Hoofdstuk 8
Myeline = een vettige substantie die de neuronen beschermt en de overdracht van
zenuwsignalen versnelt.
Waardoor de overdracht van zenuwsignalen door de hersencellen versnelt en het
gewicht in de hersenen toeneemt.
Hersenen groeien hard! Op vijfjarige leeftijd heeft het brein 90% van volwassen grootte:
- Er worden meer verbindingen gelegd -> geassocieerd met ontwikkelingssprongen.
- Groei van myeline.
- Meer specialisatie per hersengebied.
Lateralisatie = het proces waarbij bepaalde functies hun plek eerder in de ene hersenhelft
dan in de andere hersenhelft vinden.
Linkerhersenhelft -> verbale competentie: praten, lezen, denken en redeneren.
Rechterhersenhelft -> non- verbale gebieden: ruimtelijk inzicht, herkenning van patronen en
tekeningen, muziek en emotionele uitingen.
De linkerhersenhelft benadert informatie sequentieel, dat wil zeggen één stukje informatie
tegelijk.
De rechterhersenhelft verwerkt informatie op een globale manier en behandelt het als één
geheel.
Perceptuele schematisering = het vermogen om tegelijkertijd het geheel en de afzonderlijke
delen te onderscheiden.
Peuters en kleuters concentreren zich op de componenten waaruit deze vreemde
groentevogel is opgebouwd (‘wortels’, ‘kersen’ en ‘peer’). Pas rond hun zevende of
achtste beginnen ze de figuur ook als geheel te zien (‘een vogel van fruit en
groenten’).
Veranderingsblind = het verschijnsel dat veranderingen in het gezichtsveld makkelijk over
het hoofd gezien worden.
Tabel 8.1 en 8.2
Peuters en kleuters hebben een zeer hoog activiteitenniveau, al zijn er natuurlijk individuele
verschillen door temperament verschillen als een kind in de buik en als baby al erg actief
is, is dit vaak in de peuter en kleutertijd ook zo.
u Links-of rechtshandigheid = een duidelijke voorkeur voor het gebruik van een
bepaalde hand, die zich meestal aan het einde van de kleutertijd manifesteert.
Handvoorkeur is in aanleg aanwezig.
,Elimination Communication: al van jongs af goed kijken naar de signalen van het kind, en
geen luier laten dragen. Vanuit het idee dat kinderen het onprettig vinden om vies te
worden, bestaat het idee dat kinderen daardoor heel snel zindelijk wordt.
Versus wanneer het kind er klaar voor is.
De tekeningen van peuters en kleuters doorlopen een aantal stadia:
1. Krabbelstadium -> de elementen op de krabbeltekening kunnen we onderverdelen in
twintig verschillende categorieën, zoals horizontale lijnen en zigzaglijnen.
2. Vormstadium -> rond 3 jaar, kenmerkt zich door het verschijnen van vormen, zoals
vierkanten en cirkels, maar ook plusjes en kruisjes.
3. Ontwerpstadium -> ontwikkelen het vermogen om meer dan één eenvoudige vorm
te combineren tot een complexere vorm.
4. Picturale stadium -> tussen 4 en 5 jaar. Hun tekeningen beginnen op herkenbare
objecten uit de echte wereld te kijken.
Pavor nocturnus = een slaapstoornis die leidt tot een versnelde ademhaling en hartslag, en
waarbij een kind in een intense paniektoestand wakker wordt.
Voedselneofobie = de angst voor en vermijding van voedingsmiddelen die nieuw voor een
persoon zijn.
Kindermishandeling = lichamelijke of psychische mishandeling, seksueel misbruik of
verwaarlozing van kinderen.
Verwaarlozing = een vorm van kindermishandeling waarbij ouders niet voldoen aan de
lichamelijke of emotionele basisbehoeften van hun kind, resulterend in (risico op) schade bij
het kind.
Intergenerationele overdracht van huiselijk geweld = het fenomeen dat mensen die als kind
zijn mishandeld, een grotere kans hebben hun eigen kinderen fysiek te mishandelen en te
verwaarlozen.
Tabel 8.4
Een reden dat mishandeling zulke ernstige gevolgen heeft, is dat de hersenen van de
slachtoffers door de mishandeling permanente veranderingen kunnen ondergaan.
Volwassenen die als kind mishandeld zijn, hebben bijvoorbeeld soms een kleinere amygdala
en hippocampus dan andere volwassenen. De angst en het gevoel van dreiging als gevolg
van de mishandeling, kunnen leiden tot overprikkeling van het limbisch systeem, dat
betrokken is bij de regulering van geheugen en emoties.
