1. Stappenplan: is een zaak roerend of onroerend?
Wanneer gebruik je dit? Als moet worden bepaald of een zaak roerend of onroerend is, met
name bij gebouwen, werken en andere objecten die op of aan grond zijn geplaatst.
Signaalwoorden: gebouw/werk op grond, duurzaam verbonden, verplaatsbaar, natrekking,
hypotheek/pandrecht.
Stap 1 – Is het een zaak?
Art. 3:2 BW: een zaak is een voor menselijke beheersing vatbaar stoCelijk object.
Zo ja → ga door naar art. 3:3 BW.
Stap 2 – Roerend of onroerend? – art. 3:3 BW
Onroerend zijn volgens art. 3:3 lid 1 BW:
• grond;
• nog niet gewonnen delfstoCen;
• met de grond verenigde beplantingen;
• gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.
Gaat het om een gebouw of werk? → pas de Portacabin-toets toe.
Valt de zaak niet onder lid 1? → roerend, art. 3:3 lid 2 BW.
Stap 3 – Portacabin-toets
Een gebouw of werk is duurzaam met de grond verenigd wanneer het naar aard en inrichting
bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.
Let daarbij op:
1. aard en inrichting van het bouwwerk;
2. de bedoeling van de bouwer/opdrachtgever, voor zover deze naar buiten kenbaar is;
3. technische verplaatsbaarheid is niet beslissend.
Tentamenzin: “Uit HR Portacabin volgt dat beslissend is of het gebouw of werk naar aard en
inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De bedoeling van de bouwer of
opdrachtgever is relevant voor zover deze naar buiten kenbaar is. Dat het bouwwerk technisch
kan worden verplaatst, is niet beslissend.” → Pas deze criteria vervolgens concreet toe op de
feiten.
Let op – drijvend object: HR Woonark
Is de constructie blijkens haar bouw bestemd om te drijven? Onderzoek dan eerst of sprake is
van een schip in de zin van art. 8:1 BW. Een schip is in beginsel roerend.
Aansluiting op nutsvoorzieningen of riolering maakt een woonark niet zonder meer onroerend.
Drijvend object → dus niet automatisch Portacabin toepassen.
Stap 4 – Conclusieformulering
Onroerend: “Het bouwwerk is derhalve duurzaam met de grond verenigd in de zin van art. 3:3 lid
1 BW en moet daarom als onroerende zaak worden aangemerkt.”
Roerend: “Nu geen sprake is van een onroerende zaak in de zin van art. 3:3 lid 1 BW, is de zaak
op grond van art. 3:3 lid 2 BW roerend.”
1
,2. Stappenplan: is iets een bestanddeel geworden?
Wanneer gebruik je dit?
Wanneer een zaak in, aan of op een andere zaak wordt aangebracht en moet worden bepaald of
zij haar zelfstandigheid heeft verloren en bestanddeel is geworden.
Art. 3:4 BW kent twee zelfstandige criteria. Voldoen aan één daarvan is voldoende.
Stap 1 – Verkeersopvatting: art. 3:4 lid 1 BW
Maakt de zaak volgens verkeersopvatting onderdeel uit van de hoofdzaak?
Bij gebouw + installatie: HR Dépex. Let vooral op:
1. zijn gebouw en installatie constructief op elkaar afgestemd?
2. is het gebouw zonder de installatie als gebouw onvoltooid?
Valkuil: het is niet beslissend dat de installatie belangrijk of noodzakelijk is voor het
productieproces.
Stap 2 – Fysieke verbondenheid: art. 3:4 lid 2 BW
Kan de zaak niet worden afgescheiden zonder dat aan één van beide zaken beschadiging van
betekenis wordt toegebracht? Zo ja → bestanddeel.
Het gaat om fysieke beschadiging. Kosten, waardeverlies, bedrijfsstilstand of andere
economische nadelen zijn onvoldoende.
Valkuil: vastgeschroefd betekent niet automatisch dat sprake is van een bestanddeel.
Stap 3 – Rechtsgevolg
Wordt een zaak bestanddeel, dan verliest zij haar goederenrechtelijke zelfstandigheid.
Art. 5:3 BW: de eigendom van de hoofdzaak omvat haar bestanddelen.
→ eigenaar hoofdzaak = eigenaar bestanddeel.
Extra check – bestaande rechten
Rustte vóór de bestanddeelvorming bijvoorbeeld een eigendomsvoorbehoud of pandrecht op de
zelfstandige zaak?
Door verlies van de zelfstandigheid kan een goederenrechtelijk recht op die afzonderlijke zaak in
beginsel niet als zodanig blijven bestaan.
3. Natrekking van roerende zaken
Is een roerende zaak bestanddeel geworden van een andere roerende zaak?
Stap 1 – Bestanddeel? → art. 3:4 BW.
Stap 2 – Wat is de hoofdzaak? Art. 5:14 lid 3 BW:
een zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft; of
een zaak die volgens verkeersopvatting als hoofdzaak geldt.
