-
01
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
02
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
03
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
04
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
05
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
06
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
07
Het cardiovasculaire systeemconcepten
1
-
08
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
09
Homeostase en fysiologische concepten
1
-
10
HoHet ademhalingssysteemche concepten
1
-
11
Homeostase en fysiologische concepten
2
-
12
HOMEOSTASE
3
-
Je beschrijft de globale bouw en functie van hart, vaten, longen en nieren en hun specifieke rol bij het handhaven van de homeostase
3
-
13
FYSIOLOGISCHE REGELSYSTEMEN
4
-
Je beschrijft de belangrijkste karakteristieken van biologische/fysiologische regelsystemen en illustreert deze met voorbeelden uit de humane fysiologie
4
-
14
zuur-base balans
6
-
15
1: algemene informatie zuur-base
6
-
Je geeft definities van zuur, base en buffer
6
-
16
2: buffers
6
-
Formule
6
-
Je definieert de buffercapaciteit en geeft aan van welke factoren deze afhankelijk is
7
-
17
3: henderson-Hasselbalch
7
-
Je leidt de Henderson-Hasselbalch vergelijking af
7
-
18
4: buffers in bloed & urine
7
-
Je noemt de belangrijkste buffersystemen in bloed en urine en maakt daarbij onderscheid tussen gesloten en open systemen
7
-
19
regeling zuur-base balans
8
-
Beschrijf hoe het lichaam de zuur-base balans reguleert
8
-
20
1: HCO3−-CO2-systeem
8
-
Je geeft aan wat de relatieve bijdragen zijn van longen en nieren aan de buffering van bloed
9
-
21
2: verstoringen en compensatie
9
-
Je kent een aantal oorzaken van acidose en alkalose
9
-
Je beschrijft hoe het lichaam compenseert voor situaties van respiratoire acidose en respiratoire alkalose en voor situaties van metabole acidose en metabole alkalose.
10
-
22
3: Analyse zuur-base stoornis
11
-
23
SPIERFYSIOLOGIE
12
-
Je beschrijft de moleculaire structuur van de contractiele eiwitten, legt het mechanisme van cross-bridge cycling uit en verklaart hoe dit resulteert in verkorting van de spier en krachtopbouw
12
-
Je beschrijft de relatie tussen elektrische excitatie en mechanische contractie van de cel, verklaart de essentiële rol van calcium in dit proces en legt uit hoe de intracellulaire calciumconcentratie de spiercontractie reguleert
16
-
Je legt uit hoe de verkorting en opgebouwde kracht die een gestimuleerde spier levert afhankelijk zijn van de voorbelasting en nabelasting van de spier en betrekt daarbij de onderliggende moleculaire mechanismen
18
-
24
gaswetten
19
-
Afgeleide wetten
19
-
25
Het cardiovasculaire systeem
21
-
26
Anatomie van het hart
22
-
27
1: positie Hart in de borstholte
22
-
Je beschrijft de positie van het hart ten opzichte van de thoraxwand
22
-
28
2: bouw atria en ventrikels
22
-
Je beschrijft de bouw van het hart, met name de positie van de atria en ventrikels ten opzichte van elkaar
22
-
29
3: Hartkleppen
23
-
Je benoemt de 4 kleppen van het hart, beschrijft hun bouw en onderlinge verschillen, en legt hun werking uit.
23
-
30
4: Wanden van de hartcompartimenten
24
-
Je noemt de functionele aspecten van de hartkamers
24
-
31
5: Bloedvoorziening van de hartspier
26
-
Je geeft een beschrijving van de bloedvoorziening van de hartspier
26
-
32
Anatomie en functie vasculair systeem
27
-
33
1: de vaatwand
27
-
U kunt beschrijven uit welke lagen de vaatwand is opgebouwd
27
-
U kunt uitleggen welke eigenschappen een vat ontleent aan de weefselopbouw van de vaatwand.
