• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 24 pages
Judgments

Arresten Personen- en Familierecht RB3702

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 24 pages

Dit is een complete arrestenbundel voor het vak Personen en familierecht (RB3702) aan de Open Universiteit. Ik heb de belangrijkste rechtsregels rood gemarkeerd ter verduidelijking.

Content preview

Arresten personen- en familierecht
Leereenheid 1:
EHRM 13 juni 1979, NJ 1980/462 (Marckx/België).
In het toenmalige Belgische recht werd onderscheid gemaakt tussen 'wettige' (binnen
huwelijk) en 'natuurlijke' (buiten huwelijk) kinderen. De ongehuwde moeder Paula Marckx
moest haar dochter Alexandra eerst officieel erkennen om een familierechtelijke band te
vestigen, wat tevens haar erfrechtelijke bekwaamheid om aan het kind na te laten beperkte.
Bij wettige kinderen ontstond deze band automatisch. Levert het onderscheid in de wet
tussen 'wettige' en 'natuurlijke' kinderen, en tussen gehuwde en ongehuwde moeders, een
schending op van het recht op eerbiediging van het family life (art. 8 EVRM), al dan niet in
samenhang met het discriminatieverbod (art. 14 EVRM)? Art. 8 EVRM beschermt zowel het
natuurlijke gezin als het wettige gezin. De overheid mag daarom geen onderscheid maken
dat uitsluitend is gebaseerd op de wijze waarop een kind is geboren, omdat daarvoor een
objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.

Leereenheid 2:
HR 24 januari 2003, NJ 2003/198, ECLI: NL:HR:2003:AF0204 (Wijziging geslachtsnaam).
Een moeder en een stiefvader verzochten de rechtbank om hen gezamenlijk met het gezag
over twee kinderen (jonger dan 12 jaar) te belasten. Daaraan gekoppeld verzochten zij de
geslachtsnaam van de kinderen te wijzigen naar die van de stiefvader. De biologische vader,
wiens naam de kinderen droegen, verzette zich. De rechter wees het gezag toe, maar de
naamswijziging af. Kan een verzoek tot geslachtsnaamwijziging naar de naam van de
stiefvader (art. 1:253t BW) worden afgewezen wegens het belang van het kind, en is de
rechter verplicht om kinderen jonger dan 12 jaar hierover te horen? Een verzoek tot
geslachtsnaamwijziging wordt afgewezen indien het belang van het kind zich tegen
toewijzing verzet (art. 1:253t lid 5 BW). De rechter is op grond van artikel 809 Rv niet
verplicht, maar slechts bevoegd, om kinderen jonger dan twaalf jaar in de gelegenheid te
stellen hun mening kenbaar te maken.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4004.
Een 50-jarige man had met succes de ontkenning van het vaderschap van de ex-echtgenoot
van zijn moeder verzocht, waarna het vaderschap van zijn biologische vader gerechtelijk
werd vastgesteld. Het dwingende wettelijke gevolg (art. 1:5 lid 2 en 7 BW) was dat zijn
achternaam automatisch zou wijzigen naar die van zijn moeder of biologische vader. De man
wilde dit niet, omdat hij, zijn bedrijf en zijn kinderen al 50 jaar de naam van de ex-echtgenoot
droegen. Moet de dwingende wettelijke geslachtsnaamwijziging (art. 1:5 BW) bij de
gerechtelijke vaststelling van vaderschap achterwege blijven wegens strijd met het recht op
eerbiediging van privé- en gezinsleven (art. 8 EVRM)? Het naamrecht valt onder de
bescherming van artikel 8 EVRM. Onder bijzondere omstandigheden levert de strikte
toepassing van de wettelijke naamswijzigingsregels een onaanvaardbare inbreuk op de
identiteit en het privéleven op, waardoor dit rechtsgevolg aan de beslissing moet worden
onthouden.

Leereenheid 3:
Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6632, NJ 2002/171 (Schijnhuwelijk).
Een man en vrouw waren gehuwd en later gescheiden. Bij de echtscheiding werd bepaald dat
de man alimentatie aan de vrouw moest betalen. Jaren later verzocht de man de rechtbank

,om deze alimentatieplicht op nihil te stellen met terugwerkende kracht, met als argument
dat het huwelijk enkel een schijnhuwelijk was dat uitsluitend gesloten was (tegen betaling)
om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Kan een niet nietig verklaard huwelijk, dat
uitsluitend is gesloten met het oog op verblijfsrechtelijke voordelen (schijnhuwelijk), toch de
rechtsgrond vormen voor een onderhoudsverplichting (alimentatie) na echtscheiding? De
wet kent een van tal van waarborgen voorzien, gesloten stelsel voor de totstandkoming en
nietigverklaring van een huwelijk. Dit stelsel laat geen ruimte om een huwelijk dat niet
officieel door de rechter nietig is verklaard, achteraf als niet rechtsgeldig aan te merken in
een alimentatieprocedure, enkel omdat partijen het als schijnhuwelijk zagen.

Leereenheid 4:
HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2222, NJ 1997/189 (Duurzame ontwrichting).
Een man met psychiatrische problemen die in instellingen was opgenomen, verzocht om
echtscheiding omdat het huwelijk duurzaam ontwricht zou zijn. De vrouw betwistte dit en
stelde dat de man wilsónbekwaam was en dat de huwelijkscrisis met de juiste psychiatrische
begeleiding te verhelpen was. Kan de rechter aannemen dat sprake is van duurzame
ontwrichting, zelfs als de verwerende echtgenoot stelt dat de huwelijkscrisis met hulp kan
worden opgelost? Als een wilsbekwame eisende echtgenoot stelt en volhardt in de stelling
dat hij, hoe dan ook, niet meer met de ander kan samenleven, dan moet de rechter dit
opvatten als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting
inderdaad bestaat.

HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC360, NJ 2001/586 (Restrictieve interpretatie artikel 1:160
BW).
Een ex-man verzocht om zijn alimentatieplicht jegens zijn ex-vrouw op nihil te stellen, omdat
zij met een andere man was gaan samenwonen. De ex-vrouw verweerde zich door te stellen
dat deze inwoning vanaf het begin als tijdelijke noodoplossing was bedoeld (de nieuwe man
wachtte op een woning) en dat deze nieuwe man bovendien zelf nog met een ander gehuwd
was. Is er sprake van "samenleven met een ander als waren zij gehuwd" (art. 1:160 BW),
waardoor de alimentatie definitief eindigt, als de samenleving uitdrukkelijk tijdelijk is
bedoeld én de nieuwe partner nog getrouwd is? Artikel 1:160 BW moet restrictief worden
uitgelegd, omdat toepassing leidt tot het definitieve verlies van de alimentatieaanspraak.
Een affectieve relatie moet duurzaam zijn bedoeld (niet tijdelijk). Tevens valt samenleven met
een nog gehuwde partner buiten de reikwijdte van art. 1:160 BW wegens een wettelijk
huwelijksbeletsel.

HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3697, NJ 2004/116 (Haviltex).
In hun huwelijkse voorwaarden hadden een echtpaar bepaald dat "netto-inkomsten
maandelijks worden bijeengevoegd en bij helfte gedeeld". Bij echtscheiding stelde de vrouw
dat dit eigenlijk een periodiek verrekenbeding was. Het Hof wees dit af omdat het vasthield
aan de puur taalkundige, letterlijke tekst van het contract, en stelde dat de bedoeling van
partijen pas aan bod komt als de tekst twijfelachtig is. Mogen huwelijkse voorwaarden
uitsluitend taalkundig worden uitgelegd, of is de achterliggende partijbedoeling (de Haviltex-
maatstaf) altijd leidend? Ook bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden geldt de Haviltex-
maatstaf. Het komt niet uitsluitend aan op de taalkundige betekenis van de tekst, maar op de
zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen
mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

, Leereenheid 5:
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337, NJ 1994/608, Valkenhorst I, recht meerderjarig
natuurlijk kind om te weten wie haar vader is, afweging wederzijdse belangen.
Een buitenechtelijk kind (eiseres) werd in 1935 geboren in 'Moederheil' (nu: Valkenhorst), een
tehuis voor ongehuwde moeders. De inmiddels volwassen vrouw wilde weten wie haar
biologische vader was. De stichting Valkenhorst had deze gegevens, maar weigerde die af te
geven wegens haar geheimhoudingsplicht, en omdat de nog levende biologische moeder
geen toestemming wilde geven. Prevaleert het recht van een meerderjarig natuurlijk kind om
te weten wie zijn biologische ouders zijn (afstammingsgegevens), boven het
geheimhoudingsrecht van de instelling en het recht op privacy van de moeder? Uit het
algemeen persoonlijkheidsrecht (onderliggend aan o.a. art. 8 EVRM en art. 7 IVRK) vloeit het
recht van een kind voort om te weten van welke ouders het afstamt. Bij een
belangenafweging tussen het recht van het kind en het recht op respect voor de privacy van
de moeder, prevaleert in de regel het recht van het kind, omdat de moeder mede
verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind.

HR 13 januari 1997, NJ 1997/451, ECLI:NL:HR:1997:ZC2238, Valkenhorst II, recht op
afstammingsgegevens.
In navolging van Valkenhorst I vorderde de dochter dat haar moeder haar de identiteit van
haar biologische vader zou vertellen. De moeder weigerde dit aanvankelijk wegens privacy,
maar stelde in hoger beroep opeens dat zij het slachtoffer was geweest van een
groepsverkrachting en de identiteit van de daders/verwekker écht niet kende. Ligt in een
procedure waarin een kind om afstammingsgegevens vraagt, de bewijslast dat de moeder
wél over deze informatie beschikt bij het kind, of rust op de moeder een processuele
mededelingsplicht? Uit de eisen van de goede procesorde volgt dat wanneer de moeder stelt
niet in staat te zijn de afstammingsgegevens te verschaffen, van haar mag worden verlangd
dat zij deze stelling motiveert en met bescheiden onderbouwt (of gemotiveerd aangeeft
waarom deze ontbreken). De bewijslast om de onjuistheid van de verklaring van de moeder
aan te tonen, kan niet zomaar bij het kind worden gelegd, omdat dit kind uit de aard der
zaak geen kennis draagt van de feiten.

HR 7 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0444, NJ 2003/358, toestemming tot overspel.
Een gehuwde man kwam in november 1998 te weten dat zijn vrouw zwanger was van een
ander. Het kind werd in februari 1999 geboren, maar de man diende pas in februari 2000 een
verzoek in tot ontkenning van vaderschap. De vrouw stelde dat hij te laat was én dat hij haar
destijds als souteneur had gedwongen tot prostitutie, waardoor hij "had ingestemd" met een
daad die verwekking tot gevolg kon hebben.

1. Begint de vervaltermijn voor ontkenning (art. 1:200 lid 5 BW) al te lopen vóór de geboorte
als de man dan al op de hoogte is van de zwangerschap?

- De vervaltermijn gaat niet lopen vóór de geboorte van het kind, de man moet bekend zijn
met de geboorte en het feit dat hij vermoedelijk niet de vader is.

Document information

Study
Uploaded on
September 24, 2026
Number of pages
24
Written in
2026/2027
Type
Judgments
$10.37

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
Sold
101
Followers
1
Items
26
Last sold
6 hours ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions