Algemene Psychologie – uitgebreide samenvatting
Theorie uit les 1 t/m 7, samengevoegd zonder dubbele uitwerkingen
Inhoudsoverzicht
• Les 1 – Psychologie, geschiedenis en psychologische perspectieven
• Les 2 – Leertheorieën
• Les 3 – Biologische psychologie
• Les 4 – Cognitieve processen
• Les 5 – Psychologie als wetenschap en onderzoeksmethoden
• Les 6 – Motivatie en emotie
• Les 7 – Intelligentie en intelligentiemeting
Les 1 – Psychologie, geschiedenis en psychologische perspectieven
Wat is psychologie?
Psychologie is de wetenschappelijke studie van gedrag en mentale processen. Het vak richt zich op het
beschrijven, verklaren en begrijpen van menselijk functioneren.
Specialisaties binnen de psychologie
• Sociale psychologie: invloed van anderen, attitudes, conformiteit, attributies en groepsprocessen.
• Arbeids- en organisatiepsychologie: motivatie, leiderschap, stress, selectie en welzijn op het werk.
• (Cross-)culturele psychologie: invloed van cultuur, individualisme/collectivisme en vertekening door
overmatige focus op WEIRD-populaties.
• Economische psychologie: beslissen, heuristieken, biases en consumentengedrag.
• Ontwikkelingspsychologie: veranderingen gedurende de levensloop en de wisselwerking tussen nature en
nurture.
• School- en kinderpsychologie: leren, gedrag en welzijn binnen onderwijs en ontwikkeling.
• Klinische psychologie: diagnostiek en behandeling vanuit onder meer biologische, cognitieve, behavioristische
en humanistische modellen.
• Neuropsychologie: relatie tussen hersenen en gedrag, cognitieve functies, stoornissen en neuroplasticiteit.
• Gezondheidspsychologie: relatie tussen gedrag en gezondheid, leefstijl en preventie.
• Sportpsychologie: motivatie, focus en mentale weerbaarheid.
• Forensische psychologie: gedrag binnen het rechtssysteem, dadergedrag en risicotaxatie.
• Gerontopsychologie: ouder worden, geheugen en aanpassing.
Toegepaste Psychologie
• Toegepaste psychologie gebruikt kennis uit fundamenteel psychologisch onderzoek in de praktijk.
• Belangrijke beroepscompetenties zijn onderzoeken, trainen, coachen, voorlichten, adviseren en assessen.
• Werkterreinen zijn onder meer onderwijs, arbeid, gezondheid, consumentengedrag, relaties en veiligheid.
Van filosofie naar wetenschappelijke psychologie
Oudheid
• Plato, Socrates en Aristoteles dachten na over bewustzijn, emoties en waarneming.
• Er was nog geen empirische methode; de filosofische vragen vormden wel een basis voor latere psychologie.
Rationalisme – René Descartes
• Kennis komt primair voort uit denken en redeneren.
• Dualisme: geest en lichaam worden als gescheiden beschouwd.
• Het lichaam kon daardoor als afzonderlijk, wetenschappelijk bestudeerbaar systeem worden gezien.
Pagina 1
, Algemene Psychologie
Empirisme – John Locke
• Tabula rasa: kennis ontstaat door ervaring.
• Waarneming en experiment vormen de basis voor betrouwbare kennis.
• Deze benadering vormde een fundament voor experimentele psychologie.
Positivisme en Wilhelm Wundt
• Psychologie werd benaderd als empirische wetenschap.
• Wundt verrichtte de eerste psychologische experimenten en gebruikte introspectie om elementaire mentale
processen te analyseren.
Structuralisme – Edward Titchener
• Doel: mentale structuren ontleden in basiselementen.
• Methode: introspectie.
• Belangrijkste kritiek: subjectiviteit en beperkte betrouwbaarheid.
Functionalisme – William James
• Niet de structuur maar de functie van mentale processen staat centraal.
• Mentale processen worden gezien in het licht van aanpassing aan de omgeving.
• Darwins evolutietheorie had grote invloed.
• Het functionalisme vormde een basis voor toegepaste psychologie.
Gestaltpsychologie
• Het geheel is meer dan de som der delen.
• Waarneming wordt als georganiseerd geheel bestudeerd.
• De benadering is belangrijk voor moderne perceptiepsychologie.
Behaviorisme – Watson en Skinner
• Alleen observeerbaar gedrag geldt als wetenschappelijk bestudeerbaar.
• Gedrag wordt verklaard vanuit leerprincipes en conditionering.
• Klassieke en operante conditionering staan centraal.