29
-
34
2: soorten vaten
30
-
Overzicht
31
-
Elastische arteriën/ dirigerende arteriën
31
-
Musculeuze arteriën/ verdelende arteriën
32
-
Arteriolen/ weerstandsvaten
32
-
Je legt uit dat filtratie en reabsorptie in het capillaire vaatbed bepaald worden door de balans tussen hydrostatische en oncotische/osmotische drukverschillen, wat de rol hierbij is van het lymfesysteem en wanneer oedeemvorming optreedt.
32
-
35
HEMODYNAMICA
34
-
Je legt de relatie uit tussen druk, flow en weerstand in vaten en verklaart hoe de verdeling van de cardiac output over de verschillende organen/orgaansystemen bepaald wordt door de verhouding van hun vasculaire weerstanden.
34
-
36
elektrofysiologie
36
-
37
1: ionkanalen & -stromen
36
-
Je benoemt de belangrijkste ionen die de transmembraanpotentiaal van hartspiercellen veroorzaken en kent hun intra- en extracellulaire concentraties
36
-
Je legt uit dat de Nernst-vergelijking het evenwicht beschrijft tussen de krachten die werken op deze ionen.
37
-
Je beschrijft het mechanisme van spanningsafhankelijke eigenschappen van ionenkanalen en legt uit hoe een actiepotentiaal ontstaat.
37
-
38
2: het actiepotentiaal
38
-
Je beschrijft het mechanisme van spanningsafhankelijke eigenschappen van ionenkanalen en legt uit hoe een actiepotentiaal ontstaat.
38
-
Je beschrijft de verschillende fases van de actiepotentiaal en verklaart de vorm van de actiepotentiaal op basis van de ionenstromen.
39
-
39
3: Pacemaking
40
-
Je legt het begrip ‘automatie’ uit, beschrijft de actiepotentiaal van pacemakercellen, en verklaart deze aan de hand van de ionenkanalen en ionenstromen.
40
-
Je beschrijft de invloed van het autonome zenuwstelsel en circulerende catecholamines op de impulsvorming en geleiding in het hart
41
-
40
4: het geleidingssysteem
41
-
Je benoemt de onderdelen van het prikkelvormings- en geleidingssysteem van het hart en beschrijft hun microscopische structuur en anatomische positie.
41
-
Je verklaart hoe de gecoördineerde contracties van atria en ventrikels ontstaan door de elektrische activatie via het prikkel- en geleidingssysteem.
43
-
41
5: golffront
44
-
Hartvector
44
-
Op celniveau
45
-
Body Surface Potential Map
45
-
42
ECG
45
-
43
1: ECG Maken
45
-
Je kunt de samenstelling en betekenis van de 12-afleidingen van het ECG begrijpen
45
-
44
2: ECG interpreteren
47
-
Registratie ECG
47
-
Geografie van het ECG
48
-
Nomenclatuur
48
-
Overeenkomsten met het actiepotentiaal
48
-
Intervallen, segmenten, QT-tijd en J-punt
49
-
Je kunt een elektrocardiogram (ECG) interpreteren aan de hand van de 10 punten
49
-
45
hartfunctie
56
-
46
1: beschrijven van de hartfunctie
56
-
Toepassen op de systemische circulatie
56
-
Invloeden van factoren
56
-
47
2: Invloed van intrinsieke eigenschappen van het hart
57
-
48
3: invloed van de belasting van het hart
57
-
Invloed op de preload
57
-
Invloed op de afterload
57
-
Elastantie en compliantie
58
-
Stijver worden van het hart
58
-
Invloed van stijfheid op de preload
58
-
49
4: weergeven van de hartfunctie in pv-loop
59
-
Timing van hartcyclus
59
-
PV-loop vulling
59
-
PV-loop ejectie
60
-
Invloed van hoger slagvolume op PV-loop
60
-
50
Cardiovasculaire interactie
63
-
51
1: (dis)balans tussen CO en VR
63
-
52
2: effecten van intrinsieke eigenschappen van het hart op CO/VR
65
-
53
3: Effecten van preload & afterload op CO/VR
65
-
54
cardiovasculaire regulatie
66
-
55
1: intrinsieke & extrinsieke controle
66
-
Je beschrijft de intrinsieke (autoregulatie) en extrinsieke (neuraal, humoraal) factoren die de vaattonus (constrictie, dilatatie) bepalen.
66
-
56
2: Neurale controle
67
-
Baroreceptoren
68
-
Je beschrijft de afferente/efferente reflexpaden en de effectormechanismen van de arteriële en de cardiopulmonale baroreflex
68
-
Je verklaart de reflexmatige gevolgen van een verlaging of een verhoging van de centraal veneuze druk en van de arteriële bloeddruk
68
-
Je beschrijft de effecten van sympatische en parasympatische stimulatie op functie van het hart en de vaattonus en welke receptoren daarbij betrokken zijn.
69
-
Je legt uit wat de effecten zijn van stimulatie van de beta-receptoren op contractie en relaxatie van de hartspiercel
69
-
Je legt het begrip intrinsieke hartfrequentie uit, beschrijft de modulatie van de hartfrequentie door het autonoom zenuwstelsel en legt uit via welke mechanismen de pacemakerfrequentie wordt beïnvloed
70
-
Je beschrijft de effecten van sympatische en parasympatische stimulatie op functie van het hart en de vaattonus en welke receptoren daarbij betrokken zijn
71
-
Je beschrijft de intrinsieke (autoregulatie) en extrinsieke (neuraal, humoraal) factoren die de vaattonus (constrictie, dilatatie) bepalen
71
-
57
3: humorale controle
71
-
Je benoemt de belangrijkste hormonen die een rol spelen in de regulatie van de cardiovasculaire functie, waar ze geproduceerd worden, onder invloed van welke stimulus, en wat hun effecten zijn
72
-
58
hartfalen
74
-
59
1: wat is hartfalen?
74
-
Pathofysiologie
74
-
Oorzaken
75
-
Pathofysiologie
75
-
Oorzaken
75
-
60
2: compensatie en decompensatie
76
-
61
3: het RAAS-systeem
77
-
Triggers voor het RAAS-systeem
77
-
62
4: hartfalen & de nieren
77
-
63
Het ademhalingssysteem
78
-
64
Ontwikkeling ademhalingssysteem
79
-
65
Macro- en microanatomie ademhalingsstelsel
79
-
66
1: Longontwikkeling
79
-
67
2: De thorax
80
-
Spieren van de borstwand
80
-
Begrenzingen thorax
80
-
Onderverdeling thorax
80
-
68
3: Longen
80
-
Pleuraholte & pleuravliezen
80
-
69
4: Onderdelen bronchiale boom
82
-
Geleidend vs respiratoir
82
-
Mucosa
82
-
Submucosa (steun)
83
-
Kraakbeenlaag
83
-
Mucosa
83
-
Muscularis
83
-
Submucosa
83
-
Bronchioli algemeen
84
-
Terminale bronchioli
84
-
Respiratoire bronchioli
84
-
Ductuli alveolares
84
-
Sacculi alveolares
84
-
Alveoli
84
-
Type I alveolaire cel
84
-
Type II alveolaire cel
84
-
Alveolaire septum
85
-
70
bouw ademhalingsstelsel, klinische aspecten
85
-
71
1: Longanatomie en plaatsing
85
-
72
2: Inspectie luchtwegen
86
-
73
3: x-thorax
86
-
Lijnen op de X-thorax
86
-
74
4: Endoscopisch onderzoek
87
-
75
Longmechanica
87
-
Je kent de dynamische eigenschappen van de long die relevant zijn voor luchtwegweerstand en ademarbeid, en de gevolgen voor de ademarbeid wanneer de elasticiteit van de long of de thoraxwand verandert.
