangrijk, maar wordt in de media zwaar overschat:
• Het is een te eenvoudige veronderstelling
• Plasticiteit van de hersenen wordt onderschat
• Ontwikkeling van de hersenen tot 24 jaar
• …
Normatieve invloeden Niet-normatieve invloeden:
• Normatieve invloeden = beïnvloeden grote groepen op gelijkaardig wijze
o Leeftijdsgebonden: gelijkaardig voor iedereen van een bepaalde leeftijd (vb. voor het eerst naar
school gaan)
o Historisch: gelijkaardig voor iedereen in een bepaalde tijdsperiode (cohort effect*) (vb. kinderen
in Oekraïne die de oorlog meemaken)
o Sociaal-cultureel: gelijkaardig voor iedereen in een bepaalde cultuur, sociale klasse,... (vb.
kinderen uit lage SE-klasse worden meer blootgesteld aan armoede stress)
• Niet-normatieve invloeden = specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van één bepaalde
persoon
*Cohort = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek geboren zijn en dezelfde sociaal historische
invloeden meemaken
Generatiekloof = een groot verschil tussen mensen (ouders en kinderen) op het gebied van attitudes,
waarden, ambities en wereldbeeld.
o De mythe van de generatiekloof: In tienerfilms wordt vaak het beeld gewekt van
adolescenten en ouders die lijnrecht tegenover elkaar staan. Dit is meestal niet het geval: op
vlak van politiek, sociale en religieuze zaken zijn ze het vaak met elkaar eens; ouders en
adolescenten delen vaak gelijkaardige zorgen; hechten evenveel belang aan de relatie die ze
met elkaar hebben
=> We kunnen dus (meestal) NIET spreken over een generatiekloof tussen ouders en
kinderen
4
PSYCHOLOGIE
PROF. JANTINE SPLIT
1
, COLLEGE 1: INTRODUCTIE
HS1&3
KENNISMAKEN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Ontwikkelingspsychologie (/levenslooppsychologie) = wetenschappelijke studie naar groei, verandering en
stabiliteit doorheen de levensloop; 4 domeinen:
• Fysieke ontwikkeling = Kijkt naar de invloed van de hersenen, het zenuwstelsel, de spierenn de zintuigen
en de behoefte aan eten, drinken en slaap op ons gedrag.
o Vb.: Wat bepaald de sekse van een kind?; Wat zijn de voordelen van borstvoeding?
• Cognitieve ontwikkeling = Kijkt naar intellectuele vermogens, waaronder leren, geheugen,
probleemoplossing en intelligentie
o Vb.: Wat zijn de effecten van tv kijken?; Heeft tweetaligheid voordelen?; Wat zijn onze vroegste
herinneringen?
• Sociaal-emotionele ontwikkeling = Kijkt naar de sociale relaties en interacties met anderen en naar het
omgaan met emoties.
o Vb.: Wat is de beste manier om kinderen gewenst gedrag aan te leren?; Wanneer is een baby
onveilig gehecht?
• Persoonlijkheidsontwikkeling = Kijkt naar de duurzame gedragingen en (karakter) eigenschappen die de
ene persoon van de andere onderscheiden.
o Vb.: Heeft een kind besef van goed/slecht?; Wanneer wordt een kind zich bewust van zijn
sekse/seksualiteit?
De verschillende ontwikkelingsfasen:
• Prenataal
• Babytijd
• Peuter- en kleutertijd
• Schooltijd
• Adolescentie
• Opkomende volwassenheid
• Volwassenheid
• Ouderdom
➔ De ontwikkeling van het kind bestaat uit de 4 vetgedrukte fases
2
,HISTORIEK VAN OP (IN VOGELVLUCHT)
Kinderen werden vroeger eerder
behandeld als miniatuur-
volwassenen, de kindertijd werd
niet als aparte leeftijd
bestudeerd.
