Toelatingsexamenvragen – PreMaster
Geneeskunde Rijksuniversiteit
Groningen
Wat kan je van dit document verwachten? 100% echte examenvragen, rechtstreeks uit de
toets — niets verzonnen, niets erbij gefantaseerd. Ik heb deze toets drie keer gedaan en de
vragen direct na afloop opgeschreven.
,Cognitieve toets
Dit zijn originele vragen uit de cognitieve toets van de afgelopen twee jaar, aangevuld met
mijn antwoorden en toelichting van destijds.
Twee keer haalde ik uitstekende resultaten op de cognitieve toets en behoorde ik tot de top
5% van de studenten. Ik heb vaak gehoord dat je elk detail uit je hoofd moet kennen. Ik heb
dat precies zo gedaan en elk getalletje geleerd, maar dat is niet nodig. Je moet de stof wel
heel goed beheersen, maar ik vond het belangrijker om de concepten echt goed te begrijpen
dan om ieder getal uit mijn hoofd te kennen. Ook kwamen er makkelijke vragen over
scheikunde voor, dus het loont om die basis ook even door te nemen. Als je op tijd begint met
leren en de tijd neemt om de stof echt te doorgronden in plaats van te stampen, is deze toets
goed te doen. Ik heb met Anki-kaartjes geleerd en kan dat zeker aanbevelen.
2025
Vragen
1. Wat is het milieu intérieur?
2. Wat gebeurt er met het lichaamswatergehalte naarmate je ouder wordt?
3. Waar bevindt zich het grootste deel van de circa 60% lichaamswater: intracellulair, in de
lymfe of in het plasma?
4. Waardoor wordt het complementsysteem geactiveerd?
5. Bij welke membraanpotentiaal is de elektrochemische drijvende kracht voor zowel kalium
als natrium naar buiten gericht? (drie opties)
6. Bij een membraanpotentiaal van −90 mV: voor welk kation is de elektrochemische
drijvende kracht het grootst (Na, Ka)?
7. Vergelijk de nernstpotentiaal voor Ca²⁺ en Na⁺.
8. Wat gebeurt er met de rustmembraanpotentiaal als de extracellulaire kaliumconcentratie
wordt gehalveerd?
9. Waar is de kaliumpermeabiliteit het grootst tijdens de fases van de actiepotentiaal?
10. Welk moment tijdens een actiepotentiaal ligt het dichtst bij de natrium-
rustmembraanpotentiaal?
11. Heeft de Na-K-pomp een hyperpolariserend effect op de membraanpotentiaal?
12. Worden virussen aangevallen door CD8-cellen?
13. Vallen eosinofielen parasieten aan?
14. Worden T-helpercellen geactiveerd via MHC-II?
15. Fagocyteren APC’s pathogenen en presenteren zij delen daarvan (peptiden) via MHC-
moleculen?
16. Ontstaat een actiepotentiaal alleen bij de knopen van Ranvier, of over het hele
membraan?
17. Bij welke spieren is calciuminstroom belangrijk?
18. Wordt ATP gebruikt voor SERCA2 (in het sarcoplasmatisch reticulum) of voor de
powerstroke?
19. Hoe ziet de hartspier eruit?
, 20. Wat is het verschil tussen de eindplaatpotentiaal (EPP) en de spierpotentiaal? Is het EPP
variabel? Is het alles-of-niets? Bereikt het niet altijd de drempel?
21. Wat veroorzaakt het EPP: de binding van acetylcholine aan de nicotinerge ACh-receptor,
de calciuminstroom, of het vrijkomen van ACh?
22. Zenuw in een oplossing, EPP: geeft een verdubbeling van de calciumconcentratie een
hogere amplitude van het EPP?
23. Cel in een zoutoplossing met dezelfde molariteit als de cel: wat gebeurt er, zwelt de cel
op?
24. Zijn ribosomen verantwoordelijk voor eiwitsynthese?
25. Breken peroxisomen vetzuren af?
26. Ontstaat hypertrofie door meer myofibrillen?
27. Is titine bevestigd aan de Z-schijf?
28. Ontstaat meer kracht door een betere overlap van actine en myosine?
29. Ligt de ejectiefractie dicht bij 50%?
30. Zorgt een grotere preload voor zowel een groter eindiastolisch volume (EDV) als een
groter eindsystolisch volume (ESV)?