87
-
76
1: Elasticiteit & compliantie
88
-
De longen
88
-
Elastische eigenschappen long & thoraxwand
88
-
Veranderingen bij ziekte
89
-
77
2: druk in het ademhalingsstelsel
89
-
Regionale compliantie verschillen
90
-
78
3: druk-volume curve
91
-
Berekenen van de ademarbeid
92
-
Afname longcompliantie
93
-
Afname compliantie thoraxwand
94
-
79
4: oppervlaktespanning & surfactant
96
-
Je begrijpt de functie van het surfactant
96
-
80
5: ventilatie
97
-
81
6: in- en uitademing
98
-
Je verklaart het dynamische gedrag van longen en luchtwegen, zowel tijdens in- als uitademing aan de hand van de mechanische eigenschappen van het ademhalingsapparaat & Je kent de betekenis van de belangrijkste krachten die een rol spelen bij de norma...
98
-
82
HC-20 Ademregulatie
98
-
83
1: controller
100
-
84
2: effectoren
101
-
85
3: sensoren
101
-
Effecten
103
-
86
3: veranderingen bij slaap
104
-
Invloed van anesthetica, analgetica en ademstimulantia
104
-
Hartfalen
105
-
87
Gaswisseling en -transport
105
-
88
1: partiële druk in het lichaam
105
-
Alveolaire gasmenging
106
-
Je begrijpt hoe partiële drukken van een gas leiden tot de alveolaire gasvergelijking
106
-
89
2: diffusie
106
-
Je weet hoe het transport van gas in het bloed plaatsvindt
106
-
Je kunt beschrijven hoe gas vanuit de alveoli in het bloed komt
107
-
Je kent de factoren van invloed op zuurstoftransport
108
-
90
Ventilatie/perfusie
110
-
Regionale verschillen in perfusie
110
-
Complementaire mechanismen bij verhoogde bloedstroom
111
-
91
1: Zones van West
111
-
92
2: V/Q verhouding & v/Q mismatch
112
-
Compensatoire response
113
-
93
3: hypoxemie
114
-
94
4: Aa gradiënt
115
-
Gebruik in de praktijk
115
-
95
spirometrie
115
-
96
1: uitvoering spirometrie
115
-
Je legt uit hoe een spirometrie wordt uitgevoerd
115
-
97
2: meting spirometrie
115
-
Je kent de principes van spirometrie
115
-
98
3: Volumes en capaciteiten
116
-
Je weet welke volumes met spirometrie gemeten kunnen worden.
116
-
Je kunt de verschillende statische en dynamische longvolumes en de basale processen die eraan ten grondslag liggen afleiden
116
-
99
3: obstructief en restrictief
117
-
Je hebt globaal kennis van typerende patronen in de spirometrie bij bepaalde aandoeningen
117
-
100
3: flow-volume curve
118
-
Equal pressure point
120
-
Obstructief versus restrictief
120
-
101
De nieren
121
-
102
embryonale ontwikkeling urogenitaal stelsel
122
-
Je beschrijft de embryonale ontwikkeling van het urogenitaalstelsel
122
-
103
Microscopie en anatomie nieren
122
-
104
1: functie van de nier
122
-
105
2: topografie
123
-
Rechternier
123
-
Linkernier
123
-
106
3: opbouw en vorm
123
-
Perifere parenchym
124
-
Holte (sinus renalis)
124
-
107
2: kapsel, fascie en vet
124
-
108
4: vascularisatie
124
-
Vasa recta
125
-
109
4: microscopische bouw
126
-
Onderdelen
126
-
