Boek: H1, H2 par 1-4 en 2.6.1, H3, H4
BS
Hoofdstuk 1
Essentialia en achtergronden van het Nederlandse strafrecht
1.1 Wat is strafrecht?
Ius puniendi, het recht van de overheid om burgers te straffen ogv normschendingen.
Publiek sr wil nastreven is voorkomen van ongerichte wraak en dus het voorkomen van
eigenrichting, wil zeggen dat de burgers onderling voor eigen rechter zou gaan spelen en
daarbij de grenzen van het toelaatbare overschrijden.
Volgens gangbare definitie materiële strafrecht is dit het rechtsgebied, dat regelt (1) welke
gedragingen onder welke omstandigheden strafbaar zijn, (2) waaruit de straffen bestaan en
(3) onder welke voorwaarden het strafrecht mag worden toegepast.
1. Algemeen geldende bepalingen neergelegd in Wetboek van Strafrecht, alsmede
geheel afzonderlijke strafbepalingen
2. Sanctiestelsel (geheel straffen en maatregelen) regels betreffende rechterlijke
straftoemeting en strafexecutierecht, tezamen het penitentiair recht, tegenwoordig
ook strafrechtelijke sanctierecht genoemd
3. voorwaarden voor vervolgbaarheid, waaraan moet zijn voldaan, alvorens het tot
toepassing van het strafrecht kan komen
Formele strafrecht, strafprocesrecht, rechtsgebied dat de voorschriften bevat die bepalen
langs welke weg het sr zich dient te verwerkelijken.
Bepalend voor de strafrechtelijke werkelijkheid is niet alleen de structuur, maar ook de
cultuur van het sr.
Criminele politiek is omschreven als de rationele organisatie van de maatschappelijke
reactie op de misdaad.
1.2 De geest van ons Wetboek van Strafrecht
1886. Tweedeling van strafbare feiten. Gekozen voor de vrijheidsstraf als belangrijkste
strafsoort (‘prima donna’), bovendien tenuitvoergelegd zou moeten worden volgens een
cellulair stelsel, zodat zwaarte van straf niet alleen zoveel mogelijk in overeenstemming met
zwaarte van het begane delict zou kunnen worden afgewogen, maar ook in beginsel voor
alle veroordeelden hetzelfde zou zijn. Zou de rechtvaardigheid dienen.
Straftoemeting: tussen algemene wettelijke minima per strafsoort en bijzondere per
strafbepaling verschillende strafmaxima.
Daderschap, wederrechtelijkheid, schuld en causaliteit, kernbegrippen in ons sr, niet wettelijk
geregeld maar zijn door jurisprudentie ontwikkeld. Strafrechtsdogmatiek bestaat uit principes
en de grondslagen waarop de strafrechtelijke leerstukken en de strafbaarstellingen in de
strafbepalingen rusten.
Internationaal stond Ned sr al vroeg bekend als niet te streng, zelfs relatief mild en humaan.
Belangrijke factor daarbij is ontegenzeggelijk geweest de bemoeienis van de reclassering, in
,1823 als nationale charitatieve instelling door particulieren werd opgericht. Reclassering
geheel door overheid gesubsidieerd geworden en is ministerie van Justitie (en Veiligheid) de
grote lijnen van het reclasseringswerk gaan bepalen.
Ned sr compromis geworden én gebleven tussen Klassieke Richting en de Moderne
Richting. Dominantie van de ‘verenigingstheorie’, inhoudende dat de vergelding weliswaar
de grondslag van straf is en daarvan de proportionaliteit bepaalt, doch dat bijzondere, mede
gedragskundig gekleurde, doelen in concreto de binnen de grenzen van de vergelding op de
leggen straf bepalen.
Bijzonder strafrecht. Alles wat onder Algemeen Deel van wetboek valt noemen we commune
strafrecht.
1.3 Het ultimum remedium-karakter van het strafrecht
Onze strafrechtscultuur traditioneel getekend door belangrijke eigenschap,
terughoudendheid.
Het uiterste redmiddel. Men terdege bewust geraakt/gebleven ingrijpende en pijnlijke
karakter strafrecht en wat straf wezenlijk is: een opzettelijk (door overheid) aan burger
toegebracht leed op grond van normoverschrijding.
Voor strafrechtelijke weg mag worden ingeslagen, zal wetgever eerst andere wegen moeten
zoeken om door mensen veroorzaakt onrecht of onheil tot oplossing te brengen. Daarbij
steeds vraag of niet bepaalde vormen van onrecht typisch strafrechtelijk behoren te worden
afgehandeld, omdat naar aard als misdadig of crimineel dienen te worden aangemerkt.
