1. Hoe zijn biomembranen opgebouwd? Welke componenten bevatten
ze?
Biomembranen zijn opgebouwd als een lipiden-dubbellaag waarin eiwitten zijn ingebed. De
drie hoofdcomponenten zijn:
Lipiden: Vormen de basisstructuur (barrière).
Proteïnen: Verantwoordelijk voor transport en signalisatie.
Koolhydraten: Suikerketens die vastzitten aan lipiden of eiwitten aan de buitenkant van
de cel.
2. Hoe kan je een biomembraan visualiseren? Welke technieken kan je
hiervoor gebruiken?
De structuur kan worden gevisualiseerd met elektronenmicroscopie (EM) en Atomic Force
Microscopy (ATM) (oppervlak). Om de dynamiek van onderdelen te bestuderen, gebruikt
men fluorescentie-technieken zoals FRAP (Fluorescence Recovery After Photobleaching),
waarbij moleculen gelabeld worden en men kijkt hoe snel ze zich verplaatsen (laterale
diffusie) na het wegbleken van een gebied.
3. Welke soorten lipiden vind je terug in een biomembraan?
(amfipatisch!) De belangrijkste klassen zijn:
Fosfoglyceriden/glycerofosfolipiden: soort fosfolipide
Diacylglycerol-3-fosfaat (=fosfatidyl) + x (bv. Choline, ethanolamide → kromming
membraan, serine, inositol)
Bv. PIP2 (kan door fosfolipase C/PLC gesplitst worden in IP3 en DAG)
→ Plasmalogenen: fosfoglyceride maar ether ipv ester
Sfingolipiden: soort fosfolipide. Vaak terug te vinden in lipid rafts.
, Bv. Sfingomyeline
→ gangliosides: glycosfingolipiden met complexere suikergroepen
Sterolen (afgeleid van steroïden): vnl. cholesterol in dierlijke cellen.
Glycolipiden: Lipiden met een suikergroep, zoals gangliosiden.
4. Hoe verschillen deze lipiden in chemische structuur ten opzichte van
elkaar?
Fosfoglyceriden hebben een glycerol-ruggraat met twee vetzuurstaarten en een
fosfaatgroep.
→ plasmalogenen: ether ipv ether
Sfingolipiden zijn gebaseerd op sfingosine in plaats van glycerol.
, Cholesterol heeft een starre ringstructuur die de vloeibaarheid van het membraan
beïnvloedt.
Glycolipiden bevatten oligosacchariden (suikers) die altijd naar de buitenkant van de cel
wijzen.
5. Beschrijf de bewegingen die lipiden kunnen maken binnen een
biomembraan.
Lipiden zijn zeer beweeglijk. Ze kunnen:
Laterale diffusie: Zich zijwaarts verplaatsen binnen hetzelfde blad (gebeurt zeer snel).
Axiale rotatie: Om hun eigen as draaien.
Flexie: Het buigen van de vetzuurstaarten.
Flip-flop: Van het ene blad naar het andere springen (gebeurt spontaan zeer zelden,
flippase + ATP nodig).
6. Hoe kan je laterale diffusie van lipiden bestuderen?
Dit wordt bestudeerd met de FRAP-techniek. Men labelt membraanmoleculen met een
fluorescente stof en bleekt vervolgens een klein gebied met een laser. De snelheid waarmee
de fluorescentie in dat gebied terugkeert, is een maat voor de laterale diffusie.
, 7. Hoe kan je flip-flop bestuderen?
Men bestudeert dit vaak door (al dan niet) ATP + fluorescente lipiden toe te voegen aan
een membraan. Flippase zal mbv ATP de fluorescentie lipiden naar binnen doen flippen. Bij
toevoeging van een quencher aan de buitenkant zullen de membraan met ATP en flippase
meer fluorescentie vertonen dan degene zonder ATP (maar ook met flippase).
8. Bevat het binnenblad en buitenblad van een biomembraan dezelfde
lipiden?
Nee, biomembranen zijn asymmetrisch. De samenstelling van de exoplasmatische zijde
verschilt van de cytosolische zijde. Een belangrijk voorbeeld zijn suikerbomen, die zich
uitsluitend aan de exoplasmatische zijde bevinden. Of bv GPI anker ook enkel
exoplasmatisch
9. Welke factoren beïnvloeden de beweeglijkheid van vetzuurstaarten?
Temperatuur: hogere temperaturen → mobieler
Verzadiging: Onverzadigde vetzuren (met knikken) verhogen de vloeibaarheid, lagere
smelttemperatuur (door minder VdW krachten)
Staartlengte: Kortere staarten verhogen de vloeibaarheid.
Cholesterol: Dit werkt als een stabilisator; een toename van cholesterol verlaagt meestal
de vloeibaarheid van het membraan bij normale temperaturen.
10. Wat zijn lipid rafts?
Dit zijn gespecialiseerde domeinen in het membraan die rijk zijn aan cholesterol en
sfingolipiden. Ze vormen een platform voor specifieke eiwitten (zoals GPI-geankerde
eiwitten) en spelen een belangrijke rol bij cel-signalisatie.
11. Hoe kunnen we een biomembraan voorstellen als een capacitor?
Omdat de lipiden-dubbellaag een isolator is die twee geleidende vloeistoffen (binnen en
buiten de cel) scheidt, werkt het als een elektrische condensator. Het membraan kan lading
opslaan, wat essentieel is voor het behouden van de membraanpotentiaal. De formule
hiervoor is Q = C*V.