110
5: opbouw en functies nefron
127
-
Onderdelen
127
-
Tubulus contortus I
128
-
Tubulus contortus II
128
-
Ductus colligens (verzamelbuis)
128
-
111
6: het Nierlichaampje
128
-
Kapsel van Bowman
129
-
Mesangium
129
-
Werking van het RAAS-systeem
130
-
112
6: urinetransport
130
-
Ureter
130
-
113
RBF, RPF, GFR, Klaring
132
-
114
1: begrippen
132
-
Je begrijpt de relatie tussen cardiac output, renal blood flow, renal plasma flow, GFR en klaring
132
-
115
2: Determinanten van glomerulaire filtratie
132
-
Je kent de determinanten van glomerulaire filtratie: hydrostatische druk, oncotische druk, moleculaire grootte en lading
132
-
116
3: beïnvloedende factoren RBF, GFR en klaring
134
-
Je begrijpt welke factoren RBF, GFR en klaring beïnvloeden
134
-
117
4: berekeningen GFR en klaring
134
-
Je begrijpt hoe klaring en GFR worden berekend
134
-
Je kent de formule voor de berekening van de endogene kreatinine klaring en de geschatte kreatinine klaring volgens Cockroft-Gault
134
-
118
(auto)regulatie van RBF, RPF en GFR
135
-
Factoren die weerstand in afferente en efferente arteriolen kunnen moduleren
135
-
Je begrijpt hoe de glomerulaire filtratiedruk wordt beïnvloed door autoregulatie & je kent enkele factoren die betrokken zijn bij de autoregulatie
135
-
119
1: myogene respons
135
-
120
2: tubuloglomerulaire feedback
136
-
121
tubulaire functies
136
-
122
1: glomerulotubulaire balans
136
-
Je legt het concept van glomerulotubulaire (GT)-balans uit
136
-
Je zet uiteen hoe de GT-balans bijdraagt tot de regulering van het extracellulaire volume.
136
-
123
2: transport over membranen
137
-
Je kent de algemene principes van transport over membranen
137
-
124
3: anatomische & functionele indeling tubulus
138
-
Je kent de anatomische en functionele indeling van de tubulus & je begrijpt de begrippen tubulaire terugresorptie en tubulaire secretie
138
-
125
2: de proximale tubulus
139
-
Je weet hoe Na+, Cl-, glucose en aminozuren worden teruggeresorbeerd in de proximale tubulus
139
-
126
2: lis van henle
141
-
Afdalende been
141
-
Opstijgende been
141
-
Je begrijpt hoe countercurrent multiplication werkt
142
-
Je weet wat de functie is van countercurrent multiplication
142
-
127
3: distale nefron; distale tubulus & verzamelbuis
144
-
Je weet dat regulatie van de osmolariteit van het plasma plaatsvindt in de verzamelbuis & Je weet dat water reabsorptie en water excretie onafhankelijk kan worden gereguleerd in de verzamelbuis, onder invloed van het hormoon ADH & Je weet dat de prikk...
144
-
128
4: waterresorptie
144
-
Je begrijpt hoe en waar water wordt teruggeresorbeerd in de tubulus & Je weet wat de drijvende kracht voor terugresorptie van water in de verschillende delen van de tubulus is
145
-
129
4: natrium resorptie
146
-
Je geeft een overzicht van de natriumbalans in het lichaam.