31. Leven neutrofielen korter dan monocyten/macrofagen?
32. Komen gap junctions voor in gladde spieren?
33. Zorgt vaker vuren van een spiervezel voor meer calcium in de spier?
34. Zijn witte spieren de grotere spieren?
35. Welk type spiervezel wordt ingezet bij veel kracht?
Geneeskunde Rijksuniversiteit
Groningen
Wat kan je van dit document verwachten? 100% echte examenvragen, rechtstreeks uit de
toets — niets verzonnen, niets erbij gefantaseerd. Ik heb deze toets drie keer gedaan en de
vragen direct na afloop opgeschreven.
,Cognitieve toets
Dit zijn originele vragen uit de cognitieve toets van de afgelopen twee jaar, aangevuld met
mijn antwoorden en toelichting van destijds.
Twee keer haalde ik uitstekende resultaten op de cognitieve toets en behoorde ik tot de top
5% van de studenten. Ik heb vaak gehoord dat je elk detail uit je hoofd moet kennen. Ik heb
dat precies zo gedaan en elk getalletje geleerd, maar dat is niet nodig. Je moet de stof wel
heel goed beheersen, maar ik vond het belangrijker om de concepten echt goed te begrijpen
dan om ieder getal uit mijn hoofd te kennen. Ook kwamen er makkelijke vragen over
scheikunde voor, dus het loont om die basis ook even door te nemen. Als je op tijd begint met
leren en de tijd neemt om de stof echt te doorgronden in plaats van te stampen, is deze toets
goed te doen. Ik heb met Anki-kaartjes geleerd en kan dat zeker aanbevelen.
2025
Vragen
1. Wat is het milieu intérieur?
2. Wat gebeurt er met het lichaamswatergehalte naarmate je ouder wordt?
3. Waar bevindt zich het grootste deel van de circa 60% lichaamswater: intracellulair, in de
lymfe of in het plasma?
4. Waardoor wordt het complementsysteem geactiveerd?
5. Bij welke membraanpotentiaal is de elektrochemische drijvende kracht voor zowel kalium
als natrium naar buiten gericht? (drie opties)
6. Bij een membraanpotentiaal van −90 mV: voor welk kation is de elektrochemische
drijvende kracht het grootst (Na, Ka)?
7. Vergelijk de nernstpotentiaal voor Ca²⁺ en Na⁺.
8. Wat gebeurt er met de rustmembraanpotentiaal als de extracellulaire kaliumconcentratie
wordt gehalveerd?
9. Waar is de kaliumpermeabiliteit het grootst tijdens de fases van de actiepotentiaal?
10. Welk moment tijdens een actiepotentiaal ligt het dichtst bij de natrium-
rustmembraanpotentiaal?
11. Heeft de Na-K-pomp een hyperpolariserend effect op de membraanpotentiaal?
12. Worden virussen aangevallen door CD8-cellen?
13. Vallen eosinofielen parasieten aan?
14. Worden T-helpercellen geactiveerd via MHC-II?
15. Fagocyteren APC’s pathogenen en presenteren zij delen daarvan (peptiden) via MHC-
moleculen?
16. Ontstaat een actiepotentiaal alleen bij de knopen van Ranvier, of over het hele
membraan?
17. Bij welke spieren is calciuminstroom belangrijk?
18. Wordt ATP gebruikt voor SERCA2 (in het sarcoplasmatisch reticulum) of voor de
powerstroke?
19. Hoe ziet de hartspier eruit?
, 20. Wat is het verschil tussen de eindplaatpotentiaal (EPP) en de spierpotentiaal? Is het EPP
variabel? Is het alles-of-niets? Bereikt het niet altijd de drempel?
21. Wat veroorzaakt het EPP: de binding van acetylcholine aan de nicotinerge ACh-receptor,
de calciuminstroom, of het vrijkomen van ACh?
22. Zenuw in een oplossing, EPP: geeft een verdubbeling van de calciumconcentratie een
hogere amplitude van het EPP?
23. Cel in een zoutoplossing met dezelfde molariteit als de cel: wat gebeurt er, zwelt de cel
op?
24. Zijn ribosomen verantwoordelijk voor eiwitsynthese?
25. Breken peroxisomen vetzuren af?
26. Ontstaat hypertrofie door meer myofibrillen?
27. Is titine bevestigd aan de Z-schijf?
28. Ontstaat meer kracht door een betere overlap van actine en myosine?
29. Ligt de ejectiefractie dicht bij 50%?
30. Zorgt een grotere preload voor zowel een groter eindiastolisch volume (EDV) als een
groter eindsystolisch volume (ESV)?
31. Leven neutrofielen korter dan monocyten/macrofagen?
32. Komen gap junctions voor in gladde spieren?
33. Zorgt vaker vuren van een spiervezel voor meer calcium in de spier?
34. Zijn witte spieren de grotere spieren?
35. Welk type spiervezel wordt ingezet bij veel kracht?