Onderscheid absolute en relatieve criteria. Absolute ogv in onze tijd en in onze samenleving
strafbaarstelling per se achterwege moet blijven. Relatieve vervullen daarentegen de rol van
gevaartekens, dus van negatieve indicaties voor strafbaarstelling. Hulsman onderscheidt
vier absolute criteria:
1. Strafbaarstelling mag nimmer plaatsvinden uitsluitend vanuit de overweging dat men
een bepaalde morele opvatting omtrent bepaald gedrag heersend wil maken
2. Strafbaarstelling mag nimmer plaatsvinden vanuit primaire overweging dat men
mogelijkheden wil scheppen de (potentiële) gestraften hulp te verlenen.
3. Strafbaarstelling mag nimmer plaatsvinden wanneer de capaciteit van het apparaat
daardoor wordt overschreden.
4. Strafbaarstelling mag nimmer plaatsvinden als ‘schijnoplossing’ van problemen.
Relatieve criteria:
a. gedrag betreft dat vooral voorkomt bij sociaal zwakke groepen in samenleving of bij
groepen die aan discriminatie bloot staan, of waarbij risico van discriminatie groot is
b. als gedrag betreft dat in regel niet door aangifte ter kennis van politie komt
c. als gedrag betreft dat zeer frequent voorkomt
d. als gedrag betreft dat door zeer groot aantal personen wordt gesteld
e. als gedrag betreft dat in regel slechts in noodsituaties wordt gesteld
f. als gedrag betreft dat moeilijk enigszins nauwkeurig kan worden omschreven
g. als gedrag betreft dat hoofdzakelijk in privésfeer kan worden omschreven
h. als gedrag betreft dat door aanmerkelijke groep in bevolking met overtuiging als
geoorloofd wordt beschouwd.
Heeft wetgever bepaald gedrag eenmaal strafbaar gesteld, dan dient sr alsnog met
terughoudendheid te worden toegepast. Opportuniteitsbeginsel en kan strafrechter ten
aanzien van elk strafbaar feit afzien van opleggen van straf of maatregel of eventueel
volstaan met uiterst lage straf.
Strafrecht maakt onheil in meer indirecte zin ongedaan.
,1.4 Rechts- en wetsdelicten; misdrijven en overtredingen
Rechtsdelict, dat - anders dan een wetsdelict - de strafbaarstelling omvat van de schending
van een norm, welke de samenlevingsgenoten reeds in hun opvoeding hebben
geïnternaliseerd en die behoort tot de normen die een eerste vereiste voor een fysiek en
psuchische leefbare maatschappij vormen.
Rechtsdelicten weerspiegelen de bescherming van onze meest essentiële rechtsgoederen:
integriteit van leven en van lichaam, van de zedelijkheid, eigendom, persoonlijkheid zoals
privacy, etc. Spreken in dit verband van klassieke misdrijven, omdat men deze in
strafwetgeving van alle beschaafde samenlevingen op vergelijkbare wijze zal aantreffen.
In geval van rechtsdelicten de strafwet straf verbindt aan de schending van een rechtsnorm
die reeds als zodanig in de samenleving van kracht is en wellicht op andere rechtsterreinen
ook handhaving vindt. Daarentegen wetsdelicten het strafbaar stellen van schending van
overigens onbekende normen. Onderscheid hiertussen valt min of meer samen met
onderscheid tussen misdrijven en overtredingen. Onderscheid vergaande consequenties,
zowel gebied van absolute competentie als materieelrechtelijke zin. Essentieel verschil is dat
in omschrijving van misdrijven, zeker klassieke, altijd bestanddeel dat opzet of schuld (in zin
culpa) uitdrukt.
1.5 Het strafrecht en de materiële normen
Wie is de ‘normadressaat’ van de strafwet? Strafbepaling bestaat uit twee delen, de
delictsomschrijving welke de schending van en bepaalde materiële norm inhoudt en de
sanctienorm. Kwestie is o.a. van belang voor vraag, hoe grot het publiekrechtelijk gehalte
van het strafrecht is. In rechtstheorie over algemeen ervan uitgegaan dat sr publiek recht is.
Zou blijken uit feit dat overheid de handhaving van het sr jegens de burgers actief nastreeft,
dat de daarin beschermde rechtsgoederen onttrokken zijn aan particuliere zeggenschap en
dat de aard van de strafsanctie publiekrechtelijk is.
Volgens Enschede: wie de strafwet tevens de functie toedicht de burgers mede te delen, hoe
deze zich op straffe van een straf jegens zijn medeburgers heeft te gedragen, erkent
daarmee tevens een privaatrechtelijke component. Is voortdurend kwestie van meer of
minder.