146
-
Je vat de invloed van ADH, aldosteron, ANP en het sympathische zenuwstelsel op de reabsorptie van natrium samen
146
-
Je weet hoe Na+ wordt teruggeresorbeerd in de verschillende delen van de tubulus
147
-
Je geeft een overzicht hoe van proximaal naar distaal de reabsorptie van natrium- en chloride-ionen in zijn werk gaat en geeft de kwantitatieve bijdrage van de verschillende tubulussegmenten aan
147
-
130
Volumeregulatie
148
-
131
1: het effectief circulerend volume
148
-
Je kent de definitie van het begrip effectief circulerend volume (EffCV, ook wel ECV genoemd) & Je begrijpt het verschil tussen extracellulair volume (ECF) en effectief circulerend volume (EffCV of ECV)
148
-
Je kent de determinanten van bloeddruk en cardiac output
148
-
beschrijf hoe het lichaam EffCV en daarmee mede de bloeddruk reguleert
149
-
132
2: sensoren
149
-
Ken de sensoren die een daling of stijging van het EffCV sensen
149
-
133
3: Effectoren
149
-
Ken de effectoren die de natrium balans en daarmee EffCV kunnen reguleren
149
-
134
Osmoregulatie
151
-
135
1: Verdeling van lichaamswater
151
-
Je beschrijft hoe het totale lichaamswater is verdeeld in het lichaam
151
-
136
2: osmose & osmolariteit
151
-
Toniciteit
152
-
137
3: osmolaliteit
152
-
Plasma osmolaliteit
152
-
Soorten deeltjes
152
-
Je kent de formule voor de effectieve osmolaliteit.
152
-
138
4: osmoregulatie
153
-
Invloed van ADH
153
-
Diabetes insipidus
153
-
139
3: verandering van de lichaamscompartimenten
153
-
140
kalium
154
-
141
1: kaliumwaarden
154
-
142
2: functie kalium
154
-
Effecten van hypo- en hyperkaliëmie
154
-
143
2: kaliumbalans
156
-
144
3: hyper- en hypokaliëmie
156
-
Oorzaken
156
-
Gevolgen
157
-
Oorzaken
157
-
Gevolgen
157
-
145
3: kaliumregulatie
157
-
Proximale tubulus
157
-
Opstijgende deel van de lis van Henle
157
-
Verzamelbuis
157
-
146
Nierproblemen
159
-
147
Interacties tussen de vitale orgaansystemen
160
-
148
Cardiopulmonale interactie
161
-
149
1: onderdelen en interactie
161
-
Je beschrijft de onderlinge interactie tussen hart en longen en geeft voorbeelden van aanpassingen in het ene systeem bij dysfunctie van het andere systeem.
161
-
150
2: Complicaties en gevolgen
162
-
Je beredeneert hoe pathofysiologische aanpassingen in het cardiovasculaire systeem invloed hebben op de fysiologie van de long en omgekeerd.
162
-
151
3: dyspneu
164
-
Pulmonaal
164
-
Cardiaal
164
-
Voorbeelden van dyspneu
165
-
152
CARDIORENAAL SYNDROOM
165
-
153
Verstoring van de homeostase (ziekte)
167
-
154
Roken, fysiologische effecten
168
-
Je legt de belangrijkste effecten van roken op het functioneren van hart en vaten, longen en nieren uit.
168
-
Je beschrijft de omvang van het rookprobleem en legt uit welke schade roken kan aanbrengen in de vitale orgaansystemen
168
-
155
1: Effect op longen
168
-
COPD
169
-
Astma
169
-
(long)kanker
169
-
156
2: effect op hart- en vaten
169
-
Effecten op de vaten
169
-
157
Roken, global health
169
-
Je beschrijft de omvang van de gezondheidsproblemen die samenhangen met roken in Nederland en wereldwijd.
169
-
158
Hypertensie
171
-
Je maakt onderscheid tussen essentiële en secundaire hypertensie.
171
-
159
1: Invloed op cardiovasculair systeem
171
-
Je benoemt welke cardiovasculaire complicaties door hypertensie worden veroorzaakt en legt uit welke mechanismen hierbij een rol spelen
171
-
160
2: Invloed op de nieren
172
-
Thiazidediuretica
172
-
Aldosteron antagonisten
172
-
SGLT2-remmers
172
-
Histologische kleuringen
175
-
Enzymatische kleuringen
175
-
Immunohistochemische kleuringen
175
-
161
Microscopie
174
-
162
de longen
175
-
163
2: de nieren
176
-
164
Tentamen bijlage
177
-
165
ECG toevoegingen
178
-
166
referentiewaarden die je moet kennen
178