Stap 3 – Rechtsgevolg: De eigenaar van de hoofdzaak verkrijgt de eigendom van het
bestanddeel door natrekking.
Valkuil – HR Love Love
Verdere afbouw of bewerking betekent niet automatisch dat een nieuwe zaak ontstaat.
Een casco kan al als zelfstandige zaak gelden; toegevoegde onderdelen kunnen dan door
natrekking bestanddeel worden.
→ onderscheid steeds zaaksvorming (art. 5:16) van bestanddeelvorming/natrekking.
2
,4. Natrekking door de grond
Is een gebouw of werk op grond van iemand anders geplaatst?
Stap 1 – Wie is eigenaar van de grond?
Stap 2 – Is het gebouw/werk duurzaam met de grond verenigd? → art. 3:3 lid 1 BW +
Portacabin.
Stap 3 – Rechtsgevolg: Is het gebouw/werk onroerend, dan omvat de eigendom van de grond in
beginsel ook het gebouw of werk: art. 5:20 lid 1 sub e BW → grondeigenaar wordt door natrekking
eigenaar.
Stap 4 – Is de natrekking doorbroken?: Controleer met name of een recht van opstal bestaat.
Tentamenreflex: Gebouw op andermans grond + gebouw moet van iemand anders blijven → denk
aan opstalrecht.
Tentamenschema Leereenheid 1
1. Wat is het object?
Zaak? → art. 3:2 BW.
2. Roerend of onroerend? → art. 3:3 BW.
Gebouw/werk → Portacabin.
Drijvend object → Woonark.
3. Is iets in/aan/op een andere zaak aangebracht? → art. 3:4 BW.
4. Bestanddeel volgens verkeersopvatting? → bij gebouw + installatie: Dépex.
5. Fysiek verbonden? → art. 3:4 lid 2 BW: afscheiding zonder beschadiging van betekenis?
6. Gevolg bestanddeelvorming → zelfstandigheid weg; art. 5:3 BW.
7. Welke natrekkingsregel geldt?
roerende hoofdzaak → art. 5:14 BW;
gebouw/werk + grond → art. 5:20 lid 1 sub e BW.
8. Bestaande rechten?
Denk aan pandrecht/eigendomsvoorbehoud op de oorspronkelijke zelfstandige zaak.
9. Uitzondering op verticale natrekking? → opstalrecht.
10. Eindconclusie: Wie is uiteindelijk eigenaar en welke beperkte rechten bestaan nog?
3
, Leereenheid 2 – Bezit en houderschap
Kernonderscheid
• Eigendom = het goederenrechtelijke recht op de zaak.
• Bezit = een goed houden voor zichzelf, art. 3:107 lid 1 BW.
• Houderschap = een goed houden voor een ander.
Belangrijk:
• eigenaar ≠ altijd bezitter;
• bezitter ≠ altijd eigenaar;
• feitelijke macht ≠ automatisch bezit.
Tentamenreflex: vraag bij bezit/houderschap altijd eerst: voor zichzelf of voor een ander?
5. Hoofdstappenplan bezit en houderschap
Stap 1 – Wie oefent feitelijke macht uit?
Beoordeel dit volgens art. 3:108 BW aan de hand van:
• de verkeersopvatting;
• de wettelijke regels;
• de uiterlijke feiten.
Het is niet vereist dat iemand de zaak letterlijk vasthoudt. Feitelijke macht kan ook op afstand
worden uitgeoefend.
Stap 2 – Houdt deze persoon voor zichzelf of voor een ander?
• voor zichzelf → bezitter, art. 3:107 lid 1 BW;
• voor een ander → houder.
Valkuil: iemand kan bezitter zijn zonder eigenaar te zijn.
Stap 3 – Bij twijfel: vermoeden van bezit
Art. 3:109 BW: wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden.
→ bij onduidelijkheid is het uitgangspunt dus: bezit, tenzij uit de feiten blijkt dat voor een ander
wordt gehouden.
Stap 4 – Onmiddellijk of middellijk bezit?
• bezitter oefent zelf feitelijke macht uit → onmiddellijk bezit, art. 3:107 lid 2 BW;
• een ander houdt de zaak voor de bezitter → middellijk bezit, art. 3:107 lid 3 BW.
Tentamenvraag: zit er iemand tussen de bezitter en de zaak?
Stap 5 – Hoe is het bezit verkregen?
Art. 3:112 BW noemt drie manieren:
• inbezitneming;
• bezitsoverdracht;
• opvolging onder algemene titel.
Kijk in de casus welke route speelt.
Stap 6 – Bezitsoverdracht zonder fysieke verplaatsing: art. 3:115 BW
• sub a – constitutum possessorium (c.p.): vervreemder blijft de zaak feitelijk houden,
maar voortaan voor de verkrijger;
• sub b – traditio brevi manu: verkrijger was al houder en wordt bezitter;
• sub c – traditio longa manu: een derde blijft houder, maar gaat voortaan houden voor de
nieuwe bezitter.
Stap 7 – Probeert een houder bezitter te worden?
4