Humanisme – Rogers en Maslow
• Vrije wil, persoonlijke groei en zelfactualisatie staan centraal.
• Het humanisme vormde een reactie op behaviorisme en psychoanalyse.
• De benadering vormt een basis voor counseling en cliëntgericht werken.
Cognitivisme – Chomsky, Piaget en Vygotsky
• Mentale processen zoals denken, interpretatie en informatieverwerking staan centraal.
• Het cognitivisme vormde een reactie op de beperkte aandacht voor innerlijke processen in het behaviorisme.
Cognitief behaviorisme – Beck, Ellis en Tolman
• Combineert leren met cognitie.
• Gedrag wordt mede verklaard vanuit gedachten, interpretaties en verwachtingen.
• Deze integratie vormt een basis voor cognitieve gedragstherapie.
Belangrijke denkers
• Plato: vroege ideeën over bewustzijn, emoties en waarneming als interpretatie.
• William James: functionalisme; nadruk op functie, adaptatie en toepassing.
• Sigmund Freud: onbewuste processen, conflicten en driften; grondlegger van de psychoanalyse.
• B.F. Skinner: operante conditionering; gedrag als functie van consequenties.
• Wilhelm Wundt: eerste psychologisch laboratorium, introspectie en experimentele psychologie.
• René Descartes: rationalisme en dualisme.
Pagina 2
, Algemene Psychologie
• John Locke: empirisme, tabula rasa en leren door ervaring.
Zes psychologische perspectieven
• Biologisch perspectief: gedrag verklaren via hersenen, genen, hormonen en zenuwstelsel.
• Behavioristisch perspectief: leren, stimulus-responsrelaties, beloning en straf.
• Cognitief perspectief: informatieverwerking, interpretaties, geheugen en overtuigingen.
• Ontwikkelingsperspectief: systematische veranderingen door de levensloop en nature-nurture.
• Whole-personperspectief: humanistische groei en zelfactualisatie, stabiele karakter- en
temperamentverschillen en psychodynamische onbewuste processen.
• Sociocultureel perspectief: sociale invloeden, groepsprocessen, cultuur en normen.
Eenzelfde gedrag kan vanuit meerdere perspectieven worden verklaard. De gekozen invalshoek bepaalt welke
oorzaken, processen en interventies centraal komen te staan.
Les 2 – Leertheorieën
Overzicht van leerprocessen
Stimulus-responsleren
• Habituatie: afname van een respons na herhaalde aanbieding van dezelfde stimulus. Dit is geen associatief
leren maar sensorische adaptatie.
• Klassieke conditionering: een aanvankelijk neutrale stimulus krijgt na koppeling aan een ongeconditioneerde
stimulus het vermogen een respons op te roepen.
• Operante conditionering: gedrag verandert door de gevolgen ervan.
Cognitieve vormen van leren
• Inzichtelijk leren: probleemoplossing door plotselinge reorganisatie van percepties; een aha-ervaring in plaats
van trial-and-error.
• Observerend leren / modeling: leren door gedrag van anderen en de gevolgen daarvan te observeren.
Klassieke conditionering
Bij klassieke conditionering wordt een neutrale stimulus herhaaldelijk gekoppeld aan een ongeconditioneerde
stimulus. De neutrale stimulus wordt daardoor een geconditioneerde stimulus die een geconditioneerde respons
oproept.
Bouwstenen
• UCS – ongeconditioneerde stimulus: stimulus die automatisch een reflex oproept.
• UCR – ongeconditioneerde respons: aangeboren reflex op de UCS.
• NS – neutrale stimulus: stimulus die aanvankelijk geen relevante respons oproept.
• CS – geconditioneerde stimulus: oorspronkelijk neutrale stimulus die na leren de CR oproept.
• CR – geconditioneerde respons: aangeleerde respons op de CS.
• Contiguïteit: het vrijwel gelijktijdig aanbieden van NS en UCS.
• Verwervingsfase: eerste leerfase waarin de CS de CR leert oproepen.
Timing
• Motorische responsen, zoals knipperen, worden het sterkst geconditioneerd bij een zeer kort interval van
minder dan ongeveer één seconde.
• Viscerale responsen, zoals speeksel of hartslag, hebben een langer optimaal interval.
• Angstconditionering kan optreden bij intervallen van seconden tot minuten.
• Smaakaversie kan zelfs ontstaan bij een tijdsinterval van uren.
Extinctie en spontaan herstel
• Extinctie: de CS wordt herhaald aangeboden zonder UCS, waardoor de CR afneemt.
Pagina 3