Veerkracht = het vermogen om omstandigheden die kunnen leiden tot psychische of fysieke
schade te boven te komen.
, Hoofdstuk 9
Preoperationeel stadium (Piaget) = periode van het tweede tot het zevende levensjaar,
waarin het gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat
en het gebruik van concepten toeneemt. (2-7 jaar)
Intern representeren, mentale voorstellingen. Bijv. kind ziet autosleutels en reageert
“naar de winkel?”. Het kind ziet de autosleutels als symbool voor een autoritje.
Belangrijke begrippen h9!!
- Symbool gebruik
- Centratie
- Conservatie
- Transformatie
- Egocentrisme
o Symboolgebruik = het vermogen om een mentaal symbool, een object of een
woord te gebruiken om iets wat niet fysiek aanwezig is weer te geven of te
vervangen.
Het gebruik van symbolisch denken, het vermogen om te redeneren en het gebruik van
concepten neemt toe.
Kinderen zijn steeds minder afhankelijk van het gebruik van hun directe (sensomotorische)
gewaarwordingen.
Kinderen worden beter in het maken van mentale voorstellingen
Bijvoorbeeld: bij het zien van de autosleutels aan de ouder vragen of ze naar de winkel gaan
-> de autosleutel staat symbool voor een autoritje ergens naar toe.
Start met concrete symbolen, maar wordt steeds complexer!
Bijv. plaatje van auto/ speelgoedauto staat symbool voor een echte auto (concreet).
Het woord auto staat als mentaal symbool voor een echte auto (abstract).
Voorbeeld: ik pak een pen, wat ga ik doen? Mentale representatie is dat je met een pen kan
schrijven.
Denkoperaties = georganiseerde, formele, logische mentale processen.
Kinderen kunnen hun fantasieën voor waar nemen.
Denkoperaties zijn echter nog niet goed ontwikkeld -> Fantasie en werkelijkheid loopt door
elkaar.
Bijv. kind dat enthousiast zwaait naar elk vliegtuig omdat vader op reis is met het vliegtuig.
Een peuter die aan zijn zwangere moeder vraagt of er ook een konijn uit haar buik kan
komen.
Myeline = een vettige substantie die de neuronen beschermt en de overdracht van
zenuwsignalen versnelt.
Waardoor de overdracht van zenuwsignalen door de hersencellen versnelt en het
gewicht in de hersenen toeneemt.
Hersenen groeien hard! Op vijfjarige leeftijd heeft het brein 90% van volwassen grootte:
- Er worden meer verbindingen gelegd -> geassocieerd met ontwikkelingssprongen.
- Groei van myeline.
- Meer specialisatie per hersengebied.
Lateralisatie = het proces waarbij bepaalde functies hun plek eerder in de ene hersenhelft
dan in de andere hersenhelft vinden.
Linkerhersenhelft -> verbale competentie: praten, lezen, denken en redeneren.
Rechterhersenhelft -> non- verbale gebieden: ruimtelijk inzicht, herkenning van patronen en
tekeningen, muziek en emotionele uitingen.
De linkerhersenhelft benadert informatie sequentieel, dat wil zeggen één stukje informatie
tegelijk.
De rechterhersenhelft verwerkt informatie op een globale manier en behandelt het als één
geheel.
Perceptuele schematisering = het vermogen om tegelijkertijd het geheel en de afzonderlijke
delen te onderscheiden.
Peuters en kleuters concentreren zich op de componenten waaruit deze vreemde
groentevogel is opgebouwd (‘wortels’, ‘kersen’ en ‘peer’). Pas rond hun zevende of
achtste beginnen ze de figuur ook als geheel te zien (‘een vogel van fruit en
groenten’).
Veranderingsblind = het verschijnsel dat veranderingen in het gezichtsveld makkelijk over
het hoofd gezien worden.
Tabel 8.1 en 8.2
Peuters en kleuters hebben een zeer hoog activiteitenniveau, al zijn er natuurlijk individuele
verschillen door temperament verschillen als een kind in de buik en als baby al erg actief
is, is dit vaak in de peuter en kleutertijd ook zo.
u Links-of rechtshandigheid = een duidelijke voorkeur voor het gebruik van een
bepaalde hand, die zich meestal aan het einde van de kleutertijd manifesteert.
Handvoorkeur is in aanleg aanwezig.