1.6 De door het strafrecht beschermde rechtsgoederen
De aard van het primair te beschermen rechtsgoed is bepalend voor het type delict dat aan
de orde is.
1.7 De verschillende richtingen en hun rechtvaardiging van het strafrecht
1.7.1 Subjectieve opvattingen liggen in de aard van het strafrecht besloten
Rechtvaardiging, waarin zowel morele en politieke uitgangspunten als mens- en
maatschappijbeelden te herkennen zijn. Deze kunnen zeer van elkaar verschillen, gebonden
als ze zijn aan plaats en tijd en bovendien aan persoonlijke voorkeuren.
Pagina 19 en 20 over verschillende meningen uit geschiedenis en contrat social.
1.7.2 De absolute vergeldingstheorieën
Het misdrijf vormt hierin de grondslag van de straf (quia peccatum est); de straf vindt dus in
het misdrijf zelf haar rechtvaardiging, geheel los van het effect (absoluta ab effectu).
In de Nederlandse strafrechtstheorie is naderhand Leo Polak geweest, die in zijn zogeheten
ojectiveringstheorie de vergelding omschreef als een ‘trans-egoïtische
belangenharmonisering’, waarbij de straf wordt gezien als een middel dat door de
, toevoeging van leed het ‘prae’, dat de dader zichzelf door zijn daad wederrechtelijk heeft
verschaft, weer ongedaan te maken en daarmee de in de rechtsorde aangebrachte deuk
weer te vereffenen.
1.7.3 De Klassieke Richting
Het beginsel van de vergelding, en wel als grondslag van de straf. Essentieel uitgangspunt
voor strafrecht was de gedachte van le contrat social, het maatschappelijk contract, geacht
werd door de burgers onderling te zijn gesloten als basis voor de uitoefening van
overheidsmacht. Klassieke strafrecht paste ook goed in liberale rechtsstaat van 19e eeuw:
vrijheid van burger stond voorp en de staat onthield zich in beginsel van ingrijpen, het
‘laissez faire, laissez aller’ moest worden gerespecteerd. Mensen een max aan welzijn te
verzekeren of hun minimum aan leed aan te doen. Voor strafrecht betekent dit:
- uitsluitend geschreven wetboeken; daarmee wordt willekeur uitgebannen
- geen onnodige strafbaarstellingen, omdat anders de criminaliteit zal stijgen in plaats
van dalen
- duidelijke en heldere formuleringen met zo min mogelijk interpretatieruimte, dit ten
behoeve van rechtszekerheid
- gerechtvaardigd zijn van het straffen voor de mate waarin de gestrafte zich aan de
rechten van andere heeft vergrepen: vergelding doch niet meer dan dat (dus geen
ongelimiteerde wraak)
- proportionaliteit van straffen zowel kwantitatief als kwalitatief
- zekerheid dat gestraft zal worden in verband met de generaal preventieve werking
- geen preventief optreden doch uitsluitend retrospectief reageren
Had klassieke strafrecht in dominante mate het karakter van een daadstrafrecht. Wij
herkennen aantal essentiële grondslagen waarop het huidige strafrecht nog altijd rust.
1.7.4 De relatieve of doeltheorieën
De strafrechtstheorieën volgens welke de rechtvaardiging van de straf is gelegen in doel
daarvan, worden de relatieve theorieën of doeltheorieën genoemd. In deze theorieën wordt
met andere woorden de rechtsgrond van de straf bepaald door het doel, dit in tegenstelling
tot absolute theorieën, waar het doel door rechtsgrond, de vergelding, wordt bepaald. Eind
19e eeuw opgekomen Moderne Richting in strafrecht die de speciaal-preventieve
strafdoelen veel meer centraal ging stellen.
1.7.5 De Moderne richting en de IKV
Internationale Kriminalistische Vereinigung. Ideaal om gezamenlijk crimineel-politieke
doeleinden na te streven stond hierin centraal. Gezocht naar bijdrage van sociale politiek
aan preventie van misdaad, werd van standpunt uitgegaan dat speciale preventie een
doorslaggevende betekenis toekomt bij de strafmaat ten aanzien van recidivisten en werd
bepleit dat het gevangenisregime zoveel mogelijk zou worden toegesneden op persoon van
dader en het door hem gepleegde delict. Sterke nadruk op individualisering van strafrecht
duidelijk voort uit sterke hang naar wetenschappelijke benadering van te bereiken
strafdoelen in licht van bestrijding van misdaad.
Ook een en ander bevorderd door veranderingen in de samenleving. Voorts ontwikkelden
zich vele wetenschappen.
Akens ondertussen verzet van accent op ‘quia peccatum’ (omdat misdaan is) naar primair
op dader gerichte ‘ne peccetur’ (opdat niet misdaan zal worden).