Introductie
! er zn overal virussen, aantal fagen (bacteriële virussen) in de biosfeer wordt geschat op ongeveer 1031:
- Voorbeelden,
° Grapevine fanleaf virus: Druivelaar-bladrolvirus (of netnervigheid-virus), bladeren
° Zika-virus: w d muggen overgedragen
° Usutu virus in eurasion blackbird, kan w overgedragen n de mens
° Bacteriofagen die de E. coli bacterie infecteren
° Koi-herpesvirus (KHV) of Koi-pokken
° Gelekoortsvirus, w overgedragen door tropische muggen
- Lucht, veel virussen circuleren
-> Elke dag vallen er 109 virusdeeltjes uit de lucht op elke m2 => dag vallen er 1021 virusdeeltjes neer
op de aarde
- Water, o.a. mariene calicivirussen in oceanen infecteren zoöplankton, walvissen en andere mariene
organismen => infecteren tot zeer hoge aantallen, walvissen scheiden > 106 virussen/gram ontlasting
! blijven meer dan 14 dagen levensvatbaar in zeewater d stevig kapsel v eiwitten
-> oorsprong van menselijke virussen zoals het hepatitis E-virus
- HIV-genomen heeft enorme variaties, d veel kopieën (1016) met telkens kleine foutjes => snelle aanpassingen
! resistentie, onstabiel virus
-> voorbeelden:
- HSV type 1,2
- Varicella Zoster virus => windpokken (kan op oudere leeftijd reactiveren, pijnlijke uitslag)
- Epstein Barr virus => klierkoorts
Virus
= vergif, leden van een unieke klasse van infectieuze agentia die zeer klein zijn en slechts 1 type nucleïnezuur
bevatten
Geschiedenis
- Dimitri Ivanosky’s (1892): niet-bacteriële infectie, tobacco planten
=> mn wist al dat er bacteriën waren die een ziekte veroorzaken, bewijst d porseleinenfilter (gn bacteriën)
° tabaksmozaik virus, infectie chlorofyl afgebroken => d porseleinenfilter, mr blad w nog geïnfecteerd
Kenmerken
- gastheer nodig
- levend? NEE
° reproductie, wel van toepassing
° genoom, gevoelig aan veranderingen
° ! gn metabolisme
=> Virussen worden pas onderdeel van een levend systeem wanneer ze gastheercellen hebben geïnfecteerd
(een vorm van geleend leven)
Virussen zijn subcellulaire, niet-levende, infectieuze entiteiten waarvan de genomen bestaan uit
nucleïnezuur, en die zich verplicht vermenigvuldigen binnen gastheercellen mbv de metabole machinerie en
ribosomen van de gastheer om een verzameling componenten te vormen die zich assembleren tot deeltjes
genaamd virionen, die dienen om het genoom te beschermen en over te dragen naar andere cellen.
! virion ≠ virus
- virion: kan uitsluitend worden beschouwd in termen v zn fysieke bestanddelen of chemische
samenstelling
- virus: beschikt niet alleen over deze biofysische eigenschappen, maar ook over aanvullende
kenmerken die zichtbaar worden wanneer het een vatbare gastheercel infecteert. De definitie van
een virus moet daarom ook de verschillende functionele activiteiten omvatten die het tot een
biologische entiteit maken.
, - Basisch structuur:
° eiwitmantel (capside, kristalstructuur: capsomeren)
=> bescherming
=> binden met bepaalde receptoren zodat DNA kan binnendringen
Voorbeelden:
*noro-virus, hardnekkig virus (nt weg met water en zeep) + w in grote hoeveelheden uitgescheiden
> symptomen: buikkrampen, diarree, braken,…
(vb. chrirokampen, cruise-ships, ziekenhuizen)
! kristalstructuur, enkel eiwitmantel => niet altijd duidelijk
-> 3 vital proteins vormen een trimeer en pentameren +
assemblage (spontane vorming)
=> moeilijk veranderen d eiwitmantel (vaste structuur)
* influenza virus, sezoensgriep
> kenmerk: kunnen sterk veranderen over tijd => vaccins werken,
nt altijd
! membraan (lipidendubbellaag met glycoproteïnen) + genoom + capside
(eiwitmantel die op genoom strengen zn gebonden)
-> nucleocapside bedekt d een enveloppe, bestaande uit een lipide dubbellaag en
bijbehorende (glyco)proteïnen => w verkregen wanneer het nucleocapside 'uitbot' (buds)
d e cellulair membraan (het plasmamembraan, het endoplasmatisch reticulum, het Golgi-
apparaat of het kernmembraan), w nt spontaan gevormd
! enveloppe moet intact zijn om de infectiviteit te behouden; behandeling met lipide-
oplosmiddelen zoals ether of chloroform maakt ze niet-infectieus + glycoproteïnen in de
enveloppe zn belangrijk v de binding met celreceptore en v het opwekken v beschermende
immuunresponsen bij geïnfecteerde dieren
=> leven mr kort, toch bestaan ze: kan zich sneller aanpassen (opp. kan volledig veranderen)
° nucleoproteïne kern met het vermogen om gastheercellen te infecteren en zich daarin te vermenigvuldigen,
waardoor voortdurende overleving w gewaarborgd
Taxonomie
- ICTV classificatie (International Committee on Taxonomy of Viruses):
-> algemeen:
*Order (-virales)
-> Vier belangrijke ordes bij dieren
> Herpesvirales: Grote eukaryote dsDNA-virussen (dubbelstrengs DNA).
> Mononegavirales: Niet-gesegmenteerde (-)-streng ssRNA-virussen
> Nidovirales: (+)-streng ssRNA-virussen (enkelstrengs positief RNA).
> Picornavirales: Kleine (+)-streng ssRNA-virussen (enkelstrengs positief RNA).
* Family (-viridae)
* Subfamily (-virinae)
* Genus (-virus)
* Species (-virus), een monofyletische groep virussen waarvan de eigenschappen door
middel van meerdere criteria kunnen worden onderscheiden van die van andere soorten
> natuurlijke en experimentele gastheer-range:
welke diersoorten het virus in de natuur infecteert versus welke soorten het
in een laboratorium kan infecteren
> Cel- en weefseltropisme:
welke specifieke cellen of organen het virus aanvalt (bijv. de longen,
zenuwcellen of lever)
> Pathogeniciteit:
het vermogen van het virus om ziekte te veroorzaken en de ernst daarvan
> Vectorspecificiteit:
welk insect of ander organisme (de vector) nodig is om het virus over te
dragen (bijv. een specifieke soort mug of teek)