Hoofdstuk 1: Analytische performantie, kwaliteitscontrole en
kalibratie
Vraag 1 Welke uitspraak beschrijft een kwalitatieve analyse correct?
A. Bepalen van exacte concentratie
B. Bepalen van aanwezigheid of afwezigheid van een component
C. Berekenen van variatiecoëfficiënt
D. Meten van standaarddeviatie
Vraag 2 Wat is typisch het doel van een kwantitatieve analyse?
A. Identificeren van moleculen zonder concentratie
B. Bepalen van relatieve of absolute hoeveelheid van een component
C. Enkel detecteren van ruis
D. Enkel bepalen van aanwezigheid van interferenten
Vraag 3 Welke analyse hoort bij het meten van één specifieke component zoals
glucose?
A. Groepsanalyse
B. Totaalanalyse
C. Individuele analyse
D. Kwalitatieve screening
Vraag 4 Waarom kunnen fysische signalen gebruikt worden in kwantitatieve
analyse?
A. Omdat ze onafhankelijk zijn van concentratie
B. Omdat ze lineair of omgekeerd evenredig zijn met concentratie
C. Omdat ze enkel kwalitatief variëren
D. Omdat ze altijd constant blijven
Vraag 5 Wat betekent specificiteit in analytische biochemie?
A. De test detecteert meerdere componenten
B. De test detecteert enkel het doelcomponent
C. De test is gevoelig voor ruis
D. De test heeft hoge variatie
1
,Vraag 6 Wat is selectiviteit?
A. Detectie van enkel één stof zonder interferentie
B. Detectie van doelstof maar mogelijk ook andere stoffen
C. De helling van de ijklijn
D. De detectielimiet van een methode
Vraag 7 Wat kan selectiviteit beïnvloeden?
A. Enkel concentratie
B. pH en temperatuur
C. Alleen meettijd
D. Alleen standaarddeviatie
Vraag 8 Wat beschrijft sensitiviteit het best?
A. Afwijking van gemiddelde
B. Helling van de ijklijn (signaal vs concentratie)
C. Detectie van interferenten
D. Grootte van staalvolume
Vraag 9 Wat betekent een hoge sensitiviteit?
A. Kleine signaalverandering per concentratie
B. Grote signaalverandering per concentratie
C. Geen lineair verband
D. Hoge ruis
Vraag 10 Wat gebeurt er met sensitiviteit als de helling van de ijklijn stijgt?
A. Ze daalt
B. Ze stijgt
C. Ze verdwijnt
D. Ze wordt nul
2
,Vraag 11 Wat is een karakteristieke concentratie?
A. Concentratie waarbij signaal nul is
B. Hoeveelheid stof nodig voor een kleine standaard absorptie
C. Maximale concentratie in staal
D. Gemiddelde blanco-waarde
Vraag 12 Welke grootheid is typisch omgekeerd evenredig met concentratie?
A. Signaal/ruis
B. Meetfout
C. Variatiecoëfficiënt
D. Detectielimiet
Vraag 13 Welke uitspraak is correct?
A. Specificiteit kan selectiviteit vervangen
B. Selectiviteit kan aangepast worden via pH
C. Sensitiviteit is onafhankelijk van signaal
D. Specificiteit hangt af van ruis
Vraag 14 Wat betekent een niet-selectieve test?
A. Detecteert enkel één component
B. Detecteert meerdere componenten
C. Heeft geen signaal
D. Heeft geen kalibratie nodig
Vraag 15 Welke combinatie is correct?
A. Specificiteit = meerdere detecties
B. Selectiviteit = enkel doelcomponent
C. Sensitiviteit = signaal/concentratie
D. Selectiviteit = helling van ijklijn
3
, Vraag 16 Wat beïnvloedt sensitiviteit NIET rechtstreeks?
A. Helling van ijklijn
B. Signaalsterkte
C. Concentratie
D. Specificiteit
Vraag 17 Welke methode verhoogt selectiviteit vaak?
A. Verlagen van signaal
B. pH-aanpassing
C. Verhogen van ruis
D. Verlagen van concentratie
Vraag 18 Wat gebeurt bij lage sensitiviteit?
A. Kleine concentratieveranderingen geven groot signaal
B. Grote concentratieveranderingen geven kleine signaalverandering
C. Geen meetbaarheid
D. Hoge specificiteit
Vraag 19 Wat is een gevolg van hoge specificiteit?
A. Veel interferentie
B. Enkel doelcomponent wordt gedetecteerd
C. Lage sensitiviteit
D. Hoge ruis
Vraag 20 Wat is het verschil tussen specificiteit en selectiviteit?
A. Geen verschil
B. Specificiteit = meerdere stoffen
C. Specificiteit = enkel doelstof, selectiviteit = mogelijk meerdere
D. Selectiviteit = geen detectie
4
kalibratie
Vraag 1 Welke uitspraak beschrijft een kwalitatieve analyse correct?
A. Bepalen van exacte concentratie
B. Bepalen van aanwezigheid of afwezigheid van een component
C. Berekenen van variatiecoëfficiënt
D. Meten van standaarddeviatie
Vraag 2 Wat is typisch het doel van een kwantitatieve analyse?
A. Identificeren van moleculen zonder concentratie
B. Bepalen van relatieve of absolute hoeveelheid van een component
C. Enkel detecteren van ruis
D. Enkel bepalen van aanwezigheid van interferenten
Vraag 3 Welke analyse hoort bij het meten van één specifieke component zoals
glucose?
A. Groepsanalyse
B. Totaalanalyse
C. Individuele analyse
D. Kwalitatieve screening
Vraag 4 Waarom kunnen fysische signalen gebruikt worden in kwantitatieve
analyse?
A. Omdat ze onafhankelijk zijn van concentratie
B. Omdat ze lineair of omgekeerd evenredig zijn met concentratie
C. Omdat ze enkel kwalitatief variëren
D. Omdat ze altijd constant blijven
Vraag 5 Wat betekent specificiteit in analytische biochemie?
A. De test detecteert meerdere componenten
B. De test detecteert enkel het doelcomponent
C. De test is gevoelig voor ruis
D. De test heeft hoge variatie
1
,Vraag 6 Wat is selectiviteit?
A. Detectie van enkel één stof zonder interferentie
B. Detectie van doelstof maar mogelijk ook andere stoffen
C. De helling van de ijklijn
D. De detectielimiet van een methode
Vraag 7 Wat kan selectiviteit beïnvloeden?
A. Enkel concentratie
B. pH en temperatuur
C. Alleen meettijd
D. Alleen standaarddeviatie
Vraag 8 Wat beschrijft sensitiviteit het best?
A. Afwijking van gemiddelde
B. Helling van de ijklijn (signaal vs concentratie)
C. Detectie van interferenten
D. Grootte van staalvolume
Vraag 9 Wat betekent een hoge sensitiviteit?
A. Kleine signaalverandering per concentratie
B. Grote signaalverandering per concentratie
C. Geen lineair verband
D. Hoge ruis
Vraag 10 Wat gebeurt er met sensitiviteit als de helling van de ijklijn stijgt?
A. Ze daalt
B. Ze stijgt
C. Ze verdwijnt
D. Ze wordt nul
2
,Vraag 11 Wat is een karakteristieke concentratie?
A. Concentratie waarbij signaal nul is
B. Hoeveelheid stof nodig voor een kleine standaard absorptie
C. Maximale concentratie in staal
D. Gemiddelde blanco-waarde
Vraag 12 Welke grootheid is typisch omgekeerd evenredig met concentratie?
A. Signaal/ruis
B. Meetfout
C. Variatiecoëfficiënt
D. Detectielimiet
Vraag 13 Welke uitspraak is correct?
A. Specificiteit kan selectiviteit vervangen
B. Selectiviteit kan aangepast worden via pH
C. Sensitiviteit is onafhankelijk van signaal
D. Specificiteit hangt af van ruis
Vraag 14 Wat betekent een niet-selectieve test?
A. Detecteert enkel één component
B. Detecteert meerdere componenten
C. Heeft geen signaal
D. Heeft geen kalibratie nodig
Vraag 15 Welke combinatie is correct?
A. Specificiteit = meerdere detecties
B. Selectiviteit = enkel doelcomponent
C. Sensitiviteit = signaal/concentratie
D. Selectiviteit = helling van ijklijn
3
, Vraag 16 Wat beïnvloedt sensitiviteit NIET rechtstreeks?
A. Helling van ijklijn
B. Signaalsterkte
C. Concentratie
D. Specificiteit
Vraag 17 Welke methode verhoogt selectiviteit vaak?
A. Verlagen van signaal
B. pH-aanpassing
C. Verhogen van ruis
D. Verlagen van concentratie
Vraag 18 Wat gebeurt bij lage sensitiviteit?
A. Kleine concentratieveranderingen geven groot signaal
B. Grote concentratieveranderingen geven kleine signaalverandering
C. Geen meetbaarheid
D. Hoge specificiteit
Vraag 19 Wat is een gevolg van hoge specificiteit?
A. Veel interferentie
B. Enkel doelcomponent wordt gedetecteerd
C. Lage sensitiviteit
D. Hoge ruis
Vraag 20 Wat is het verschil tussen specificiteit en selectiviteit?
A. Geen verschil
B. Specificiteit = meerdere stoffen
C. Specificiteit = enkel doelstof, selectiviteit = mogelijk meerdere
D. Selectiviteit = geen detectie
4