Pas vanaf 1700 de eerste babybiografiën (door o.a. Darwin en Rousseau kwam er interesse in de kindertijd).
• Na de industrialisatie werd onderwijs meer algemeen toegankelijk => meer aandacht kindertijd
• Vanaf 20e E ontwikkelingspsychologie als discipline
Systematische observatiestudies bij grote groepen kinderen (Binet, Hall, Gessel)
TERUGKERENDE CONCEPTEN
Continuïteit Discontinuïteit:
• Geleidelijke ontwikkeling Ontwikkeling in aparte stappen of stadia
• Kwantitatieve verschillen Kwalitatieve verschillen
• Prestaties op bepaald niveau vloeien voort uit die op de vorige niveaus elk stadium levert gedrag op
dat qua inhoud en hoedanigheid anders is dan gedrag in eerdere stadia
➔ Vroeger meer discontinu denken, tegenwoordig meer continu denken
Vb.: Vroeger was een kind wel of niet zindelijk, tegenwoordig zien we dat hier meer onderliggende
competenties aan liggen dat een kind moet kunnen (bvb cognitieve controle)
Kritieke periode Gevoelige periode:
• Bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk Extra ontvankelijk voor bepaalde soorten
omgevingsstimuli
• Indien stimuli niet aanwezig: onomkeerbare gevolgen Optimale periode om bepaalde vermogens te
ontwikkelen
➔ Evidentie voor een grotere plasticiteit van het brein dan aanvankelijk gedacht werd (vb.: de eerste
levensjaren van een kind zijn de gevoelige periode om bijvoorbeeld een taal te leren)
3
, Voorbeeld van een gevoelige periode:
- Expletieve functies = belangrijk om
eigen gedachten, emoties en gedrag te
kunnen sturen (vooral in kleuterleeftijd
om zelfcontrole te kunnen ontwikkelen)
- Gevoelige periode gaat samen met
ontwikkelingen frontale lobben!
➔ Kinderen uit lage SES zijn gevoeliger
voor de gevoelige periode
➔ Er kunnen ook meerdere kritieke periodes (vb. taal)
Er wordt vaak gesproken over dat de eerste 1000 dagen van het kinderleven levensbepalend zijn. Dit is ook
belangrijk, maar wordt in de media zwaar overschat:
• Het is een te eenvoudige veronderstelling
• Plasticiteit van de hersenen wordt onderschat
• Ontwikkeling van de hersenen tot 24 jaar
• …
Normatieve invloeden Niet-normatieve invloeden:
• Normatieve invloeden = beïnvloeden grote groepen op gelijkaardig wijze
o Leeftijdsgebonden: gelijkaardig voor iedereen van een bepaalde leeftijd (vb. voor het eerst naar
school gaan)
o Historisch: gelijkaardig voor iedereen in een bepaalde tijdsperiode (cohort effect*) (vb. kinderen
in Oekraïne die de oorlog meemaken)
o Sociaal-cultureel: gelijkaardig voor iedereen in een bepaalde cultuur, sociale klasse,... (vb.
kinderen uit lage SE-klasse worden meer blootgesteld aan armoede stress)
• Niet-normatieve invloeden = specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van één bepaalde
persoon
*Cohort = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek geboren zijn en dezelfde sociaal historische
invloeden meemaken
Generatiekloof = een groot verschil tussen mensen (ouders en kinderen) op het gebied van attitudes,
waarden, ambities en wereldbeeld.
o De mythe van de generatiekloof: In tienerfilms wordt vaak het beeld gewekt van
adolescenten en ouders die lijnrecht tegenover elkaar staan. Dit is meestal niet het geval: op
vlak van politiek, sociale en religieuze zaken zijn ze het vaak met elkaar eens; ouders en
adolescenten delen vaak gelijkaardige zorgen; hechten evenveel belang aan de relatie die ze
met elkaar hebben
=> We kunnen dus (meestal) NIET spreken over een generatiekloof tussen ouders en
kinderen
4