,Elimination Communication: al van jongs af goed kijken naar de signalen van het kind, en
geen luier laten dragen. Vanuit het idee dat kinderen het onprettig vinden om vies te
worden, bestaat het idee dat kinderen daardoor heel snel zindelijk wordt.
Versus wanneer het kind er klaar voor is.
De tekeningen van peuters en kleuters doorlopen een aantal stadia:
1. Krabbelstadium -> de elementen op de krabbeltekening kunnen we onderverdelen in
twintig verschillende categorieën, zoals horizontale lijnen en zigzaglijnen.
2. Vormstadium -> rond 3 jaar, kenmerkt zich door het verschijnen van vormen, zoals
vierkanten en cirkels, maar ook plusjes en kruisjes.
3. Ontwerpstadium -> ontwikkelen het vermogen om meer dan één eenvoudige vorm
te combineren tot een complexere vorm.
4. Picturale stadium -> tussen 4 en 5 jaar. Hun tekeningen beginnen op herkenbare
objecten uit de echte wereld te kijken.
Pavor nocturnus = een slaapstoornis die leidt tot een versnelde ademhaling en hartslag, en
waarbij een kind in een intense paniektoestand wakker wordt.
Voedselneofobie = de angst voor en vermijding van voedingsmiddelen die nieuw voor een
persoon zijn.
Kindermishandeling = lichamelijke of psychische mishandeling, seksueel misbruik of
verwaarlozing van kinderen.
Verwaarlozing = een vorm van kindermishandeling waarbij ouders niet voldoen aan de
lichamelijke of emotionele basisbehoeften van hun kind, resulterend in (risico op) schade bij
het kind.
Intergenerationele overdracht van huiselijk geweld = het fenomeen dat mensen die als kind
zijn mishandeld, een grotere kans hebben hun eigen kinderen fysiek te mishandelen en te
verwaarlozen.
Tabel 8.4
Een reden dat mishandeling zulke ernstige gevolgen heeft, is dat de hersenen van de
slachtoffers door de mishandeling permanente veranderingen kunnen ondergaan.
Volwassenen die als kind mishandeld zijn, hebben bijvoorbeeld soms een kleinere amygdala
en hippocampus dan andere volwassenen. De angst en het gevoel van dreiging als gevolg
van de mishandeling, kunnen leiden tot overprikkeling van het limbisch systeem, dat
betrokken is bij de regulering van geheugen en emoties.
Veerkracht = het vermogen om omstandigheden die kunnen leiden tot psychische of fysieke
schade te boven te komen.
, Hoofdstuk 9
Preoperationeel stadium (Piaget) = periode van het tweede tot het zevende levensjaar,
waarin het gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat
en het gebruik van concepten toeneemt. (2-7 jaar)
Intern representeren, mentale voorstellingen. Bijv. kind ziet autosleutels en reageert
“naar de winkel?”. Het kind ziet de autosleutels als symbool voor een autoritje.
Belangrijke begrippen h9!!
- Symbool gebruik
- Centratie
- Conservatie
- Transformatie
- Egocentrisme
o Symboolgebruik = het vermogen om een mentaal symbool, een object of een
woord te gebruiken om iets wat niet fysiek aanwezig is weer te geven of te
vervangen.
Het gebruik van symbolisch denken, het vermogen om te redeneren en het gebruik van
concepten neemt toe.
Kinderen zijn steeds minder afhankelijk van het gebruik van hun directe (sensomotorische)
gewaarwordingen.
Kinderen worden beter in het maken van mentale voorstellingen
Bijvoorbeeld: bij het zien van de autosleutels aan de ouder vragen of ze naar de winkel gaan
-> de autosleutel staat symbool voor een autoritje ergens naar toe.
Start met concrete symbolen, maar wordt steeds complexer!
Bijv. plaatje van auto/ speelgoedauto staat symbool voor een echte auto (concreet).
Het woord auto staat als mentaal symbool voor een echte auto (abstract).
Voorbeeld: ik pak een pen, wat ga ik doen? Mentale representatie is dat je met een pen kan
schrijven.
Denkoperaties = georganiseerde, formele, logische mentale processen.
Kinderen kunnen hun fantasieën voor waar nemen.
Denkoperaties zijn echter nog niet goed ontwikkeld -> Fantasie en werkelijkheid loopt door
elkaar.
Bijv. kind dat enthousiast zwaait naar elk vliegtuig omdat vader op reis is met het vliegtuig.
Een peuter die aan zijn zwangere moeder vraagt of er ook een konijn uit haar buik kan
komen.